Joost van den Vondel (1587-1679)

EURIPIDESí FENICIAANSCHEí

OF

GEBROEDERS VAN THEBE.

TREURSPEL.

VERDUITSCHT DOOR J. V. VONDEL.

Aļ. 1668.


JOKASTE.

O, koesterende zon, die, op den gouden wagen,
Met snelle paarden, door den hemel heen gedragen
En ít starrelicht gewelf, uw vier en glans verspreidt,
Wat zag ons Thebe, zoo veel jammers toegeleid,
Een dag van ongeval oprijzen voor hare oogen,
Toen Kadmus, banneling van Sidon hier getogen,
Belanden kwam, en met zijn voet den grond betrad.
Dees trouwde Venusí bloed Harmoni, rijk van schat,
En teelde Polydoor, bij iedereen gehoude
Voor Labdaks vader. Ik, Jokast, die Lajus trouwde,
Den zoon van Labdak, werd Meneceusí spruit geacht
En Kreons zuster, uit ťťn bedde voortgebracht.
Mijn man, lang kinderloos, trekt heen naar Delfiís streken;
Hij vraagt Apollo naar bescheid, en houdt met smeeken
Om zonen aan, en krijgt dit antwoord van dien God:
ĄO, Koning over Thebe, een rijksstad, wien het lot
Van paardefokken werd tot een geschenk gegeven;
Wat mocht ge ís Hemels wil dus bijster wederstreven
Om kinders? Teelt ge een zoon, die zal ís met zijn hand
Ombrengen, en uw huis en hof en ít gansche land
In bloed versmoren. Hij, van minne en wijn ontsteken,
Wint eenen zoon bij mij; doch angstig en bezweken
Om zulk een misgreep. en het antwoord uit Gods koor,
Beveelt zijn herder, dat bij ít kind den voet deurboorí
Met eenen priem, en geef de vrucht, in Junoís weide,
Citheron over en haar avontuur; dies leide
Heel Grieken Ćdipus dien naam toe, naar de daad.
Maar Polybs paardevoogd, als bij ten hove gaat,
Beveelt den vondeling de zorg der koninginne,
Die zoogt mijn hove vrucht aan hare borst uit minne.
Het jonge kind word groot, de blonde baard brak uit;
Toen zocht de jongeling, hetzij door zijn besluit
Of elders aangemaand, uit Febusí mond te hooren,
Van welk een stamme bij geteeld was en geboren;
En koning Lajus, meÍ belnst te hooren, of
De vondeling, voorheen verstooten van het hof,
Nog leefde, reisde ook heen, van nadacht ingenomen,
Daar zoon en vader juist elkandre tegenkomen,
Op Focisí tweesprong, en de grauwende kostaier
Van Lajua hem bestraft: Ąlandlooper! fluks van hier,
En wijk den koning!Ē Hij dook eerst en biel zich binnen,
Maar als de paardebhef de voeten kwetst, de zinnen
Aan ít hollen raken, brult de zoon, die met een knijf
(Opdat ik bij mijn ramp kort ingebonden blijf)
Den vader nederlegt, en geeft zijn voÍsterheere
Den wagon en ít gespan, uit plicht en schuldige eere.
Toen Sfinx, na Lajusí dood, de vesten plaagde en ít veld,
Beloofde Kreon, mijn Heer broeder, aan den held,
Die ít looze raadsel van het ondier kwaam ít ontvouwen,
Te kronen met mijne echt. Mijn Ćdipus, tot trouwen
Genegen, bij der hand, ontvouwde ís ondiers vond,
De dubbelzinnigheid der maagd, en maakt terstond
Op Kadmusí rijkstroon, zwaait den staf met zijne handen,
Eu wordt rampzalig en onnoozel, door de banden
Des huwelijks, aan mij, zijn moeder zelf, verknocht,
Onkundig, zonder schuld, en dí eigo moeder docht
Noch wist niet, dat ze kwam met haren zoon te paren.
Des werd ik zwanger, en begon twee zoons te baren,
Eteokles en Polynices, groot van moed,
En een paar dochters. Ik noem de oudste van mijn bloed
Antigone; hij noemt de jongste telg Ismeene.
Maar als mijn Ćdipus nam kennis van ít voorhene
Gebeurde komt, en zulk een bloedschand van zijn bed,
Rukt hij zijne oogen met een haak uit, om dees smet.
De zoons bestaan, zoodra de baard hun uit wil breken,
Den vader heimlijk in een kerker weg te steken,
Om dit schandaal ít, ontgaan; doch hier is werk aan vast,
Hij, vast gezet in ít hof, verzwaart zijn eigen last
Door dol vervloeken van zijn kinderen, niet te heelen,
Opdat ze ít erfrijk met den zwaarde namaals deelen.
Zij achterdochtig, of het Godendom gestoord
Dien vloek des vaders eens mocht sterken, en zijn woord,
Indien ze beide ít hof gemeen en stil bewaren,
Verdragen, dat de broÍr, die .jonger is van jaren,
Polínices, eerst het rijk vrijwillig ťťn jaar lang
Zal ruimen; dí oudste, die nu heerscht, dan zonder dwang
Bij beurte ook afstaan, als het jaar is omgekomen.
De trotsche Eteokles, van heerschlust ingenomen,
Slaat trouweloos verbond en eeden in den wind;
En Polynices trekt naar Argon hene, vindt
Adrast hem gunstig, trouwt zijn dochter, onder ít wrokken,
En komt hier met een heer Argieven aangetrokken,
Beoorloogt Thebe, dat met zeven poorten waakt.
Hij eischt zijn erfdeel. ík Rade, eer ít slagzwaard uitgeraakt.
Eteokles door een verdrag dien strijd te  toomen.
De boŰ brengt tijding, dat de jongste hier zal komen.
O Jupiter! zie neÍr uit uw verguld paleis;
Ontfarm u over ons; verleen ons kindren peis,
Het voegt U, die het al regeeren kunt, te geven,
Dat niet een zelve mensch altijd in rouw blijft leven,

DE VO STERVADER VAN ANTIGONE.

Antigone, eedle telg uit koninklijken stam!
Dewijl vrouw moeder uw verzoek ter harte nam,
Om, buiten het salet der maagden, eens van boven
Te zien, hoe Argosí Heer door ít veld komt aangestoven,
Zet u hier neder, opdat ik eerst gade sla,
Of eenig burger hier bangs ít hof spanseeren ga,
Om mij, een dienaar, en ook u, Mevrouw, te waren
Voor opspraak. ík Zal u dan, van stuk tot stuk, verklaren
Al wat ik onder ít heer den vijands hoorde en zag,
Toen ik gezonden wierd, met hope van verdrag,
Aan uwen broeder, hem het vrij geleÓ bestelde,
En keerde met bescheid weer herwaart uit den velde.
Hier is geen mensch omtrent. Mevrouw! nu rep u knap,
Stijg op hangs deze cedre en hooge wenteltrap;
Zie veldewaart het heer des vijands, hoe veel zielen
Omtrent Ismeenes stroom en Dirces springa‚r krielen.

Ie KEER.

ANTIGONE.

O, oude man! nu reik me uw hand,
Zoo stijge ik op van dezen kant,

DE VO STERVADER.
Welaan Mevrouw! stijg op met zegen;
Gij zijt ter rechte tijd gostegen
De Grieken trekken vast in ít veld,
Daar elk zich in slagorden stelt.

IIe KEER.

ANTIGONE.

O, dochter van Godin Latone!
O Hekatee, mijn eer en krone!
Hoe blinkt al ít veld in ít harrenas!

DE VO STERVADER.

Vorst Polynices komt van pas,
Voorzien van ruiteren en knechten.

IIIe KEER.

ANTIGONE.

Zijn alle poorten tegens ít veehten,
Met kopre boomou, ook de wal
Bezorgd voor nood en ongeval?

DE VO STERVADER.

Ai, vrees niet: Ąwant Amfions muren
Zijn machtig voor geweld te duren.
Bezie dien eersten, braaf en frisch,
Dan zal ik melden, wie hij is.

IVe KEER.

ANTIGONE.

Wie kant vooruit hier aangestooten,
Met zijnen helm op ít hoofd gesloten?
De schild beschut den arm getrouw.

DE VO STERVADER.

Het in een overste, Mevrouw!

ANTIGONE.

Wie is ít? hoe heet hij? uit wat stamme?

DE VO STERVADER.

Het is Hippomedon, vol vlamme,
Een trotsch Myceener, die zijn stoel
Bekleedt bij Lernes waterpoel.

Ve KEER.

ANTIGONE.

Hoe forsch, hoe onversaagd is ít wezen
Gelijk een reus, in top gerezen
Uit dí aarde, die weÍrspannig muit!
Hoe ziet hem Mars ten oogen uit!

DE VO STERVADER.

Ziet gij dien overste niet trekken,
Daar Dirces tong den kant komt lekken?

ANTIGONE.

Dat is een ander, en uit lust
Ten oorlog anders uitgerust.
Met welk een naam word hij geteekend?

DE VO STERVADER.

ít Is Tydens, Ćueusí zoon gerekead,
Die krijgsgod Mars, den ∆toliÍr,
In zijnen boezem voert, vol vier.

VIe KEER.

ANTIGONE.

Dees nam Adrastusí telg uit minne,
En werd Polnicesí zwagerinne;
ít Is waard, dat elk zijn rusting ziet,
Die hij uitbeemsch schakeeren liet.
Dit is een schildtroep. Zij braveeren,
Alle ∆tolieren, fiks op speren
En schichten, trotsch ten slag bereid.
Hoe kwaamt ge aan al dit klaar bescheid?

DE VO STERVADER.

Toen ik uw jongsten broer, te velde
Getogen, ít vrijgeleÍ bestelde,
Sloeg mijn nauwkeurigheid bedacht
Elke wapen gade en staat en dracht.

VIIe KEER.

ANTIGONE.

