Joost van den Vondel (1587-1679)

FATON OF REUKELOOZE STOUTHEID.

TREURSPEL.

A. 1663

VIERDE BEDRIJF.

DE HEMELRAAD, JUNO.

DE HEMELRAAD.
O bedgenoot van God Jupijn, vorstin der Goden!
Wij komen haastig hier ten boys aan, opontboden,
Gedagvaard van Mercuur, den oppersten herout,
Wiens hand de Hemel zijn geslangde ro? betrouwt.
Helaas t wij voelen al, wat oorzaak ons zoo schichtig
Verdagvaardt; en gewis die reden is gewichtig
En van een groot belang; nu wachten we uit uw mond
Te hooren, op wat hoop dees dagvaart wordt gegrond.
JUNO.
De nood, de hooge nood eischt raad en daad ook spoedig.
De Zonnevoogd, waarvan Natuur dus overvloedig
En mild en minnelijk tot nog gekoesterd word,
Terwijl hij in zijn ampt, als vosterheer, volhardt,
En al wat groeit, gevoelt, en reden kan gebruiken,
Gedurig zegent, mensch en dier en boom en struiken;
De vier getijden, om den ronden wereldkloot,
Ons vruchten offeren, uit hunnen vollen schoot;
Die Zonnevoogd, wien gij de dagtorts liet bevolen,
Betrouwt dees torts zijn zoon, die zet al d aarde in kou
In eenen lichten brand, schoffeert en blaakt en schendt
Alle elementen door een eenig element.
Al wat geschapen werd, vergeet nu stijl en orden.
Dat wonderlijk heelal wil haast een bajert worden,
En storten overhoop in eenen mengelklomp.
Wat schijnt de wereld nu? Een hoofdelooze romp,
Een lichaam zonder hoofd, dat nog wat tegenspartelt,
En wacht den lesten snik, ter dood toe afgemarteld.
Indien het Godendom nog langer stil blijft staan,
Wij mogen alle wel gepaard ten grave gaan.
Da zonne-lijktorte schijnt het lijkhout aan te steken.
Het lijkhout van Natuur, die, dood en gansch bezweken,
Tot asch verbrandt. Men hoeft slechts d asschen uit den haard
Te scheppen, en alleen haar overschot, vergard
En uitgegoten in de doodbus, t overdekken
Met eenen zerk. Dan mag al t Godendom vertrekken;
Hun hooge heerschappij nam eindlijk eenen keer:
Natuur heeft uit; verwacht geene offeranden meer!
DE HEMELRAAD.
Wat stem is dat? Jupijn! bewaar ons. Wij verschrikken..
Bewaar ons, God Jupijn! Wij smilten, ja, vertikken
Van angst en besten gloed. Kon t hoogste goed in t lest,
Het zegenrijkste goed, verandren in een pest,
Een doodelijken vloek van Goden en van menschen?
Zoo mogen wij de zon in eeuwigheid verwenschen
En vloeken. Stond ons dit te wachten van de zon?
Sticht God dien wereldbrand? Of God, of Faton?
Een reukeloos, een dwaas, een wulp, een dolle basterd,
Van God en menschen waard verdoemd, en waard gelasterd!
Wat voerde Faton tot zulk een stout bestaan?
Wat voerde hem zon blind tot zulk een gruwel aan?
JUNO.
Dat moogt ge denken. t Is doch d aard der basterdzonen
Doorgaans naar hoogen staat te streven, schepters, kronen,
En tullebanden, en wat heerlijk bromt en praalt
Zich t eigenen, om door dien staatglans rijk betaald
Te zetten t arme lot, hun toegesmakt van boven,
