Joost van den Vondel (1587-1679)

FATON OF REUKELOOZE STOUTHEID.

TREURSPEL.

A. 1663

VIJFDE BEDRIJF

DE FAAM, FEBUS.

DE FAAM.
Ik blaas klaroen van vreugd. Nu wer I Pan
Gezongen, dat het klinke, en t hemelsche gespan
Den wergalm zevenwerf ter rugg kaats heen en weder ,
De dolle wagenaar wordt met n ruk de veder,
De slagpen uitgerukt. Een heele wereldplaag,
Een wreedem Python kreeg een zwaarder nederlaag.
Men eens Jupiter in kerken en in konoren t
FEBUS.
Och, Faton t helaas, ter kwader uur geboren
Tot zulk een ongeval, ten schande van mijn naam!
Koom herwaart aan: ontvouw me, onwelbekome Faam!
Hoe deerlijk Faton, mijne afkomst, kwam te sneven.
DE FAAM.
De Dondergod kwam op zijn arend nederstreven,
En zag den wagenaar nerhangen, doodsch van schroom,
Op t hollend rad, ontbloot van zweep, en torts, en toom,
Berookt, gezengd, gebran van hitte, en afgeronnen.
Hij had de Westkim en den avond schier gewonnen,
Wanneer Jupijn, van toorne ontsteken, brult en bruist,
Den rooden bliksem vat in zijne rechte vuist,
En driemaal wikte van zijn oortip, driemaal mikte,
Zoo vreeselijk, dat zelfs de Hemelschutter schrikte.
Ten leste schoot hij toe. De donder sloeg geluid.
Zoo bluschte t eene vier terstond het ander uit.
De bliksem sleepte een streek van werlicht, blauw als zwavel
En rood, na in zijn vlucht. De slag word op den navel
Der aarde zelf gevoeld. De zonnepaarden staan
Verbaasd, en steigren op elkandren blindling aan.
Zij schudden t juk af van den nek, een wijl aant rooken,
En spatten buiten hun gareelen, nu gebroken.
Hier legt de breidel, daar de dissel van zijn as
Gesprongen, ginder speek en rad. De wagen was
Gerbraakt van dien slag, en lag gestrooid aan stukken.
FEBUS.
Och, Faton! uw val zal vader eeuwig drukken.
Helaas! waar blijft mijn zoon? Hoe was t met hem gesteld?
DE FAAM.
Het goude haar gebrand. De groote schoonheid smelt,
Gelijk een wassen beeld, het vier te na gekomen.
Hij stort voorover, dat zelfs hemeldieren schromen,
Gelijk een heldre star omhoog bij nacht verschiet,
Eerst hangt, en twijfelt of zij vallen wil of niet.
Hij plompt in d Eridaan, van zulk een slag gebroken;
Die spoelt den rook af van zijn aanzicht, onder t smoken.
De Watergodhen van Hesperi, begaan
Met hem, begraven t lijk. De moeder ziet het aan
Met hare dochteren, en missen hun beschermer.
Zij lezen t grafschrift, fluks gehouwen op den marmer:
Hier rust de voorman van zijn vaders rijke Zon;
Itaalje is t kerkhof van den stouten Faton.
FEBUS.
Och, Faton t mijn hart legt in uw hart begraven;
Dat komt van al te hoog, te reukeloos te draven!
Hoe voer Klymene in t eind, bezweken door dien rouw?
DE FAAM.
Zij smelt van groot misbaar in tranen, de arme vrouw,
In wie de liefde nog het sterven tegensportelt.
De drie gezusters, met de voeten diep geworteld
In d aarde, worden met een dorre schors bedekt.
De moeder ziet de schors, die over t aanzicht trekt,
En kust de stervenden, tot stervens toe beladen.
Zij grijpt het vloeyend haar, maar grijpt een handvol bladen
Zij poogt de popelschors te rukken van de borst;
Maar t is te sp, en zij t onmachtig, bast en korst
Te rukken van den buik. Zij ziet de poezlige armen
Verkeerd in takken. Och! zij kon ze niet beschermen.
De tranen biggelen, als brandsteen, in de zon.
Daar legt nu al uw hoop gesmoord in Faton!
FEBUS.
Och t kon Klymene niet de schors van t lichaam rukken?
DE FAAM.
De dochters schreeuwden: wee, o wee, hou op van plukken
Verschoon ons, Moeder! ach, hoe scheurt ge ons zoo verwoed
Gij breekt de takken; op de takken volgt het bloed,
Als uit een versche wonde. Och, leer uw leed gedoogen!
De boomschors sluit terwijl den mond, en luikt hare oogen
Toen kwam er Cycnus bij, de koning over t rijk
Van Ligurye, in aard neef Faton gelijk;
Dees klaagde en jammerde om zijn bloedvemwanten droever
Waarop de stroomgalm, langs den Eridaanschen oever,
Hem telkens antwoordde; en dus klagende op het ruim,
Verandert al zijn vel en haar in zwanepluim,
Het lichaam in een zwaan. Toen vlood ik herwaart bene.
FEBUS.
Och, Faton, mijn zoon t och, bedgenoot Klymene!
Och, dochters t Cycnus, och t ach, heilbons bliksemvier!
Gij, Hemel-uren t brengt mijn rouwesluyer hier.
De vreugd is uit. t Is tijd, mijn aangezicht te dekken.
Dees rouwesluyer kan een regenboog verstrekken,
Waarachter Febus glans der sterfelijken oog
Ontschuilt, en t volk misgunt mijn stralen van omhoog,
Om hunne ondankbaarheid. Het lust me nu te treuren,
De lokken uit het hoofd te trekken, t kleed te scheuren,
Te huilen door t gewelf des hemels zonder end;
Och, dochters! popelbosch t och, Faton, geschend,
Gebliksemd! och, mijn zoon! Och, waart ge nooit geboren!
Was mij dit ongeluk, dit hartewee beschoren?
Is dit rechtvaardigheid? Is t hemelsch Hof zoo dra
Verkeerd in een gerecht van wrake en ongen?