Wie komt longs Zethusí graf getogen,
Gestreng van opzicht en van oogen,
Schoon ít blonde baar de kin verciert?

DE VO STERVADER.

Dat is een,die het krijgsvolk stiert.

ANTIGONE.

Een drom bestuwt dien forschen woeder.

DE VO STERVADER.

Parthenopśus is ít. Zijn moeder
Heet Atalante.

VIIIe KEER.

ANTIGONE.

                       Ik wensche al stil
Dat, die mijn Stad verdelgen wil,
Ook van Diane wioed geschoten,
Daar ze op de bergen onverdroten
Met hare moeder vliegt en jaagt.

DE VO STERVADER.

Last dit berusten. Onversaagd
Verschijnenzeo op hun recht ten strijde;
Dies ducht ik, dat de GoŰn hnn zijde
Verkoren, en ons wederstaan.

IXe KEER.

ANTIGONE.

Waar blijft hij met zijn oorlogsvaan,
Wien zoo veel ramps met mij beschoren,
Ter kwader ure wierd geboren
Uit ťťne moeder? Oude raad!
Waar blijft Polnices, dus veramaad?

DE VO STERVADER.

Daar staat hij bij zijn landbeschermer,
Adrast, aan ít maagdegrafí, uit marmer
Gehouwen. Zie hem in ít verschiet.

ANTIGONE.

Ik zie hem daar, doch zie hem niet
Bescheidelijk, nochtans naar reden
Een schijn van zijn gedaante en leden.

Xe KEER.

ANTIGONE.

Och, of uit zusterlijke zucht
Mijn voeten dreven door de lucht,
Gelijk een wolk, van deze wallen!
ík Zou broeder om den hals gaan vallen,
En blijde omhelzen met mijn hart,
Dien, sedert bij eens balling werd,
Ik nimmer kwam te zien. ít Is deerlijk!
Mijn oude vader! ís, hoe heerlijk
Blinkt hij in ít gouden harrenas,
Gelijk de morgentzon in ít glas!

DE VO STERVADER.

Hij komt op vrijgeleide aanrijden.
Om zusters oogen te verblijden.

ANTIGONE.

Wie is ít, die statig herwaart rent,
En zijnen witten wagen ment?

DE VO STERVADER.

AinfiaraŽs. Dees bevrachtte
Het rad met vee, opdat bij ít slachte,
En wicheleí uit het ingewand.

XIe KEER.

ANTIGONE.

O dochter van de zon, geplant
In ís hemels welfsel, uitgestreken
In ít gouden kleed! Uw riem ontbreken
Geen perlen op het goud gehecht!
O maan! hoe rijdt dees, afgerecht
Op paardemennen! Aan wat oorden
Is Kapaneus, die, heet op moorden,
Wraakgierig naar de poorten wijst?

DE VO STERVADER.

Hij meet, hoe boog de hofpoort rijst,
Bespiedt den toegang naar den toren.

ANTIGONE.

O Nemesis, ten wreak gekoren!
En gij Jupijn, die ít aardrijk stut,
En ít blauw gewelf met donder schndt,
Gij kunt dien hoogmoed haast verneÍren.
Hij wil van Thebe tí Argos keeren,
Met zijn gevangenen in ít net,
Daar eer de Zeegod, tot ontzet
Van Amymoon, zoo dí ouden zingen,
Te Lerne een brona‚r op leet springen
Ten grond uit, toen ze water gaf
Op ít kliuken van zujn ijzren staf.
Diane, dochter van den grooten
Jupijn! gij, die, met uw genooten,
Het haar met goud snoert, leg me ít juk
Der slavernij niet op in drnk!

DE VO STERVADER.

Welaan, vorstin! geef u naar binnen toe ter ruste,
In ít maagden hofsalet; gij zaagt al wat u lustte.
Hier komt een groote hoop vau vrouwen, met gedruis,
Aanstuiven naar het hof en koninklijke huis.
Zij spreken gaarne ít ergste, en wordt haar stof gegeven,
Zoo weten zí er iet aan te hangen en te weven.
Verg‚ren ze te hoop, Daar elk voehaalt, hoe ít stond
In ít heer, dan komt er nooit iet deftigs uit haar mond.

REI VAN FENICIAANSCHE VROUWEN.

Ie KEER.

Ik, in FeniciŽ gewonnen,
Ben hier door zee gevoerd ten hoof
Met andere gevange nonnen,
Als een slavin en oorlogsroof,
Opdat ik mij aan Febus wije,
En slijte, in ít bergsneeuw van Parnas,
Mijn levenstijd in slavernije.
Ik streefde door den zouten plas,
Daar dí onvruchtbare Siciljanen
In ít water drijven; toen een lucht
Van ít Westen ons den weg kwatn banen,
En lieflijk voordreef op de vlucht.

Ie TEGENKEER,

Ik, eer de bloom des lands, gegeven
Aan Delfiís Godheid, als een pand
Uit al den maagdenroof, kwam zweven
In Kadmusí stadí, en ít vaderland
Der broederen, Agenorsí magen,
Om als een kerkbeeld, God gewijd,
Het slaafsche juk te helpen dragen,
Een noodwet, die geen weÍrspraak lijdt.
Kasteliaansche waterbronnen
Besprengden mij, door ís priesters hand,
Een wijdinge, die Febusí nonnen
Behaagt, en houdt in zuivren stand.

TOEZANG.

O dubble bergtop, klaar beschenen
Van ít licht den zonne! O, vruchtbre kruin,
Begroeid met wijngaard rondom henen
En ranken, eedle druiventuin!
Gij schaft hier nektar alle dagen,
Die ít hart verheugt. O drakenest!
O toppen, daar de GoŰn uitzagen,
Dianeís berg en jachtgewest,
Och, of ik stil in Febusí kooren,
Daar Dirces bran niet ruischt noch stroomt,
Verkwikt met zang en spel te hooren,
Mijn tijd mocht slijten onbeschroomd!

IIe KEER.

De Krijgsgod houdt me in deze veste
Belegerd, raast vast brand en moord;
Och, ík wensch, de gansche stad ten beste,
Dat haar geen druk noch rampspoed stoort!
Dit jammer treft de bloedverwanten
En bondgenooten in ít gemeen,
FeniciŽ ook aan alle kanten,
Zoo Thebe, ít hof en hoofd der steÍn,
Wordt aangevochten: want zij sproten
Te ga‚r uit Ioís edel zaad. (*)
Dit ís dí oorzark, dat mijn hart, gesloten
Van rouwe, om Thebe kwijnen gaat.

IIe TEGENKEER.

De beuklaar bliksemt om de wallen,
Gelijk het weÍrlicht uit de wolk
Een berst geeft, merk van dí ongevallen
Des veldslags, een bederf van volk,
Dat Plutoís Razernijen broedden,
Ten val van Ćdipusí geslacht.
Mij gruwt. o Argos! voor dit woeden
En ís Hemels wraak, met schrik verwacht;
Want Polynices, al tí onwaardig
Verongelijkt, staat naar zijn erf,
En orelogt niet onrechtvaardig;
Dit ís oorzaak van dit landbederf.

POLYNICES.

Nu ben ik al in stad, alleen op goed betrouwen,
En duchte, dat ze mij bedekt een onheil brouwen,
En dingen naar den hals des ballings, in hun net;
Ik dien rondom te zien, of iemand mj bezet.
ík Zal, moedig op dit zwaard, mijn lijf ter nood verweren.
Wie daar? Sta vast! Of kan een windeken ons deeren,
En ít ruischen van elk blad? Want wie op vijands boŰm
Den voet zet, wordt terstond geschud van schrik en schroom.
ík Vertrouw me op moeders woord, doch ben nietzonder zorge;
Zij ried me, op vrij geleÓ te komen, en bleef borge.
De hulp is bij der hand; want dí outers smoken vast,
Het hof krioelt van volk. Steek op het zwaard dat past
Veel beter. Ik wil eerst omhooren, welke vrouwen
Hier voor het hof staan. Zegt mij toch: uit wat landouwen
Komt gij naar Grieken hier in Thebe, Kadmusí stad?

REI.

Wij zijn Fenischhen. Agenors maarschalk had
Ons aan Apollo, der waarzeggren tolk, geschonken;
Want Ćdips zoon zou mij naar Delfiís kerksp7elonken
En Godsspraak zenden, zoo Myceenes heerkracht niet
De stad beleggen kwam. En gij, die ít hof beziet
En Thebe, zeg me, wie gij zijt; ai, laat ons hooren!

POLYNICES.
Ik ben uit Lajusí zoon, van Ćdipus geboren,
En uit Meneceusí telg Jokaste, groot van faam.
Thebanen noemen mij Polnices bij mijn naam.
REI.

O, rechte bloedverwant van vorst Agenors zonen!
Mijn koningen, die mij hier zonden naar uw tronen;
Ik valle oodmoedig u, gelijk ít betaamt, te voet.
Thebaansche koning, zijt gezegend en gegroet!
Het vaderland verlangde al lang naar zulk een hoeder.
Op op, sluit op de poort! koom buiten, haast o, moeder!
Of hoort ge uw zoon nog niet? Wat toeft ge? Haast u voort!
Koom, val hem om den hals; hij staat voor uwe poort.

JOKASTE.