En langer niet, als een verschoveling, verschoven,
Verstooten, met den nek bij grooten aangezien,
Te duiken, maar verwaand den trotschten spits te bin,
En, zonder wedergade, een grooten naam te dragen,
Al zou t zich al wat leeft in eeuwigheid beklagen.
DE HEMELRAAD.
Gij hebt hier Febus, zoo wij merken, op gehoord?
JUNO.
Maar d onschuld viel te slecht.
DE HEMELRAAD.
                                                       Wat reden brocht hij voort?
Verschoonde hij dit stuk, onmooglijk te verweren?
JUNO.
Hij had het toegestaan op Fatons begeeren.
Onwillig en beducht; maar stond te vast verknocht
Aan zijnen hoogen eed. Hij hoopte, dat de tocht
Ten beste zou beslaan, indien de zoon de streken
Des hemels gade sloeg, en nergens kwaam t ontbreken,
Gelijk de vader ried en waarschuwde, eer het rad
Ter zonnepoorte uit reed.
DE HEMELRAAD.
                                              Een wulpsche jongen vat
Noch ren, noch onderwijs. Geen jonkheid laat zich raden.
De zonnewagen hangt met eene vracht geladen,
Die last lijdt, zoo het rad zijn spoor vergeet en schokt.
Wat raad ziet Febus nu?
JUNO.
                                            Hij zit versuft, verstokt;
Van blinde liefde tot dien dwazen zoon gedreven,
Is hem, tot zijn bederf, de toom te ruim gegeven.
DE HEMELRAAD.
Hoe zit de Hemelraad met Febus nu bezwaard?
De Goden hadden hem alleen de zonnevaart
Bevolen t gansche jaar, door twee paar jaargetijden.
Dat hemelsch uurwerk kon geen schimp noch uitstel lijden,
Ook niet een eenige uur, nog min een etmaal lang.
Dat uurwerk staat niet stil. De wijzer gaat zijn gang.
JUNO.
Zoo slecht was Febus niet. De zon verzuimt geene uren,
En hierom liet hij haar van dezen stunrman sturen.
DE HEMELRAAD.
Dees macht stond niet aan hem, neen zeker; maar dit staat
Werst in te willigen van al den Hemelraad.
JUNO.
Die was in zijnen zin al t ongereed te zoeken.
DE HEMELRAAD.
Wie eigenwijs den raad van velen wil verkloeken,
Moet op zijn zelfs gevaar gevoelen, hoe t beslaat.
JUNO.
Dat is wel billijk; maar nu lijdt de gansche staat
Der wereld bij een hoofd, dat eerst natuur zoo stutten.
DE HEMELRAAD.
Wat raad? Hoe zou men best den dollen voerman schutten?
De wagen is te wijd van honk en d Oosterpoort.
JUNO.
De pijl, getroffen van de pees, moet immer voort.
Het treffe wien het treff. Men kan de vlucht niet keeren.
DE HEMELRAAD.
Laat Febus boog dan dit met schade en schande leeren.
JUNO.
Dat vreest, dat voelt hij nu, bekommerd en verbaasd;
Doch reedste raad is nutst. Wat raad is allernaast?
DE HEMELRAAD.
Jupijn, der Goden hoofd, te hooren uit den hoogen.
JUNO.
Hier komt de snelle Faam trompettende aangevbogen,
Met haar klaroen, die niets verzwijgt, maar alles meldt.
Wij zullen hooren, hoe het Westwaart is gesteld;
Dan kan men Jupiter met zekerheid berechten,
Om tegens onzen schijn en schaduw niet te vechten.