JUPITER, DE HEMELRAAD, FEBUS.

JUPITER.
Wij komen uwen rouw medoogende beklagen.
DE HEMELRAAD.
En wenschen u geduld en kracht, om dit te dragen,
Zoo kloek en ongestoord, gelijk een Godheid voegt,
Die onbezweken aan der Goden wil genoegt.
JUPITER.
Dat s recht en blijk, en Jupijn zijne eer gegeven.
DE HEMELRAAD.
Men kan noch mag den wil der Goden wederstreven.
JUPITER.
Wat onherstelbaar is, wordt met geen rouw gebaat.
DE HEMELRAAD.
Hij mat vergeefs zich af, wie hier nog tegens wroet.
JUPITER.
Het tegenworstelen kan lijden slechts bezwaren.
DE HEMELRAAD.

Gij stelde menigmaal uw harp en taayr snaren
Op eenon rechten toon; nu stel uw droefheid maat,
Ten spiegel van elk een, en schuw dit ongelaat.

JUPITER.
Gij kunt met artsenije een anders smet verzachten.
DE HEMELRAAD.
Genees u zelven nu, en wil geen raad misachten.
JUPITER.
Wie zijnen rouw voedt, voedt eene ope wonde in t hart.
DE HEMELRAAD.
Genees uw hartkwetsuur, zoo raakt ge uit deze smart.
JUPITER.
Met jammeren wordt niets gebeterd, niets gewonnen.
DE HEMELRAAD.
Men vindt geen einde aan t werk, dat telkens wordt begonnen.
JUPITER.
Gij schudt het hoofd, en kunt tot geenen troost verstaan.
DE HEMELRAAD.
Ai, zit niet langen stom! de vader spreekt u aan.
JUPITER.
Wie kan u helpen, zoo de rouw naar niemand luistert?
DE HEMELRAAD.
Leg af den sluyer, die uw helderheid verduistert.
JUPITER.
Rijs op, rijs op! gij valt den rouw te streng en straf.
FEBUS.
Ik legge in eeuwigheid, ik zwaar t, den rouw niet af.
DE HEMELRAAD.
Ai, zweer niet reukloos. Laat u raden en gezeggen.
FEBUS.
Zwijgt stil; het is geen tijd, den sluyer af te leggen.
JUPITER.
Gij kunt de wereld wer verheugen in den druk.
FEBUS.
Wat wereld, die nog lacht in Febus ongeluk?
DE HEMELRAAD.
De wereld zonder u kan lust noch leven scheppen.
FEBUS.
Zij kan, tot mijn verdriet, met lust de brandklok kleppen.
JUPITER.
Uit hangen nood, geensins uit lust tot uw verdriet.
DE HEMELRAAD.
Dat onwer is voorbij; dat s over; dat s geschied.
FEBUS.
Het onwer in mijn hart begint eerst op te steken.
JUPITER.
Wij vlogen t zamen hier, om dezen slag, te breken.
FEBUS.
Wie komt er, die mij trof met zulk een donderslag?
JUPITER.
Met uw bestemminge, en een onderling verdrag.
FEBUS.
k Heb Fatons bederf, een moord, niet willen stemmen.
DE HEMELRAAD.
Het hollend Zonnepaard was anders niet te temmen.
FEBUS.
Nu is het Zonnepaard getemd en nergeled!
Wat eischt men nu van mij? k Verdroog dat onbescheid.
JUPITER.
Dat gij uw ampt bekleedt, en t weder op laat klaren.
FEBUS.
Ik heb dat lastig ampt bekleed een rij van jaren,
Van s werelds aanvang, en nooit dag, nooit uur gerust
En word dus snood beloond. Zoo u de moeite lust
Of iemand anders, laat hem dezen last aanvaarden,