O maagden! nauwlijks hoorde ik u Fenicisch spreken,
Of kwam al bevendc uit den hove, schier bezweken.
O zoon! hoe zien we u eens, na zoo veel ongevals
Ten lange leste! Koom, vat moeder om den hals!
Druk borst aan borst, en mond aan mond. Ik schreye en weene.
Ai, leg uw hoofd een. op mijn zwakke schouder hene.
Och! ik, uw moeder! och, hoe krijgt ze u in den arm!
Wat zal ik zeggen of wat spreken? Och, ontfarm!
Hoe vatte ik uwe hand? Waar zal ik, moeder, keeren?
Hoedanig u met vreugd aanschouwen en feesteeren?
Och, zoon! gij gingt van hier in droeve ballingschap
Ten lande uit, door bedwang met eenen zuren stap,
Op ít al te streng gebod des broeders, die u prangde
Uit wreveltnoedigheid. Mijn zoon! och, hoe verlangde
Heel Thebe over uw komste! Ik trek, van hoop beroofd
En troosteloos in rouw, de haarvlecht uit het hoofd,
LeÓ feestgewaden af, en kleedde mij in rouwe.
Het rouwkleed voegde mij, rampzalige oude vrouwe!
De vader midlerwijl, in mare duisterheid
Gekerkerd!, zoekende zijn zoons, door ít bittere pleit
Gedeeld, de pijlers van ons huis, met bitter schreyen,
Poogt met een blooten dolk uit ís levens licht te scheyen.
Dan zocht hij eenen strop, vervloekte, zucht op zucht,
De zoons, beklaagde, reis op reis, zijn huwlijksvrucht,
Gedoken in zijn hol. Terwijl komt ons ten ooren,
Hoe gij elendig reeds een eg‚ hebt gekoren,
Ten wasdom van uw zaad, en uitheemsch u verbindt
En sterkt met zwagerschap; uw moeder, schier ontzind,
Bedroeft ook Lajusígeest, die, van uwe echt afschuwlijkt
Haar vloekt, gelijk een pest, om ít landbederflijk huwlijk.
Ik stak de bruidstoorts niet, gelijk men is gewoon,
Als blijde moeder, aau. Men zong geen bruiloftstoon
Omtrent Ismeen, noch wiesch zich rein in zuiver water;
Men brocht de bruid niet thuis met juichende geschater
In Thebe, Ogygesí stad. Weg, weg, met krijgsgeweld,
Hetzij bij vaders schuld of noodhot vastgesteld,
Om jammerlijk het huis van Ćdipus te drukken!
Hoe ít zij, ik drage alleen ondraagbare ongelukken.

REI.

In arbeid gaan valt zwaar, en baren is een last;
Dat hecht de kinderliefde aan ít hart der moeder vast.

POLYNICES.

O, moeder! ik verschijn bij haters, die mij doemen,
En twijfele of men dit voorzichtigheid mag noemen,
Of dwaasheid. ít Vaderland beminnen spruit uit trek,
Elk aangeboren. Zoo men ít loochen, dat ís gebrek
En ijdle roem. ít Gemoed kan geensins dit gedoogen.
Een schrik beving me, toen ik herwaart kwam getogen
Om broeders heerschzucht en eedschennis, mij verdocht
Dat hij, door haat verrukt, mij lagen leggen mocht;
Dies kwam ik in mijn stad gewapend met den degen,
En zag beducht rondom, in strate en achterwegen;
Doch
ík wil op ít vrijgelei betrouwen en uw trouw.
Zoo koom ik vaders stad bezien, niet zonder rouw
En tranen. ík Zie het hof en Gods gewijde altaren,
Het oefenperk, den stroom van Dirce, en hofpilaren,
Daar ik ben opgevoed: hoewel men mij verstoot,
En in een vreemde stad laat zwerven, arm en bloot,
Met tranen op de wang; gij, moeder! ook beladen
Om mij, betreurt mijn leed, gekleed in rouwgewaden,
Onopgetooid., en met de handen in het haar.
Bedroefde moeder! och, het bloedkrakeel valt zwaar.
De hoop van zoen is krank voor twee gebroers te gader.
Hoe draagt zich binnen ít hof mijn blinde en oude vader
En het zijn zusters? Ai, hoe zijn ze toch gesteld?
Versuffen ze om mijn ban, van rouwe om ít hart bekneld?

JOKASTE.

Een God woode Ćdipus en al zijn zaad bederven;
Dus ging het toe: Helaas! de vader, na lang zwerven,
Verloofde zich aan mij, een onheil nooit gehoord!
Ik brocht bloedschendig hem twee paren vruchten voort
Dit was uw oorsprong; doch veel nutter dit gezwegen,
Men kan het noodlot niet verzetten noch bewegen.
Ik zoude u vragen naar meer zaken; maar men spaart,
Uw leed te tergen; want uwe aankomste is me waard. 

POLYNICES.

Vraag vrij al wat u lust te weten en te vragen;
Wat moeder meest behaagt, dat zal me meest behagen.

JOKASTE.

Dit vraag ik eerst, hetwelk mij diep in ít harte ging:
Valt leven lastig voor een rijksverschoveling?

POLYNICES.
Zoo lastig, dat men ít met geen woorden ken ontvouwen.
JOKASTE.

Waarom valt ballingschap zoo lastig voor getrouwen?

POLYNICES.

Vooreerst het spreken staat den banneling niet vrij.

JOKASTE.

De stem te smoren is een rechte slavernij.

POLYNICES.

Men moe het onbescheid der machtigen verdragen.

JOKASTE.

ít Valt lastig, dwaas te zijn, om dwazen te behagen.

POLYNICES.

Men slaaft uit arremoede, al staat het tegens ít hart.

JOKASTE.

Voedt hoop den balling niet in ít nijpen van de smart?

POLYNICES.

De hoop belooft veel, maar hij zwerft vast in elende.

JOKASTE.

En dat deze ijdel is, blijkt klaar genoeg in ít ende.

POLYNICES.

Zij troetelt hem doorgaans met een gezien geluk.

JOKASTE.

Hoe kwaamt gij aan den kost vůůr ít huwen, diep in druk?

POLYNICES.

Dan kreeg ik wat, dan niet, en most zoo harden leeren.

JOKASTE.

Liet vaders maagschap en de vreemde u iet ontberen?

POLYNICES.

Die vleyen uwí geluk. Wie klaagt is niemands vriend.

JOKASTE.
Uw adeldom heeft u alom ten steun gediend?
POLYNICES.

Wie arm is leeft in smart; geen stam kan honger boeten.

JOKASTE.
Is ít elk niet aangenaam, zijn vaderland tí ontmoeten?
POLYNICES.
Zoo aangenaam, dat dit geen tong uitspreken kan.
JOKASTE.
Wat dreef u, naar Myceen te trekken na uw ban?
POLYNICES.

Apolloís spelling, aan Adrastus voorgehouŽn.

JOKASTE.

ík Versta dees rede niet; men most me klaar ontvouwen.

POLYNICES.
Dat hij zijn kroost een Leeuw en Zwijn bevelen moet.
JOKASTE.

Wat raken dieren u, die wild zijn en verwoed?

POLYNICES.

Ik weet niet. Zulk een lot is mij omhoog beschoren.

JOKASTE.
God weet het! Maar hoe kwam dit huwlijk u bekoren?
POLYNICES.
Zoo ik hem geval in ít hof van oud Myceene ging.
JOKASTE.
Zocht gij een slaapstede, als een arm verschoveling?
POLYNICES.

Zoo is ít. Een ander kwam verschoven toen hier mede.

JOKASTE.
Wie was het, toen gij aan uw nooddruft kwaamt door bede?
POLYNICES.
Heer Tydens, Ćneusí zoon, niet min berooid dan ik.
JOKASTE.

Hoe beeldde Adrast u af door dieren, ieders schrik?

POLYNICES.

Naardien we vochten om een bulster in ons kwelling.

JOKASTE.
Besefte Taulusí zoon toen ernstig Febusí spelling?
POLYNICES.

Met reÍn, en schonk ons elk een dochter tot zijn bruid.

JOKASTE.
Viel ít huwlijk met geluk of ongelukkig uit?
POLYNICES.

Nog zien we niet, dat op ons huwlijk valt te zeggen,

JOKASTE.
Hoe kwaamt ge met dees macht uw vaders stad beleggen?
POLYNICES.
Mijn schoonva‚r bad mij dí eerste, en Tydeus, met een eed
Gezworen, in ons, rijk te helpen, als besteed
Aan zijne dochters; en nu komen alle grooten,
De bloem van Grieken en Myceene, een uitgestooten
Herstellen in zijn erf. ík Gebruik ze tegens ít hart,
Beoorloge, Ik beken ít, mijn vaderland met smart,
En neem de Goden tot getuigen van ít meÍdoogen,
Dat ik mijne ouders en het blnd met orelogen
Bedroeve. Moeder! och, ik hope, uw liefde en beÍ
Zal ít onheil smoren. Help gebroeders toch aan vreÍ!
Het zal de gansche stad en u en mij verlichten.
Het spreekwoord is bekend in zangen en gedichten:
De heerschappij en ít goed zijn gading van elkeen,
En steen in ít hart geplant. Dat jaagt me herwaart heen,
Met zulk een oorlogstocht. Wat ís afkomst zonder erve!
REI.

Eteokles komt hier u spreken. Och! men derve
Geensins uw tusschenspraak, vůůr ít aangaan van geweld,
Of dí oude vriendschap der gebroedren zij hersteld

ETEOKLES.

Hier ben ik, moeder! u ten dienst. Wat ís uw begeeren?
Wij kunnen nauwelijks de burgertroepen keeren,
ít Gebriesch der paarden en ít geweer, alreede kant.
Een van ons beide heffí nu aan, om met verstand
Voorwaarden van verdrag en vrede te beramen.
Op zulk een hoop kwam dees en ik in stad te zamen,
Met mijn bestemminge.

JOKASTE.

                                    Nu toef; de haastigbeid
Is eene vijandin van recht en rechtsbeleid;
Hij werkt voorzichtig, die rich langzaam komt verklaren.
Ai, laat dit dwars gezicht en wrevlig opzicht varen!
Gij ziet geen slangenhoofd, gehouwen van den hals,
Maar Polynices zelf, uw broeder, wreed noch valsch.
Ai, keer hem ít aanzicht toe! Elkandre zonder tooren
Aanziende, kunt ge best ter sprake staan en hooren.
Ik wil u beide eerst wijs vermanen; hoort mijn raad:
Zoo dikwijl vrienden, als de gramschap overgaat,
Elkandre weder zien, dan moet men zich betoomen,
Afhandelende al ítgeen, waarom men is gekomen.
Zoon Polynices! stel uw rede eerst billijk in;
Want gij voerde Argosí heer voor stad, in uwen zin
Verongelijkt. Och! of een Godheid, vůůr het vechten,
Zich tusschen beide stelde, om ít ongelijk te slechten!