DE FAAM, JUNO, DE HEMELRAAD.

DE FAAM.
De Hemel hoede ons en de wereld voor altoos!
JUNO.
Hoe dus, bodin? Hoe dus verbaasd en ademloos?
DE HEMELRAAD.
Bedaar een poos, bedaar.
DE FAAM.
                                            Het is geen tijd van zwijgen.
Ik kome in aller ijl van t Westen Oostwaart stijgen.
JUNO.
Hoe ging het op de reis met wulpschen Faton?
DE FAAM.
Dat vraag eens. God beho de wereld en de zon!
JUNO.
Die heeft een wagenaar; hij zal ze wel bewaren.
DE FAAM.
Een dollen wagenaar, te wagen onervaren,
Een, die al t aardrijk waagt, op t zorglijk zonnespoor.
DE HEMELRAAD.
Dat s lang gelegd en klaar. De vader reed hem voor.
De baan werd afgemerkt met heldre beeldestarren;
Het is geen doolhof, daar de zinnen in verwarmen.
DE FAAM.
Een rechte doolhof voor dien onbedreven gast,
Een brein, dat, wulpsch en dom, op geene merken past,
En zich te veel vermeet.
JUNO.
                                           Hoe voer hij toch ten leste?
DE FAAM.
k Geleidde hem van t Ooste in t Zuiden en naar t Weste
Belieft het u, zoo gunt uw postbodin gehoor:
De paarden trappelden en brieschten eerst, om door
Den draaiboom van de kim in t open veld te raken,
En Tethys, onbewust wat rampen haar genaken,
Ontsloot haar neef het hek. De hengst rijdt ongepord
Het veld in, trapt de lucht. De donkre nevel wordt
Gebroken van zijn borst. De paarden nu aan t zweven,
Van hunne vleugelen gevoerd en opgeheven,
Spon, rijdende uit het Oost, den Oostenwind voorbij.
De vracht viel lichter dan voorhenen, en, dat zij
Niet merkten, t juk begon den ouden last te missen,
En recht gelijk een schip op t water, door t vergissen
Des zeemans, niet genoeg geballast, heen en wer
Geslingerd wordt, en danst op t ongestuimig meer;
En schukt de wagen, op en neder en ter zijden.
De rossen rieken t stuk, en rukken voort, en rijden
Ter bane uit, en de hoef vergeet den eersten draf.
Hij schrikte zelf, en mende, een voorspel van zijn straf,
Den teugel niet, gelijk hem vader trouw vermaande.
Al blonk het spoor, nog zag de menner op t gebaande
Hem niet te breidelen. De Vierstar2 voelde alre
Dees hitte d eerste reis, en poogde zich in zee
Te dompelen, hoewel t haar eeuwig is verboden.
De Slang, dicht aan den Beer geplant, van t hoofd der Goden,
Ontdooide, door dien gloed tot gramschap aangetergd.
De Noordbeer neemt de vlucht, opdat hij t leven bergt.
De droeve Faton, zoo diep in d aardsche delling
Van boven ziende, zat gedoodverfd uit ontstelling,
En al te sterk een dag van t onverdraagzaam licht
Verduistert, door dien glans, zijn schemerend gezicht.
Nu wenscht de zoon, dat hij zijn vader nooit eens kende,
En slechts, als Memop zoon, ontslagen van ellende
Te leven. Och t hij ziet te spade eens achterwaart
Een lange streek, en voor een langer, om zijn vaart
Te staken. Och t hij ziet dan Westwaart, dan ten Oosten,
En niet dat hem in nood beschermen ken en troosten,
Noch weet den teugel niet te houden, noch t ontslaan.
De hemel jaagt hem schrik met stargedrochten aan.
t Venijnig Schorpioen steekt van zich in zijn lijden.
De jongen laat, verbaasd van schrik, den teugel glijden.
De paarden voelen t, en, van muilprang nu ontsnoerd,
Aan t henestreven, waar de drift hen henevoert,
Zien spoor noch onspoor aan, verbijsteren, verwarren,
En steigeren van losse ook naar de vaste sterren,
Dan weder hoog, dan laag, daar vier en lucht zich mengt
De wolken rooken. t Paard wordt van de vlam gezengd.
Het aardrijk splijt, en weide en beemd verbrandt tot asschen
De bosschen branden en alle akkers en gewassen.
De steden lijden last. De bergen staan in brand.
De stroomen droogen uit. De kil verkeert in zand.
De visschen leggen bloot en ademloos bezweken.
De dolfijn durft het hoofd niet uit de baren steken.
DE HEMELRAAD.
Jupijn! beschut ons. Zie den nood der wereld aan!
JUNO.
Hoe wil dees zonnevaart ten leste nog vergaan?
DE FAAM.
De voedzame Aarde hief haar aangezicht naar boven,
En, van een koorts beren, riep t hooge Hof der hoven
Aldus om bijstand aan: o, opperste Jupijn!
Verdiende ik zulk een straf, zoo kort dees smart en pijn
Doorschiet me met uw schicht; laat mij alleen verwerven
Door uwen bliksem en geen ander vier te sterven.
Mijn keel is heesch. De tong slaat nauwelijks geluid.
Mijn vlochten zien gezengd. Ik asem dampen uit.
Beloont men eindlijk dus mijn last, gelen in t baren,
Der zuren arbeid, en het zweet van zoo veel jaren?
Mijn boezem jaar op jaar doorsnen van schaar en ploeg?
Bestelde ik mensch en vee niet vrucht en vor genoeg
Uw outer-wyrook? k Ben te vrede, en lij geduldig;
Maar aan wat misdaad zijn de Brongodinnen schuldig,
De Stroomgodinnen, en de Godhen van de zee?
De zee zinkt lager. Ja, de viervloed dreigt alre
Den hoogen hemel in een zee van vier te zetten:
Want d assen mooken. Al de Watergon trompetten:
Waak op! De brand steekt op, en flakkert fel en snel
De hoop is uit, tenzij Jupijn fluks orden stell.
JUNO.

