Joost van den Vondel (1587-1679)

EURIPIDES’ FENICIAANSCHE’

OF

GEBROEDERS VAN THEBE.

TREURSPEL.

VERDUITSCHT DOOR J. V. VONDEL.

Aº. 1668.

I N H O U D.


Eteokles, in het rijk van Thebe gezeten, weigert broeder Polynicea zijn erfdeel. Dees, nu balling, ’t Argos  gekomeu, tronwde Adrastus' dochter, en blakende van begeerte om weder ziju vaderland te bezoeken, vergaderde door schoonvaders raad een leger, tot dien optocht noodig en rukte voor Thebe. De moeder Jokaste, hier van verkundschapt, verwerft hem vrijgeleide, om in de stad te komen en met zijnen broeder te handelen van de voorwaarden, ter heerschappije dienstig. Maar toen Eteokles stijf op het bezit des rijks staan bleef, kon Jokaste de zoons niet bevredigen, waarom Polynices ter stede uitging, en zich ten oorlog toerustte.Toen spelde de waarzegger Tiresias den Thebanen d' overwinninge, met beding, indien Meneceus, Kreona roan, zich zelven San Mars opafferde. Kreon wei~erde zij non roan der stede ten beste to ge De soon kantte zich hier tegen, en toen de vader hem reisgeld gaf, om te vluchten, voerde hij dit opzet uit, en nam zich zelven het leven. Aldus geraakten d' oversten der Argiven door de Thebanen om hals. Maar Polynices en zijn broeder, behouden gebleven, traden in eeu doodlijk lijfgevecht. De moeder, hen ziende zieltogen, benam zich  zelve met haar eige hand het leven. Haar broeder Kreon aanvaardde het rijk, en ondertusschen braken d' Argiven hun leger voor de vesten op. Kreon, verbitterd op de vijanden, van Kadmus' burgerije verslagen, versteekt ze van het graf. Hij laat Polynices onbegraven leggen, en drijft Œdipus in ballingschap, ten deele volgens het menschlijk recht, ten deele uit wrake, en zet het medelijden over een andere elende aan d' eene zijde.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001