POLYNICES.

De waarheid spreekt ronduit, eenvoudig, ongetooid.
Al wat rechtmatig uit den aard bleek, hoefde nooit
Sieraad van rede; maar wet hinkt in recht en orden,
Behoeft met glimp verbloemd en onderstut te worden.
Ik, die Heer vaders hnis handhaafde, diep geraakt
Van vaders vloeken, op zijn zonen uitgebraakt,
Verliet vrijwillig eerst het land yen mijn geboorte,
En stond Heer broeder tor, cm ít jaar dees hooge poorte.
Voor mij te sluiten, en te heerschen over ít rijk
Bij beurte, niet door ít zwaard te slechten ít ongelijk,
Bij mij te droef geleÍn. Dit werd met eed bezegeld
Van hem, die trouweloos meineedig, ongeregeld,
Dit rijk, mijn vaders erf, in zijne klauwen houdt.
Nu sta ik ook bereid, zoo ít rijk, hem eerst vertrouwd,
Mij kent voor zijnen heer, dit jaar, gelijk we zwoeren
(Hij heerschí dan op zijn beurt), het leger af te voeren.
Zoo spaar men vaders erf; zoo voerí trompet noch vaan
De stormleer op den muur en hooge torens aan.
Ontzegt ge dit, zoo wil ik ít recht het uiterstí vergen,
En tuig de Goden, dat mij broeder, na lang tergen,
Geweldig uitstoot, schoon ik met geen onrecht sta
Naar niemands erf, en slechts mijn recht eisch zonder sch‚.
Zoo spreke ik. Moeder hoor mijn rede oprecht en simpel!
Elk vat mijn recht, en hoort dat ik het niet bewimpel.

REI.

Hij spreekt voorzichtig, dat getuigt me mijn gemoed,
Al heeft FeniciŽ mij uitheemsch opgevoed.

ETEOKLES.
Indien ít al recht waar, wat dien naam draagt op de tongen,
Ter vierschaar wierd gepleit, gestreden, noch gedongen;
Nu draagt de billijkheid en eendracht in elk land
Den blooten naam; de daad is verre van der hnnd.
Ik zoude, o, moeder! om recht uit te gaan, niet weigren
Te dalen in de Hel, of Hemelhoog te steigren;
Zoo ít noodot toeliet, langs die moeyelijke baan
Tot staat te klimmen, daar de Goden zelfs naar staan.
Wien schijnt dan vreemd, dat ik veel liever zitten bleve
Op stoel, dan broeder kroon en rijksstaf overgeve?
Een suffer wraakt het meeste, en houdt het minste deel.
Een man, die torgerust het land eischt met krakeel
Zijn eisch inwilligen, waar schande bij de vromen:
En nimmer meer die smaad ons Theben overkomen,
Dat Argosí sabel mij door doodschrik mijnen staf
Zou wringen uit de vuist, om moedeloos en laf
Dien eenen anderen te schenken; en, o moeder!
Het voegt hem niet, door ít zwaard, en allerminst een broeder
Den weg tot vrede en rust te banen. Och, mij gruwt!
Wie smeekt, wint meer den eer die vier en vlam uitspuwt.
Wil hij hier nederslaan, dat staat hem vrij. Regeeren
In mijn gezicht uit trots, dat staat mij toe te keeren.
Wie slaaf ven koning wordt, aanvaardt een lastig juk.
Zet liever al het rijk in vier en bloed en druk,
Bedek den bodem eer met ruiteren en kechten,
Stel al uw macht te werke, eer ik! geschil laat slechten;
Want wil men ít heilig recht schoffeeren, vier den toom,
Wanneer ít een kroon kost; blijf in andren handel vroom.
REI.

Het voegt niet oneer deugd, en onrecht recht te noemen,
Een goede zaak behoeft blanketsel noch verbloemen.

JOKASTE.

Eteokles! ai, hoor. Bouwvallige ouderdom
Brengt nog iet goeds met zich, Hier staat de jonkheid stom;
Ervarenheid ontvouwt, dat geene jongen weten.
Helaas! hoe wordt uw hart van staatzucht dus bezeten,
En toomeloos verrukt met eenen dertlen zin!
Bedwing u. Staatzucht is een schendige Godin,
Die, in de steden en bij grooten ingekropen,
Niet scheidt, eer zij de steÍn en huis en hof helpí sloopen.
Dees helpt uw hoofd aldus aan ít hollen, los van toom.
Maar hoeveel beter waar ít, omzichtig en uit schroom
Voor onrecht, billijkheid tí omhelzen, die de steden
Aan steÍn, genooten aan genooten, door de reden,
Gelijken door de liefde aan huss gelijken bindt,
ít Is billijk, dat elkeen rechtmatigheid bemint.
Het minder wil doorgaans zich tegens ít meerder zetten;
Dus groeit de vijandschap. De billijkheid leert letten
Op maat, getal, en wicht, en ít voorgestelde merk.
De dag en ook de nacht bewaren elk hun perk;
Zij winnen en vergaan, ook zonder nijd te dragen,
Om elk ten dienst te staan; en gij, verbonde magen,
Gebroeders! weigert ge den broeder vaders deel?
Waar blijft het recht dan? O, verfoeyelijk krakeel!
Wat is er aan dien glans van ít snoode, en onrechtvaardig
Een rijk genoemd, toch vast, dat gij zoo wederwaardig
Dit hooger opneemt? Dunkt het u zoo groot een pracht,
Dat gij verheven sit, van ieder hoog geacht?
Och! wat is ijdeler? Of wilt ge rust ontberen,
En arrebeiden, dat uw huis elk mag braveeren?
Dat is een ijdle naam, een klank en anders niet.
Hij leeft vernoegd in ít kleen, die nimmer hooger ziet.
Geen sterflijk mensch bezit hier eigen goed en erven;
Wij deelen uit Gods goed, en moeten! leengoed derven,
Wanneer! de leenheer eischt, als ít Hem belieft. Geluk
Is eene onzekre gast en wankelbaar, een juk
Dat lastig valt. Indien gij keur hadt: Úf regeeren
Of ít vederland behoÍn, wat zou de keur u leeren
Verkiezen uit die beÓ? Gij antwoordt: Ąheerschappij.Ē
Weelan, zoo ít broeder wonne, en Kadmusí macht en gij
Bezweekt voor Argosí heer, wordt gij Heer vaders veste
Zien overweldigen, geweldenaars ten beste?
Zoo vele maagden zien in ís vijands slavernij
Wegvoeren? Deze kroon, daar gij uit razernij
Op vlamt, wil den Thebaan te jammerlijk bekomen,
En uw hardnekkigheid ten toon staan. Laat u toomen
En dit gezegd zijn, zoon! ó Nu hoorí de jongste meÍ:
Adrast betoonde u gunst, doch slinks, op uwe bed.
Wilt gij met wapenen de hoofdstad Thebe winnen?
Genomen, gij haar wont, en kwaamt gewapend binnen,
Dat God verhoede, wat voor eene zegeprecht
Woudt gij oprechten? En wat naam hebt gij bedacht
Den eerstelingen van uw bloedaltaar te geven?
Op welk een titel wordt die bloedroof heengedreven
Naar Inachus? En hangt Polynices, na den brand
Van Thebe, en ít ondergaan van volk en vaderland,
Den beuklaar, God ten eere, aan heilige pilaren?
Het zij van verre, dat ge in Grieken wilt vermaren
Uw naam door zulk een stuk! Zoo de ander u verwinní,
En uwe hoop bezwijkí; oog blijft ge niettemin
Handdadig aan dien moord, en zult naar Argos keeren,
Opdet men zegge: ĄAdrast! gij woudt ons recht verweren,
Maar zijt rampzalig ons ten schoonva‚r toegelegd;
Wij zijn al tí zamen door dees bruid en eenige echt
Bedorven en verdelgd! ó Och, zoon! het kan niet falen,
Gij zult op uwen hals een debbel onheil halen:
Niet erven, en met hem heensterven in verdriet.
Laat beide varen ítgeen te veel hier overschiet;
Want ít is te bijster dat, om licht verzoenbre zaken,
Twee broeders, even dol, aldus aan ít hollen raken.

REI.

O Goden! keert dien slag van ít koninklijk paleis;
Verleen toch Ćdipusí een ongestoorden peis!

ETEOKLES.

Nu, moeder! dit is met geen woorden neÍr te heggen.
De tijd verloopt vergeefs; men vordert niet met zeggen.
Hier geldt, om kort te gaan, ťťn middel van verdrag,
Dat is: men sta mij toe het opperste gezag.
HoŻ op. Vrouw moeder! mij met woorden op te houden!
En gj, verzie u. Voort, ten poorte uit, of wij zouden........
Kortom, gij zijt om hals.

POLYNICES.

                                      Om hals? En door wiens hand?
Wie is hier zoo gehard, dat hij niet voort in ít zand
Zou ploffen nevens mij?

ETEOKLES.
                                      Zie toe, hij staat niet verre.
Ziet gij dees hand niet?
POLYNICES.

                                    ík Zie ze, en weet het wel, en darre
Ronduit u zeggen, dat de rijke nimmer vecht.

ETEOKLES.
Zoekt gij, met zulk een macht, een wereloozen knecht?
POLYNICES.

Een vorst voegt veiligheid, en niet zich fors te toonen.

ETEOKLES.
Gij trotst op vrij geleÓ; dat zal uw lijf verschoonen.
POLYNICES.
Ik eisch nog eens het rijk en vaders errefdeel.
ETEOKLES.

ík Gedoog dien eisch niet, en bewoon dit hof geheel.

POLYNICES.

Dat ís meer den ít uwe.

ETEOKLES.