Mercuur, verdaag Jupijn. Wij wachten hier ter stede.

DE HEMELRAAD.
Hij heeft de tijding weg. Jupijn genaakt alreede.
O, groote koningin! u voegt het, uwen Heer
Te prikkelen in nood tot hulp en tegenweer.
Belieft het u, ho aan, en stel den nood voor oogen;
Geene uitkomste is er, dan door Jupiters vermogen.

JUNO, JUPITER, DE HEMELRAAD.

JUNO.
Mijn bedgenoot, mijn Heer! wat raad in dezen stand?
JUPITER.
Wij staken, reis op reis, een land, een rijk in brand,
En hof en toren, ook mijn eigen koor en kerken.
Wij spaarden heilig noch onheilig, onder t sterken
Van t hoogste recht,om streng,door aangejaagden schroom
Ten spiegel van elkeen, s volks boosheid bij dien toom
Te houden; maar nu blaakt de dolle Zonnewagen
Den ganschen aardbom, en bezaait met pest en plagen
De wijde wereld, van het een aan t ander end.
Nu worden schuldige en onschuldige geschend.
Wij hooren het gekerm van allerhande troepen
Van volken, die van Oost en West om noodhulp roepen.
Zij schreyen hemelhoog in dien verlaten staat.
JUNO.
Op dat geschreeuw verschijnt de breede Hemelmuad,
En wacht op uw gebod en uitspraak in t byzonder.
Nu bliksem, het is nood. Nu bulder, balder, donder,
En werlicht. Stort nu al uw sluizen teffens uit!
DE HEMELRAAD.
Tenzij uw Majesteit dien blinden voerman stuit
In zijnen wulpschen tocht, het is er omgekomen.
JUPITER.
Wat raad, o Hemelraad? Wat best ten hand genomen?
JUNO.
Zit aller Goden hoofd in zijnen troon verbluft
Van achterdocht en schroom? Zoo t hoofd der Goden suft
Wie zal dien wereldbrand uitblusschen? wie ons redden?
Dit komt van basterdbloed, van vuile onechte bedden!
Klymene, had Lucijn, in uwen amrebeid,
U niet gered; toen gij, bestorven, afgeschreid,
Om noodhulp jammerde naar s hemels hooge poorte;
Had zij dit basterdzaad gesmoord in zijn geboorte,
En vrucht en moeder, op n oogenblik, vandaan,
De wereld zou nu niet in lichte vlamme staan.
DE HEMELRAAD.
Dees naklacht kan ons nu geen raad noch uitkomst geven.
JUPITER.
Neen zeker, dit s te sp. Is iemand meer bedreven
En wijzer, laat hem ran. Men sla een middel voor.
Wat ons belangt, helaas! wij zien hier nauwlijks door.
JUNO.
Zoo most uw adelaar veel scherper zien van boven.
Gij trefte menigmaal de boozen, dat ze souven,
Als asschen in den wind. Sla toe. Verdelg. Sla dood!
JUPITER.
Wien doodslaan? Febus zoon? De vader is te groot.
JUNO.
Wat gaat u over? Spreekt Jupijn nu voor een basterd,
Een onverlaat, een vloek, een booswicht, waard gelasterd?
JUPITER.
Wie dezen zoon kwetst, kwetst den vader in den zoon
JUNO.
Dit is een nieuwe spraak, onze ooren ongewoon.
JUPITER.
k Waardeere en woog den zoon naar s vaders staat en waarde.
DE HEMELRAAD.
Verschoonde uw bliksem wel het snood gebroed van de Aarde,
De bergopstapelaars, de Reuzen, die met kracht,
Langs hunne storrembrug, niet schroomden, dag en nacht,
Te stormen op uw burg, om t Godendom t ontblooten
Van wapenen, en u en teffens ons te stooten,
Te bonzen uit den stoel, van eere en majesteit