En, leerende den aard, de kracht der Zonnepaarden,
Gevoelen, of dees knaap verdiende dus geschend
Te leggen, die te slap den wagen heeft gemend?
En is Jupijn belust, dan glonden vlammeteugel
Te houden; dat hij leer, met bliksemen den vleugel
Van Febus lieven zone, om zulk een stout bewind,
Te korten; dat bij leere, een vader van zijn kind
Berooven! Faton! ach, waart ge nooit geboren!
Ik heb mijn Faton, mijn Faton verloren!
Och, Faton! hier staat de bliksem, die u trof.
Ik wellekomde u fluks met blijschap in mijn hof:
Nu zijt ge een stinkend lijk. Waar zijt ge toe gekomen?
Uw zusters op uw graf, verkeerd in popelboomen,
Beschreyen uwen val en onverdiende dood.
De moeder, die u docht te vangen in haar schoot.
Gelijk eene avondzon in t zinken nog t onthalen,
Zag uu nertuimelen, en zulke schoone stralen,
De stralen van uw jeugd, verdrinken in den vliet.
Zij hoorde u plompen in het water. O, verdriet!
Mijne afkomst legt er toe. Kan Febus dit vergeten?
En wordt me mijne rouw, die billijk is, verweten,
Gelijk een ongelaat, dat geenen vader past?
En durf de Hemelraad mijn onverzetbren last,
Mijn al te lastig pak, met schimpen nog bezwaren?
Verscheur uw rouwgewaad en sluyer! Trek uw haren,
Eerst stralen, uit uw hoofd! De vierde Hemel schrei,
En voere in eeuwigheid hierna de rouwlivrei,
Getuige van mijn rouw! Al de aarde, in rouw gezeten,
In nare duisternis verlaten en vergeten,
Gevoele, wat het is en inheeft, mijnen zoon
Te moorden, mijne zon te raken aan haar kroon!
Ik zwere in eeuwigheid geene oogen toe te lichten,
En wil voor Godhen, noch Jupijn, noch niemand zwichten.
JUPITER
Nu, zoon! al hoog genoeg. Bedaar, en vaar niet voort.
Gij hebt mijne onschuld en uw vaders recht gehoord.
t Gebieden staat aan mij: nog koom ik nedrig smeeken,
En dale uit mijnen troon zoo laag. Nu hoor me spreken:
Gij hoort den Hemelraad, die u oodmoedig bidt.
Gij ziet, hoe t menschdom droef in duisternnisse zit,
En zonder vlam en licht. Wat nog leed oogen blikkert,
Is t overschot des brands, dat nog een weinig flikkert
En flonkert uit zijn asch. De wereld legt onteerd.
Zij schijnt haar eersten vorm te derven, en gekeerd
In d oude woestheid, en een bajert, eerst geworden.
Herstel t gerabraakte, en den wagen in zijne orden.
Herspan de paarden, nog verbijsterd en gezengd.
Wisch af uw tranen, en den dauw, die t oog besprengt.
Wij smeeken u, gij wilt u naar ons bede neigen,
Of wacht den tweeden slag. Gehoorzaam, eer we dreigen!
Jupijn gedoogt geen schimp, noch al het Godendom.
Rijs op: wij volgen u. Rijs op, de dag is om.
Hij gaat. Elk spiegle zich aan t graf, dat jong en oud zet:
Itaalje is t kerkhof van de Reukelooze Stoutheid.

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001