                                    Dit belieft me; ga voort buiten!

POLYNICES.

O, heilige offerande! o, Goden! helpt dit stuiten.

ETEOKLES.
Gij steekt hun naar het hart.
POLYNICES.

                                           Ik bidde, hoort mijn beÍ!

ETEOKLES.
Maar zij verhooren geen doodvijand van zijn steÍ.
POLYNICES.
En gij, ís kerken van de GoŰn op witte paarden!
ETEOKLES.

Die u vervloeken.

POLYNICES.

                             ík Moet de ballingschap aanvaarden
En ruime ít vaderland.

ETEOKLES.

                                   Dat gij verdelgen woudt.

POLYNICES.

Door uwe onbillijkheid.

ETEOKLES.

                                     Zoek Goden, daar ge op bouwt,
Bij Lerne, en geensins hier.

POLYNICES.

                                           Gij weigert, me te hooren
Ter vierschaar in ít gerecht.

ETEOKLES.

                                            Ik koom geen rijk verstoren
Gelijk een vijand van mijn eigen vaderland.

POLYNICES.
Gij rooft mijn erfdeel.
ETEOKLES.

                                  En ik hoop, met deze band,
U ít leven ook eerlang tí ontrooven, Daar we strijden.

POLYNICES.

Och, vader! hoort go niet wat ongelijk wij lijden?

ETEOKLES.

Meer wat gij aanrecht.

POLYNICES.

                                   Och, Vrouw moeder! hoort ge niet

ETEOKLES.

Wat moeder? Noem ze niet.

POLYNICES.
                                            Mijn stad, o groot verdriet!
ETEOKLES.

Trek heen, naar Argos toe; roep Lerne aan, en die slangen.

POLYNICES.
O moeder, zijt geloofd! Ik ga bedroefde gangen.
ETEOKLES.

Vertrek terstond van hier.

POLYNICES.
                                        Ik ga, het zal geschiÍn;
Maar laat me eerst, dit valt hard, mijn ouden vader zien
ETEOKLES.

Geensins.

POLYNICES.

                Ten minste dan mijn zusters, ongehuwden.

ETEOKLES.
Ook niet.
POLYNICES.

              O, zusters!

ETEOKLES.

                                Die van uwen krijgstocht gruwden.
Wat woelt ge dus om haar, die gij beoreloogt?

POLYNICES.

Nu, moeder! vaar lang wel.

JOKASTE.
                                           Och, zoon! mijn druk gedoogt
Geen welvaart.
POLYNICES.

Men gedoogt niet, dat ik zoon mag heeten

JOKASTE.
Ik ben tot ramp gebaard.
POLYNICES.

                                      Dees tergt me dus vermeten.

ETEOKLES.

En ik worde ook getergd.

POLYNICES.

                                        Nu zeg me eens, man wat oord
Der stede zult ge staan in ít harnas? Aan wat poort?

ETEOKLES.
Wel, waarom vraagt ge dit?
POLYNICES.

                                            Daar wil ik op u passen.

ETEOKLES.

Dat lust me mede.

JOKASTE.
                            O, zoon! waartoe zijt ge opgewassen?
Het is gedaan met mij. Och, zoon! wet recht gij aan?
ETEOKLES.

De tijd zal ít leeren.

JOKASTE.
                                Och, ík zie vaders vloek u slaan!
POLYNICES.
Laat storten ít gansche huis!
ETEOKLES.

                                            Hoe lang zal ít zwaard nog rusten?

POLYNICES.

Ik neem nog eenmaal al de Goden, en bewusten
Van ít onrecht, en het land, dat mij ter wereld bracht,
Tot tuigen. Ik, gedoemd als balling, word veracht,
Gelijk een slaaf, en niet als uit ťťn stam gesproten,
Een telg yen Ćdipus, uit vaders hof gestooten.
O stad, wat onheil komt i over! Wijt het hem!
Onwillig kwam ik, en onwillig drijft me uw stem
Ten hove uit. Febus, wien de heerbaan is geboden
Te hoeden door uw wacht! speelnooten, hoven, Goden,
En beelden van de GoŰn, met offeren gediend!
Vaart al te zamen wel. Ik, langer niemands vriend,
Weet nauwlijks, of men mij na dezen zal gedoogen
U aan te spreken, en te komen onder oogen.
Nochtans bezwijkt mijn hoop niet teffens heel en al.
ík Betrouw op Gods geleÓ, zoo dees geraakt ten val,
Dat ik Heer vaders rijk bezitten zal rechtvaardig.

ETEOKLES.

Vertrekt ge niet terstond? want vader wahtte u waardig
Uit inzicht met dien naam te noemen, dit blijkt klaar,
Van Polynices, dat is twistberokkenaar.

REI.

KEER.

Toen hier Kadmus dwaalde,
Buiten Tyrusí staat,
Na een rustplaats taalde
Met Apolloís raad,
Zag bij, tusschen heggen
En het groene land,
Eene vaarze leggen,
Nooit van huismans hand
Onder ít juk gedwongen,
Daar men Dirces bron
Ziet, met vochte tongen,
Lekken, in de zon,
Schoon bebloemde kanten;
Daar nu Thebe rijst,
Groeiden aar en planten
En wet honger spijst.
Semel, hier bekropen
Van den God Jupijn,
Tot haar ingeslopen,
Dí oorzaak van den wijn,
Bacchus, kwam te baren,
Die, een teder kind,
Opgewiegd, zij garen
In groen eiloof windt. (*)

TEGENZANG.

Hier lag voor Zijne oogen
Dí eiselijke draak,
Krullende en gebogen,
Houdende de waak
Aan den stroom vol schrikken.
Waar het schrikdier ít hoofd
Draaide met zijn blikken,
Daar men ít water rooft.
Kadmus, die landvluchtig
Goden offren wil,
Putte hier godvruchtig,
Greep een steen al stil
Met zijn sterke handen,
Klonk den draak zoo fel,
Op het hoofd, vol tanden,
En door ít hoog bevel
Van Minerf hervatte
Hij den slag verhit,
Dat het brein uitspatte,
Zaaide toen ít gebit
In deze akkervoren,
Die hem krijgsvolk baart,
ít Welk terstond in tooren,
Schrap met schild en zwaard,
Elk om ít eerst verwoeder,
Zijnen vijand deert,
Die in zijne moeder,
Dí Aarde, wederkeert.
Al de grond, bewassen
Van het graan, dreef voort
Voor den wind bij plassen,
Rood van broedermoord.

SLOTZANG.

Epafusí, van ons Godinne
en Jupijn geteeld,
ík Roep uw Godheid aan uit minne
In Fenicisch, dat niet scheelt
Hoor, o IŲ! ons gebeden,
En ontferm u over ít land,
Van uwe afkomst eerst betreden,
En gebouwd en rijk beplant
Van Proserpine, en gekoesterd
Van de Graangodin, vol vier,
Die den grond der aarde voÍstert.
Zend de macht der Goden hier;
Want de GodheÍn zijn genegen,
Elk te helpen. Zend ze neÍr,
Die, op driesprong en op wegen,
Zich met nachtlichtí in hare eer
Laten zetten van de scharen;
Laat ze toch dit land bewaren!

ETEOKLES.
Ga, haal Meneceusí zoon, mijn moeders broeder, hier:
Heer Kreon, dat ik met hem spreke, op wat manier
Men dezen staat, waaraan ons allen is gelegen,
Best redden kan, eer elk met slagzwaard, schild, en degen
Zich in slagorde stelle, en vechte hand aan hand.
Maar Kreon komt van zelf ten hove van dien kant,
En vrijdt u voor dien last.
KREON.
                                         Heer koning, stut der vromen!
ík Was al een wijl belust met u ter spraakí te komen,
Toen ik de ronde, langs den hoogen muur, voltrok.
ETEOKLES.
En ik, om u te zien; want Polynicesí wrok,
Nu kenbaar, heeft de hoop van ít vreÍverdrag verdreven.
KREON.
Hij, trotsch op schoonva‚r, schijnt om Thebe niet te geven;
Doch dit blijf ít hoog beleid der Goden toevertrouwd!
Nn koom ik raadslaan op hetgeen de vijand brouwt.
ETEOKLES.

Wat ís dit? ík Versta u niet.

KREON.
                                            Ik kreeg een Griek gevangen.
ETEOKLES.

ít Gaat wel. Wat boodschapt hij? Ik hoore met verlangen.

KREON.

Dat Argos hier terstond de stad bestormen zal

ETEOKLES.
Die moet men wederstaan, en stuiten voor de wal.
KREON.

Uw jonkheid ziet niet, hoe ge uw vijand moet beknellen.

ETEOKLES.

Men streef ter poorte uit, en winní veld om volk te stellen.

KREON.

De vijand is te sterk, en wij een klein getal.

ETEOKLES.
Zij vechten met den mond. Hun harten poplen al.
KREON.
De faam van Argos klinkt door Grieken met trompetten.
ETEOKLES.

ík Wil ít leger, schroom niet, in een enkel bloedbad zetten.

KREON.

Zoo dit gelukken woŻ; maar zulk een stuk lijdt list.

ETEOKLES.

Niet binnen deze munr te blijven, stelle ik vast.

KREON.
Aan zege raakt men door den raad van wijze mannen.
ETEOKLES.
Raadt ge op eene andre wijs den vijand aan te rannen?
KREON.
Op alle wijzen, eer de veldslag wordt gewaagd.
ETEOKLES.

En of we hem bij nacht verrasten onversaagd?

KREON.

Viel ít avrechts uit, wat raad om weder af te trekken?