T ontluisteren? Al zaagt gij de Aarde rood beschreid,
Zij moet hare afkomst, van gebergt bestulpt, zien smoren.
JUPITER.
Der Reuzen vijandschap verwekte s Hemels tooren
Tot noodweer; maar onnoozle en wulpsche Faton
Vergrijpt zich zonder haat, in t voeren van de zon.
Hij haat geen Goden, noch beoorloogt hun uit boosheid;
Dees misdaad spruit alleen uit stoute reukeloosheid.
JUNO.
En zon al t aardrijk bij dees reukeloosheid lijdt?
JUPITER.
Hij lijdt zelf eerst, en schreit, en is de toom al kwijt.
DE HEMELRAAD.
Laat hem met reden dan dees reukeloosheid boeten.
JUNO.
Ja, tre en trap hem; trap dit basterdbloed met voeten!
Och, Isis! tochtig dier, van schaamte en eer beroofd,
Uw tocht naar stieren kost mijn trouwen wachter t hoofd;
Nog wordt ge, langs den Nijl, op t outer aangebeden,
Bewyrookt en gediend in kerken en in steden.
Wat rechten basterden en boelen niet al aan!
Sla Faton, of k wil hem met den donder slaan,
Uzelf ontwapenen, en uw geweer ontwijden.
De Godhen staat geen schimp van basterden te lijden.
JUPITER.
Niet hooger, Juno! draag den Oppersten ontzag.
Men waarschuw Febus eerst.
JUNO.
                                                    Ja, waarschuw met den slag
Dien stouten schelm, niet waard in t leven te gedoogen.
DE HEMELRAAD.
En waarom schijnt uw hart met Febus rouw bewogen?
JUPITER.
De last der zonnevaart, het licht, word hem betrouwd
En zijn voorzichtigheid. Hij koestert, onderhoudt
De menschen en het vee. Beneem zijn hoofd dien luister,
Zoo wordt het eeuwig nacht; zoo legt de wereld duister
En woest; zoo wordt voor ons geen offervee geslacht.
JUNO.
De Faam beweegde ons hart met eene zelve klacht
Van de Aarde, een moeder en voortbrengster aller dingen;
Want zonder de Aarde, een bron van vruchtbaarheid, vergingen
De menschen, dieren, en wat lucht en adem schept.
Vertroost ze, o vader! Al het aardrijk roept en klopt
De brandklok, schreeuwt zich heesch, te berste, en uit den adem.
Al wat Natuur, uit liefde en zorge, trouw omvadem adem.
In haren ruimen schoot, verwacht den jongsten snik.
DE HEMELRAAD.
Ontwaakt ge niet, verwacht den lesten oogenblik!
De hemel zal terstond in lichten brand geraken,
De dagtorts varen in de starrelichte daken
En t hemelsche gespan; dan zult ge noodweer bin,
Maar veel te spade naar uw hielen ommezien.
JUPITER.
Een wulpschheid straffen, wat te dartel en vermeten?
JUNO.
Gij klonkt Prometheus aan een steenrots, met zijn keten
Gebonden, en doorpikt van uwen adelaar
Zoo diep in t harte, en niet gepijnd een eenig jaar
Maar eeuwig, om een tak aan t zonnerad ontsteken.
DE HEMELRAAD.
Gij veegde t aardrijk van zijn ametten en gebreken,
En smoorde al t menschdom in een hoogen watervloed.
Wat suft ge nu, om slechts met eene handvol bloed
Te blusschen deze zee van vier , eer ze in koom breken?
JUPITER.
Het is geraden, eerst den vader zelf te spreken,
Of hij bestemmen kan ter straffe van den zoon.
JUNO.
Zie toe, beschut uw recht. Het geldt uwe eer en kroon.