ETEOKLES.
De nacktkans, even schoon, acht veiligst hem te wekkení,
KREON.
ít Is zorgelijk, zich ís nachts te wagen in gevaar.
ETEOKLES.
En of men ís middags loos de krijgskans greep bij ít haar?
KREON.
ít Zou hem verbazen; maar men dient zich kant te zetten
ETEOKLES.
De stroom van Dirce zou het vluchten hem beletten.
KREON.
Den muur beschermen, is geradener dan slaan.
ETEOKLES.
De ruiterbende rande om strijd het leger aan.
KREON.
De wagenburg beschut hun leger, als een veste.
ETEOKLES.
Hoe dan toe? Geve ik hun heel Thebe liefst ten beste?
KREON.
Dit niet; maar overweeg, wat tijd en staat vereischt.
ETEOKLES.
Wat raad ontbreekt er nog, die waard is overpeisd?
KREON.
Men vreest een zevental krijgshoofden over allen.
ETEOKLES.
Van kleen belang. Wat last is hun te benrt gevallen?
KREON.

De zeven poorten op te stormen met geweld.

ETEOKLES.

En wat betaamt ons nu, eer onze krijgshoop smeltí?

KREON.
Beveel een zevental de poorten te verweren.
ETEOKLES.
Slechts zeven? of hun volk, vol moeds om storm te keeren?
KREON.
Laat hen de jeugd gebiÍn, de bloem der burgerij.
ETEOKLES.
Ik vat uw zin, om storm te schutten van partij.
KREON.
Elk hopman name een hulp; veel oogen zien veel verder.
ETEOKLES.
Zal ik op sterkheid zien of wijsheid van den herder?
KREON.
Op beide tí zamen; want een man gaat een mans gang.
ETEOKLES.
Men vaar zoo voort. Ik ga, wij toeven hier te lang
In stad, om zeven elk aan eene poort te stellen,
Daar ís vijands stormers op de poort hun speren vellen.
De tijd gehengt niet, dat men hen bij namen stelt.
De vijand rnkt vast naar de muren uit het veld.
Laat ons bezetting spoÍn: het is geen tijd te toeven.
Och, of mijn broeder mij bejegende ik zou proeven,
Hem, die zijn vaderland belegerd houdt en tart,
Recht voor de vuist een speer te stooten in het hart;
Zoo mocht bij Zijne booze en snoode ziel uitspuwen.
Draag zorg, dat Hemon met Antigone mag huwen,
Uw zoon aan zuster, of mij sterven viel ten deel,
De bruidsschat, haar beloofd, blijve in haar kracht geheel.
Gij zijt Vrouw moeders broÍr, ai, laat ze niet verlegen!
Men onderhoŻ ze, als ít past, van u en mijnentwegen.
De vader, blind bij zijne en niet bij mijne schuld.
Verwijte dit zich zelfí. Hij, die krankhoofdig brnlt,
Zal ons met zijnen vloek misschien te gronde smijten.
Dit eenig schort ons nog, in ít midden van dit wrijten,
Te hooren ít wichlen van Tiresias. Ik zal
Uw zoon Meneceas, uw Heer vader ten geval
Aldus genoemd, om dien waarzegger henezenden;
Want hij boel gaarne spreekt met u, zijn welbekenden.
Onlangs beschimpte ik zijn waarzeggerij, waarom
Hij pruilt. Nn laat ik u, o Kreon! al den drom
Des volks bevolen. Dient de krijgskans mij ten beste,
Laat Polynices niet begraven voor de veste;
Indien ook iemand hem begrave in ís aardrijks schoot,
Die boete dit misdrijf, dien laster, met de dood.
Dit hoort gij. Ik ga voort met mijne lijfwacht spreken.
Gaat hene, ras gaat hene; en brengt me, om mij te wreken,
Mijn schild, mijn harrenas, opdat de wraak met lust
Ons voere naar den storm, in ít harnas uitgerust.
Wij bidden dí Oppersten, die wijs de staten stutten,
Dat ze ondertusschen toch de poort en mnnr beschutten.

REI.

KEER.

O, forsche vader Mars!
Wat moordlust drijft u, bars
En fors naar bloed en wapen?
Kunt gij geen wellust rapen
In Bacchusí keteltrom,
En laat u in geen drom
Den bloemkrans, dí eer der lente,
Te dragen uit gewente,
Te blazen een schalmei,
In ís Wijngods blijden rei,
En andre feestvriendinnen
Van zoete zangerinnen?
Maar, met den helm op ít hoofd,
Door een klaroen verdoofd,
Alle Inachijnsche knechten
Te prikklen om te vechten,
Te blaken ít oorlogsbloed
Met schild en bliksemgloed?
Waarom geen wingerdspeeren,
Gezwaaid, met pantherskleÍren
Omgord, ten wulpschen dans?
Maar zet u in dan trans
Van uwen oorlogswagen,
En, langs Ismeen gedragen,
Hitst Kadmusí drakenbloed
Aan Argos volk verwoed,
En komt met krijgsvolk storen
Amfions poort en toren,
Gebouwd, met zang en lier,
Van steen. Wat lust u hier
Rondom, in droeve kansen
Den harnasdans te dansen?
Och, tweedracht, streng van zin!
Een wrijtende Godin,
Schent Labdaks bloed en benden
Aan een met vele elenden.
Citheron, voÍstervrouw
Der jacht, Dianeís bouw,
Zoo ruig van groene lokken,
Bedekt van wintervlokken!
ík Wensch, gij Jokastes kroost,
Beroofd van hulp en troost,
En met een priem doorslagen (*),
Nooit voedde, om ons te plagen;
En had het bergdier Sfinx,
Een maagd gelijk en slinks
Op eenen berg gezeten,
Door Plutoís nijd gebeten
Op ons, nooit uit den poel
Gerezen, en ís lands stoel
Dat ongeluk gebrouwen,
Met raadaslen tí ontvouwen,
Vol dubbelzinnigheid,
Van Thebe droef beschreid;
En had het Kadmusí neven
Niet zulk een klauw gegeven,
Geslingerd in de lacht,
Daar ziel op ziel om zucht.
Nu worden Ćdips zonen,
In twist om ís vaders kronen,
Gereten en geschokt;
De bloedschand duurt verstokt.
Zoo spruiten kindersmetten,
Gedoemd bij alle wetten;
Der oudren vloek en vlak
Geeft dezen stam dien krak.
Jokaste raakte aan ít kinderbaren,
Won zoons, die haar mans broeders weren

SLOTZANG.

Doorluchtige landouw!
Wat waart ge, vrij van rouw,
Gelukkig, toen ons klonk in dí ooren,
Dat u eene afkomst was geboren
Uit draketanden, dí eer
Van Thebe, toen weleer
De Goden, om Harmonií, kwamen
Op hare bruiloftsfeest verzamen.
Amfion zong voorheen
En speelde steen aan steen,
En bouwde Thebes muur, met boomen
Beplaut, op dí oevers van twee stroomen,
Daar Dirce kruiden laaft,
Ismenusí dalen schaaft,
De herder vrolijk ít vee geleidde
In vrnchtbre en vette klaverweide.
Wat waart ge zalig, toen
Hier , in het groen,
Gelijk een koei, met andre koeyen
En, gladde bomen, eerst ging loeyen,
En Kadmusí stam, haar lief,
Tot koningen verhief,
En deze stad, verrijkt door schatten,
Nog bloeide, en nauwlijks kon omvatten
Haar dappren, groot geacht,
Een kroon van haar geslacht.

TIRESIAS.
Nu, dochter! leÓ me voort, gelijk gesternte in ít zeilen
Den zeeman, en verstrek, om niet in ít gaan te feilen,
Den blinden voet en oog. Ga voort langs ít effen pad,
Om niet te struikelen. Gij weet, boe dra ik mat
En moede ben. Uw hand aanvaarde deze bladen,
Dit tafelet, waarin ik onlangs in ít beraden,
Op Delfis drievoet in de kerk gezeten, schreef
De spelling van de pen, waarop ik wichle en zweef.
Nu zeg, Meneceus! zoon van Kreon, zeg me, moeten
Wij verder voortgaan; want mijn wankelende voeten
Bezwijken, en het been wil nauwlijks langer voort;
Hoe verre zijn we nog van vaders hof en poort?
KREON.

Tiresias, ai rust! gij zijt alreÍ gekomen
Bij uwe vrienden. Zoon! ai stnt, om niet te schromen,
Den ouden blinden stok; want oud gebeente kraakt,
Als oude wagens, en zoekt steun, en wordt vermaakt
Met elke handreiking.