JUPITER, FEBUS, JUNO, DE HEMELRAAD.

JUPITER.
Hoe laat nu Febus t hoofd zoo droef en treurig hangen?
FEBUS.
Der Goden koning heeft de tijding al ontvangen;
Verschoon het, dat de zoon zijn vaders les niet houdt!
JUNO.
De Zonnewagon was den vader zelf betrouwd
Van al den Hemelrmaad, doch eerst op ons behagen;
Geensins om dit heelal, op nen sprong, te wagen
Op uwen wagen, in dien blinden wagenaar.
Nu hoopen hemel, aarde, en zee en lucht gevaar.
Hoe kon het Godendom en menschdom dit verwachten
Van zulk een God als gij? Nu steigeren de klachten
Van onder, door de lucht, naar onzen hoogen stoel.
Wij zaten evenwel dus lang nog stil en koel;
Nu perst de nood, het recht te scherpen uit den hoogen.
FEBUS.
Genade, o vader! Och, verschoon uit mededoogen
Dien ongebaarden knaap; het is zijne eerste proef.
JUPITER.
Wat raad? Ons rijkskroon hangt aan eens paardehoef!
FEBUS.
Ook t leven van mijn zoon, nog jong en onervaren.
JUPITER.
Hoe sluit dit? Zal men, om een eonigen te sparen,
Het al bederven, en de wereld zien vergaan?
FEBUS.
Hij is nog niet gerold ten einde van zijn baan,
En zal afzitten, na dees dagvaart, in het Weste.
JUPITER.
Dat is onmogelijk. Het loopt met hem op t leste.
Onze ooren worden door s volks moordgeschrei verdoofd.
Hij tuimelt om en wer, en over hals en hoofd.
De Zonnewagen moet en is alreede aan t storten.
Het waar u nutter, hem de vleugels snel te korten,
En door een korte dood te helpen uit dees pijn,
Dan langer t leven uit te zetten, of den schijn
Van t leven; want dit kan geen naam van leven dragen.
FEBUS.
k Heb Python, oorzaak van der sterfelijken plagen,
Doorschoten en geveld, gezuiverd berg en vliet;
Gedenkt het aardrijk nu aan Febus weldaad niet?
k Genas der menschen kwaal door vonden van artsnijen
En kracht van kruiden, om het krankbedde in zijn lijen
Te zalven. Ik verdreef zoo lang de nare schim,
En voerde met mijn licht de blijschap op de kim
Der wereld. k Word alom bewyrookt, aangebeden,
En toegejuicht van t volk, op t land en in de steden.
De dichters zetten op mijn harp een blijden toon;
En noemt men nu een feil, een misgreep van zijn zoon
(Geen boosheid, maar alleen een reukeloos vermeten)
Een gruwzame euveldaad? Wordt al mijn deugd vergeten?
O, vader Jupiter! t believe uw majesteit,
Mij aan te trekken een natuur van sterflijkheid,
En zoon en vader met uw donderkloot te schieten;
Want dus te leven, zou een Godheid zelf verdrieten.
JUPITER.
Indien ge raad weet, schut het hollen van uw zon.
FEBUS.
Geen wil ontbreekt me, indien men t onheil schutten kon.
JUPITER.
Wat wilt ge dan? Gij ziet den Hemelraad verlegen.
FEBUS.
Laat Juno door een berst van wolken en slagregen
De lucht verkoelen, en het brandende aandrijk me.
JUPITER.
Geen wolken trokken naar den hemel uit de zee;
Men ziet den hemel met geen donkre wolk behangen.
De gloed verteert al t vocht. De sterren zelfs verlangen
Naar eenen druppel nats. De bron, die eeuwig sprong,
Staat stil. De Watergon beginnen met hun tong,
Bijkans van dorst verstikt, het drabbig slijm te lekken.
Geen zware storting, bui, noch regenvlaag kan strekken
Tot koelnis van dien gloed. Al d aarde tot den grond
Gelijkt een oven. Uit haar keel en droogen mond
Vliegt gloeyendige damp en pest en heete wasem;
Tenzij men haar verkwikk, zij geeft den lasten asem.
DE HEMELRAAD.
Hier geldt geen lang beraad. De wereld hangt beklemd.
JUPITER.
Wij willen, dat ge fluks der Goden raad bestemt.
FEBUS.
Hoe kan ik stemmen het bederf van mijn beminden,
Om een lichtvaardigheid, een reukloos onderwinden?
JUPITER.
Gij zult het stemmen, om dien algemeenen nood.
FEBUS.
Och, Faton! hoe kan ik stemmen in uw dood?
JUPITER.
Hetzij gij stemt of zwijgt, men kan uw zoon niet sparen.
FEBUS.
Zoo straft eerst Epafus, te trotsch in uit te varen.
Uw Epafus gaf stof tot dees vermetenheid.
JUPITER.
Zie toe, met wien gij spreekt, en kwets geen majesteit.
FEBUS.
Verschoon mijn ongeduld; de rouw gebruikt geen reden.
JUPITER.
De brand wint aan, slaat voort, en steigert naar beneden.
DE HEMELRAAD.
Wij voelen t, doch vergeefs, tenzij gij d oorzaak bluscht.
FEBUS.
Hij rolt al nader, en genaakt de Westerkust;
De zonnekloot zal haast te water gaan en zinken.
JUPITER.
Zoo wij met nen straal hem in den afgrond klinken.
JUNO.
Ja, klink dien bestemd en zijn moeder in een poel!
FEBUS.
Och, zwijgt mij dunkt, dat ik dien slag op t hart gevoel
JUNO.
En beter, dat het n gevoel, dan wij te gader.
FEBUS.
Och zoon, in welk een staat verlaat ge uw lieven vader!
JUNO.
Hoe menig vader lijdt in zijnen zoon alleen!
DE HEMELRAAD.
Nu, Febus! hou eens op van t ijdele gesteen.
JUPITER.
Gij zult besluiten, of de Hemelraad zal sluiten.
FEBUS.
Ik wensch den donderkloot op deze borst te stuiten.
JUPITER.
Bestem het, Febus! of wij stemmen zonder u.
JUNO.
Vaar voort. Dit duurt te lang. Waarom dus traag en schuw
Het vonnis vastgesteld? De Hemelraad moet scheiden.
FEBUS.
Zoo scheide ik eerst, ga hene, en wil dien slag verbeiden,
JUNO.
Ja, sche vrij: het is tijd. Wij zijn dit kermen mo.
DE HEMELRAAD.
Nu, vader Jupiter! hij stemt het zwijgend toe;
De hemel stikt van smook en opgestege dampen.
JUPITER.
Getrouwe schildknaap! voort; verschijn: gij wordt met stampen,
Dat al de hemel dreunt, gedagvaard hier ten Hoof.
Te wapen, wapen, voort! Hier valt een vette roof
Voor u te strijken. Voort, gehoorzaam t hoog vermogen!
Daar komt mijn arend met den bliksem aangevbogen,
En alle eerbiedigheid. Nu rep de vleugels vlug.
Wij willen voor de poort beschrijden uwen rug,
En, zonder omzien, fluks dit bloedig treurspel sluiten;
Dit zal op Fatons en Febus borst afstuiten.
REI.
Ie ZANG.