TIRESIAS.
                                   Hier ben ik op uw behagen,
O, Kreon! wat ís uw wil?
KREON.
                                         Ik weet het. Laat de vlagen
Van uw vermoeidheid eerst bedaren. Schep eerst lucht.
De gang heeft u vermoeid.
TIRESIAS.
                                          Ik (hoorde gij ít gerucht?)
Kwam gistren thuis geleid uit Attika, heel moede,
Daar Mavors op de been, afgrijslijk raasde en woedde,
De vorst Eumolpus, door het winnen van den slag,
Athene aan zege holp; daar ik van ít hoog gezag
Uit ís oorlogs roofschat rijk en rustig wierd beschonken.
KREON.
Het voorspook van dien slag heeft ons in ít oor geklonken
Met lust; want, zoo gij ziet, dees staat wordt aangetast
Van eenen krijgsorkaan, Thebaners tot een last,
Eteokles trekt nu gewapend, om te stuiten
De macht van Argos, ons aanrandende van buiten,
Hij port me, uit uwen mond te hooren en verstaan
Het noodlot van de stad, en hoe dit zal vergaan.
TIRESIAS.
Indien ít Eteokles mij vergen kwaam, ík zou zwijgen,
En bij stads avontuur uit mijnen mond niet krijgen;
Doch ík wil, o Kreon! u dit melden kort en klaar:
Het vaderland stak lang in dit gebroeid gevaar,
Al sedert Lajus kwam, in weÍrwil der bevelen
Des Hemels, kiuders uit dit huwelijk te telen,
Waardoor de zoon, helaas! zich smette in moeders schoot;
En dat uitrukken van zijne oogen, bloedig rood,
Es ít eigen werk der GoŰn, ten spiegel van de Grieken.
De zonen meenende, dat met zijn snelle wieken
De tijd die slijten zoude, en zij Gods gramschap vliÍn,
Bestaan een schendig stuk, en, zonder eer te biÍn
Den droeven vader, gaan hem in den kerker steken.
Gij, gansch verwilderd, breekt, om dit schandaal te wreken,
Verwate vloeken op dit huis en hoog en leegí.
Toen ik dit aanwees en de waarheid niet verzweeg,
Most ik, in steÍ van loon tí ontvangen, op mijn dagen,
Den schrikkelijken haat der broederen verdragen.
Nu zullen ze alle beÓ door hunne hand vergaan,
En klampen moord op moord; de wapens ít veld beslaan
Van Thebe en Argos, die elkander overromplen,
De huizen diep in rouw tot over díooren domplen.
En gij, befaamde stad! legt in den grond geveld,
Tenzij men vast gelooví hetgeen mijn mond u spelt,
Hoewel vrij spade. Het geradenste van allen
Waar, Ćdipus geslacht te keeren uit de wallen;
Dewijl bij ít vaderland en zijner vadren erf
Inwikkelde in zijn vloek, hun allen ten bederf.
Naardien ít gelukkig voor ít rampzalig lot moet strijken,
Zoo spaarde ít noodlot nog ťťn vond, om ramp te wijken;
Doch aangezien ít gevaar mij dí uitspraak streng verbiedt,
En ít ampt des wichelaars, zich zelven tot verdriet,
Zijn vaderland niet mag recht uit ten beste raden,
Zon zegge ik slechts: vaar wel! en kieze deze paden.
Ik, slechts het minste lid des lichaams van den staat,
Getroost me al water koomí. Wat scheelt het mij, hoe ít gaat!
KREON.
Blijf, oude vader! blijf.
TIRESIAS.
                                     Laat los, gij houdt me tegen.
KREON.
Waarom verlaat ge mij?
TIRESIAS.
                                        Gij miste allang Gods zegen.
KREON.
Ontvouw, waarin het heil van volk en land bestaat.
TIRESIAS.
Dan zoudt gij ít wenschen niet te weten in der daad,
Hetgeen gij enkel wenscht met kennis tí overwegen?
KREON.
Wil ik niet weten, waar ís lands heil in is gelegen
TIRESIAS.

Is ít enkel dan uw wil, dat wij hier rond in gaan?

KREON.
Wat is er, daar men meer ernsthaftig naar zon staan?
TIRESIAS.

Zoo zal ik u bescheid van zekre Godspraak geven;
Maar zeg me eerst, waar uw zoon Meneceus is gebleven,
Die mij nu herwaart bracht.

KREON.
                                            Hij staat aan uwe zij.
TIRESIAS.

Laat hem vertrekken, eer ik ít noodlot u belij.

KREON.

Het is mijn zoon; hij zal ítgeen gij verbiedt niet mellen

TIRESIAS.

Zal ik dan, dat hij ít hoorí, ít genakende voorspellen?

KREON.
Hem lust te hooren, wat den staat ten beste strekt.
TIRESIAS.

Zon hoor, wat ís Hemels mond tot Kadmusí heil ontdekt
Uw zoons Meneceus dood kan slechts dees stad bewaren
Nu hoort ge ítgeen ge wilt, dat wij u openbaren.

KREON.
Wat zegt ge, vader? Och, wat spraak, wat woord is dit!
TIRESIAS.
Zoo staat het vast gesteld. Dit ís noodlots eenig wit.
KREON.
Wat meldt ge al jammers met ťťn woord op ít allerleste!
TIRESIAS.
Voor u alleen, maar al de stede en ít volk ten beste.
KREON.
ík Versta noch hoor dit niet; dees Godspraak raakt me niet;
Wat mij belangt, de stad zij verre van verdriet!
TIRESIAS.
Dit ís niet dezelve man; hij durf zijn woord onteeren!
KREON.
ík Vertrek terstond, en kan uw wicheikunst ontberen.
TIRESIAS.
Kan waarheid niet bestaan, tenzij ze uw oogmerk diení?
KREON.
Nu bidde ik, oude man! oodmoedig aan uw kniÍn.
TIRESIAS.
Ai, bid niet; gij begeert hetgeen men niet kan keeren.
KREON.
Zwijg stil, zwijg stil! hoŻ op dit onder ít volk te leeren.
TIRESIAS.
Onbillijk eischt ge ítgeen geen vrome zwijgen mag.
KREON.
Hoe dan? zult gij mijn zoon voorthelpen met dien slag?
TIRESIAS.
Dat raakt me niet. Ik leere elk noodlots wil beseffen.
KREON.
Van waar zal zulk een slag mij en mijne afkomst treffen?
TIRESIAS.

Gij vraagt, en wijst den weg ter sprake. Hoor de zaak:
Men slechte uw zoon, ten zoon van dí aarde, daar de draak
Uit sproot in een spelonke, en Dirces bron behoedde.
Een oude wrok van Mars op Kadmus, die laag broedde,
Ter wrake van des slange, eischt dit van uwe hand.
Voltrekt ge dit, God zal dit gansch Thebaansche land
Beschermen in den nood. De koestrende landouwe,
Die krijgmans teelde uit klei, zal, om uwe bede en trouwe,
Aanvaarden bloed voor bloed, en vrucht voor vrucht ten zoen.
De jongling van ít geslacht, geboren uit het broÍn
Van draketanden, wordt gedaagd om ít leed te boeten.
Gij en uw drakezaad zult dit bezuren moeten.
Het huwelijk verbiedt, dat Hemon, zonder vlek
Van bijslaap, doch verloofd, den offereisch voltrekkí.
Meneceus schiet alleen nog over van hun allen;
Wordt dees geofferd, hij zei land en stad voor vallen
En ondergaan behoÍn, alleen door zijne dood,
De heerkracht van Adrast wegdrjven, stoot op stoot,
Met gruwelijk verlies van volk, ter eeuwige eere
Van Thebe, als land en stad hierover triomfeere.
Nu wordt u, Kreon, keur gegeven: Úf uw zoon
Te bergen, Úf de stad te houden, op den troon.
Dit ís al, wat ik u kan onvouwen. - Manto! daatlijk
Naar huis met mij; de kunst der wichlerije is haatlijk:
Wie den raadvragende zijne ongelukken spelt,
Is onbemind; wie valsch slechts logen vent om geld,
Kwetst zelfs de Goden, uit ontzag voor groote heeren;
O Febus! u alleen betaamt het profeteeren,
Naardien ge niemand schroomt.

REI.

                                                  Hoe, Kreon! hoe? waarom
Gemompeld binnenís monde? Hier staan we al even stom.

KREON.

Wat zei men zeggen van dit wichelen? Dees rede
Blijkt klaar; maar nimmer zij mijn zoon, ten zoen der stede,
Met vaders wil ter dood geleverd; neen, o neen,
Zijn kinders minnen, staat in ieders hart gesneÍn.
Hun slachten voor het volk is zonder eenig voorbeeld.
Lof trekken uit zijn bloed wordt snood bij mij geoordeeld.
Maar ik, nu oud en kond, ontzie niet, met een moed,
Den vloek des vaderlands te wasschen met mijn bloed.
Mijn zoon! eer dit gerucht zich over Thebe spreye,
Schoon dees niet ijdel spelt, vlucht fluks, op mijn geieye,
Uit Kadmusí landgebied; want dees waarzegger zal
Dit roepen door de stad en onder ít zevental
Beschermers, hoofden der Thebaansche burgerijen.
Indien ge tijdig vlucht, zoo zult ge uw lijf bevrijen;
Verrast men ons, zou zijt ge om hals, en koud en stijf.

MENECEUS.
Waar hene best gevloŰn? Waar name ik mijn verblijf?
KREON.
Heel verre uit ís lands gebied.
MENECEUS.
                                                U past het, te gebieden
En mij te hooren.
KREON.
                            Gij moet fluks naar Delfi vlieden.
MENECEUS.
O, vader! waar gevloŰn?
KREON.
                                        In ∆tolye.
MENECEUS.
                                                          Waar
Best neÍrgeslagen?
KREON.
                              In ThesprotiŽ.
MENECEUS.
                                                    Of in ít naar
En heilig kerkwoud van Dodone?
KREON.
                                                     Zonder beiden.
MENECEUS.
En wie beschut me daar?
KREON.
                                        Gods gunst zal u geleiden.
MENECEUS.
Maar wie schiet geld?
KREON.
                                    Ik zelf.
MENECEUS.
                                                Ik vatte vaders zin.
KREON.
Ga hene.
MENECEUS.
              Maar ik moet Jokaste, mijne min,
Uw zuster (die mij, nog een wees, opvoedde en zoogde,
Met hare borsten, eer de melk en mam verdroogde)
Eerst kussen, dan de stad naar mijne macht gered.
KREON.
Ga hene, berg uw lijf; u dient hier geen belet.
MENECEUS.
Gij, vrouwen! hoorde, hoe ik, met een boze rede,
Heer vaders hart ontlastte, en stilde op zijne bede,
Toen hij mij eenen schrik aanjagen woude, en voort,
Beroofd van naam en faam, verdrijven uit de poort;
Doch ík zal den ouderdom verschoonen, tot zijn voordeel.
Mijn jonkheid kan geensins van een bezadigd oordeel
Ontschnldigd worden, zou ík door heiloos landverraad
Mijn moeder, ít vaderland, in haren nood verlaat.
Ik ga dit land van vreeze ontlasten, en mijn leven
En bloed, ten dienst van Thebe en ít volk, ten beste geven;
Want welk een schande is ít, zou alle andren, onverplicht
Aan hemelsch noodlot en orakels en gezicht,
Met schilden aan den arm, voor vaderland en erven,
Bij poort en toren, niet ontzien de dood te sterven,
En ik mijn vader, broÍr, en deze stad begeef,
Uit een saagachtigí hart! Want alzoo lang ik leef,
Waar ik me wende en keer, zal doorgaans mij een lachter
En vuile naklank van bloŰhartigheid van achter
Navolgen. Neen gewis, geensins, bij God Jupijn,
Die ís hemels loop bestestuurt! geensins, met geenen schijn,
Bij vader Mars, verhit op bloed en nederlagen,
Die ons voorouders, ít zaad der aarde, moest verslagen,
Ten troon des rijks verhief. Ik ga dan hene, en zal
Op hooge torens staan, opdat, na mijnen val,
Het. nare drakenhol, mij, teÍre en jonge telge,
Naar ís wichelaars besluit, al levende inuezwelge.
Dit raadslot staat nu vast, het gansche rijk ten zoen
Te sterven, een rij van jammren te verhoÍu,
En eerlijk voor de stad te scheiden uit het leven.
Stond dit in ít harte van de burgerij geschreven,
Al hun vermogen op te zetten bij het land,
De steÍn. ontlast en vrij van rampen, hielden stand.
KEER.