Gelukkige Adelaar!
O vorst der voglen, die, geheven
Van d aarde, door den hemel zweven,
Neem nu ons klachten waar:
Gij kunt met scherpziende oogen
Den brand van aller stralen bron,
Het steken van de middagzon,
In t hoofdpunt zelf gedoogen.
Gij schroomt geen wederlicht
Noch gloed des bliksems. Uwe vedren
Alle andre pennen snel vertonen,
Genaken zoo te dicht.
O, schildknaap van den vader
Jupijn t vol majesteit en kracht,
Betoom de snelheid van uw schacht,
Genaak het Westen spader!
Verschoon den jongen knecht;
Gen, gen, geen recht!

Ie TEGENZANG.

Betoom uw snelle vlucht.
Waarom zon heftig toegeschotoen
Met bliksemschut en donderkloten,
Door t gloeyen van de lucht?
Wat lust u roof te halen
Op Febns afkomste, op het bloed
Van Jupiter, wiens toorengloed
Geen grenzen kent noch palen?
De zon heeft nooit ontdekt
Aan Juno Jovis snoeperijen,
Boeleeringe, en ontuchtig vrijen,
Noch hare wraak gewekt.
Jupijn, nu t ongeduldig,
Te streng in t straffen van een zaak
Medoogenwaardig, vlamt op wraak
Des jonglings, al t eenvuldig.
Een Godd, die t al beheerscht,
Bestraff zich zelven eerst.

IIe ZANG.

Had Faton Jupijn
Gewelkomd aan den disch, geladen
Met menschevleesch, aan spit gebraden,
En, onder schoonen schijn
Van heusch onthaal, besloten,
Bij nacht den grooten Dondergod
Al stil te stooten door den strot,
Daar hij van slaapnat lag begoten;
Gelijk het wreede dier
Lykaon hem zoo helsch onteerde,
En hierom in een wolf verkeerde,
Gestraft door t hemelach vier ;
Wij zouden dus niet kermen,
Om Faton, die nauwlijks leeft,
En re den dood geladen heeft,
Te bergen en beschermen.
Ho dragende en vaar slim:
Zoo wint de zoon de kim.

IIe TEGENZANG.

Apollo voelt nog, hoe
De felle pijl der dartle liefde
Hem onlangs in het harte griefde.
Dees wonde is nauwlijks toe.
Hij voelt, hetwelk ons deerde,
De nasmert en kwetsuur, gelen
Om Peneus dochter, toen ze in een
Laurierboom snel verkeerde.
Hij staakte al t zanggeluid,
En hing de harp aan lauwerboomen,
Om t lieve pand zijn liefde ontnomen,
En zag er deerlijk uit.
Och, treffen donderslagen
Den zoon, alleen van hem bemind,
Hoe zal het vaders hart zijn kind,
Dat hemelsch pand, beklagen!
Och, Adelaar! verschoon,
Verschoon toch Febus zoon!

SLOTZANG.

De schildknaap, zwanger van Gods donder
En bliksem, acht ons klachten niet;
Het aardrijk wacht den slag hier onder.
De vogel streeft al voort, en schiet
Voorover naar de Westerstreken.
Hij achterhaalt den zonnetoom,
Indien Jupijn kome uit te breken
Met donder, zal men stroom op stroom, Stortregens uit de lucht zien bruisen
En koelen deze wereldkoorts,
Dien brand van kerken, hoven, huizen,
En Febus hooren, hoe zijn toorts
In t water kitst. Vertoeft niet langer!
Daar berst de lucht, van werlicht zwanger.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001