O vliegende gebroed der aarde,
Helsche afkomst van de slang!
O maagd, half hond, die elk vervaarde! (*)
Wat viel het Thebe bang,
Toen gij, hoogvliegende op uw pennen
Met klauwen, scherp en wreed,
Door donkre raadsels, heet op schennen,
Echions burgers sleet,
En Kadmusí aanwas holpt om ít leven!
Gij slingert ze in de lucht,
Daar Dirce, als glas, komt afgedreven,
Van zooveel moords berucht.
Wat God het was, die moorden broeide,
Voorwaar hij was wel wreed,
Die in ontelbre moorden groeide.
ít Gehuil der maagden sneed
In ieders harte. Hieruit sproten
De galmen, op de fluit
Gesteld, van droeve rouwgenooten,
Gehoord huis in, huis uit.
Maar dan ging ít op een bitter kermen,
Waarvan de lucht gewaagt,
Als ít ondier, dat naar geen ontfermen
Noch medelijden vraagt,
Uit ís volks gelicht een rukt van onder,
Dan hoorden ze een geluid;
Zoo barst een wolk, met gloed en donder
En kracht, van boven uit.

TEGERKEER.
Elendige Ćdipus! in ít ende
Door ít wichlen van Apol,
Gestuurd naar Thebe, vol elende,
Hoe stond uwe eer toen vol!
Hoe waart ge sedert zoo afschuwlijk,
Toen gij, uit blinden lust,
Geraakte aan uw Vrouw moeders huwlijk,
Ten loon van ít onbewust
Ontvouwen raadsel, eene peste,
Die gruwelijk besmet
Amfions opgebouwde veste.
Het licht verhoord gebed
Des vaders, vloekende zijn neven,
Drijft hen verbitterd aan,
Te dingen naar elkanders leven.
O jongling! ít is gera‚n
En billijk voor uw land te sterven.
Gij zult, om zulk een smart
Geloofd, een eeuwige eer verwerven;
Doch uw Heer vaders hart
Bedroeven jammerlijk en deerlijk;
Maar Thebe, door uw dood,
Aan zege helpen, braaf en heerlijk.
Och! of het morgenrood,
De dag eens opkwam, die ons moeder
WoŻ kronen met een kroost
En dappren vaderlands behoeder,
Der droeven stut en troost!
O, strijdbre Pallas! begenadig
Ons heden, als voorheen
De draak, op uw bevel grootdadig
Van Kadmusí trots bestreÍn,
Bebloed op eene steenrots berstte,
Dies ít Godendom gestoord
Het buis van Labdak plaagde en perste
Met eindeloozen moord.
BODE.
Sluit op de hofpoort, hou! sluit open, hofpoortier!
Sluit open, zeg ik; roep vorstin Jokaste hier!
Befaamd, aan Ćdipns verknocht door echte trouwe!
Koom uit, al is het spade; ontsla uw hart van rouwe!
Laat vrij uw droef geklag nu varen. Hoor me toch!
JOKASTE.

Hoe ducht ik, dat ge mij, bedrukte vrouwe, och, och!
Een leide maar brengt van Eteokleesche rampen
En dood. Gij zijt gewoon, aan zijne zij te kampen,
Enís vijands pijlen af te schutten op den schild.
Welaan, Zeg op: hoe is ít gelegen? ít Harte trilt;
Laat booren. Wat ís íer nieuws? Zeg op: is bij gebleven
In ít barnen van den strijd, of niet en nog in ít leven?

BODE.
Hij leeft. Dit is het niet, dat u te schromen staat.
JOKASTE.
Verhaal, hoe ít met den muur en zeven poorten gaat.
BODE.
Zij staan. Het gaat nog wel. Zij staan nog overende.
JOKASTE.
Is dan de kans gewaagd in ít veld met Argosí bende?
BODE.
Gewaagd, en Kadmus heeft Myceene neÍrgeveld.
JOKASTE.
Zoo leeft Polnices nog? Dit ís ít eenig, dat me ontstelt.
BODE.
Uw zonen leven nog.
JOKASTE.
                                 God gave u wel te varen!
Nu zeg me toch: wat macht kon wal en poort bewaren
Voor argosí aanval, opdat ik, in ít hof gekeerd,
Den ouden blinden troostí, dat onze stad niets deert?
BODE.

Nadat Meneceus op den muur, getroost te sneven
Voor ít vaderland, zijn strot den doodsteek had gegeven,
Zette uw manhafte zoon de zeven troepen knap
In hun slagordens, en zoo vele hoofden schrap,
Om al de Grieksche macht te keeren, vroom en schrander.
Daar stond vaan tegens vaan en stander tegens stauder,
De hulptroep bij der hand, of ergens aan een oord
De muur bezwijken mocht of torentrans of poort.
Terstond wordt bij de stads bezettinge vernomen,
Hoe Grieksche beukelaars, als bliksems, schittren komen
Van den Teumessischen zandheuvel, vaan bij vaan;
Zoo rukken ze gezwind op Thebes graften aan.
Toen stak er schichtig een geklank van veldtrompetten
En veldgeschrei op, uit het heer, dat aan kwam zetten,
Ook van de vesten; en het eerste stormgeweld
Was op de landpoort van NeÔtaí toegesteld.
Hier voerde een Arkas, zoon der boschmaagd Atalante,
De schildpad aan en schild, waarinne zij zich kantte
En spitste op ít wilde zwijn, dat zij ter aarde schoot.
AmfiaraŁs, een waarzegger, tuk en snood,
Voerde offervee met zich, op zijne hooge raden,
En een rondas, niet trotsch met wapeupraal beladen.
Door hem werd Prśtusí poort afgrijslijk aangerand;
De vorst Hippomedon hiei met zijn stormers stand
Aan dí Ogygeensche poort, met eenen schild vol oogení,
Of open, als gestarnt, ter kimme uit aangetogen,
Of toegeloken met der starren ondergangk,
Als Argos stervende ít gezicht look, doodsch en krank.
De Homoloische poort zag Tydens fel genaken,
Met zwavelvier, om haar te branden en te bleken;
Hij voerde een leeuwnhuid, ruig van borstlen, heel parmant,
In zijnen schild, de torts in zijne rechte hand,
Gelijk Promethens. Maar Polnices dreef de raden
Naar ons Kreneesche poort., en droeg de Potuiaden,
Gezwinde merriŽn, in zijnen beukelaar;
Het schijnt van verre, dat zij dol, dan hier dan daar,
Vast triplen om de pin, de manen luchtig zwaayen.
Men ziet er Kapaneus ten storm de blikken draayen
In ít vliegen naar de poort, die als Elektre heet;
Het ijzre beeldwerk grimt in zijn rondas heel wreed:
Daar stond de Reus, een zoon der aarde, in uitgedreven,
Die torschte een heele stad, op zijnen nek geheven,
En met een dommekracht geschroefd uit haren grond,
Een voorspook, dat dees stad dit ook te schromen stond.
Adrastus zocht met kracht de leste poort te klieven,
En voerde aan zijnen arm den hoogmoed der Argieven,
Een wreeden poeldraak, met afgrijslijk addrenhaar,
Wel honderd sterk, en zooveel slangen rukten naar,
Met opgesparden bek, de knapen van de tinnen.
Dit zag men klaar, toen ik Thebaansche hoofden binnen
De leus bracht van de wacht. Eerst streÍn ze met den boog,
En pijl en slinger, die de steenen smeet omhoog.
Uw zoon en Tydeus, als de kans ons aanlacht, roepen:
ĄO zoons van DanaŁs! wat toeft ge, met de troepen
Der lichtgewapenden en wagenmeestren, voort,
Eer ze ons beschieten, fors te stormen op de poort?Ē
Toen toefde niemand lang. Een groote hoop getroffen
Stort neder op het hoofd. Een menigte komt ploffen
Van boven voor de wal, en geeft den geest heel kort,
En dí aarde drinkt het bloed, bij beken uitgestort.
Maar reuklooze Arkas, zoon der strijdbare Atalante,
Doch geen Myceener, toen hij zich ten storrem kantte,
Streeft naar de poort, en brult, gelijk een storremwind:
ĄBrengt fakkel! brengt houweel!Ē als een die Thebe, ontzind
En dol, verdelgen wil. Periklymeen, gewonnen
Van God Neptnnn, verleert terstond dien aangeronnen
Het roepen, met een steen, gerukt met volle kracht
Van Thebes mnnr, zoo zwaar gelijk een wagenvracht,
Dat hij het blonde hoofd en bekkeneel verplette,
Het bloed de kaken verfde en jammerlijk besmette,
De zoon zijn moeder niet zal zien, na dit gevecht,
Een dochter van Mśnaal, op schieten afgerecht.
Uw zoon, aldus dees poort verdadigd ziende, streefde
Naar andre poorten heen, daar elk voor Tydens beefde,
Die, uit een schildtroep van zijn Kalidoonschen, met
∆tolisch schutgeweer, ons torenwacht verzet
Van haren hoefslag, en den toren, daar ze weken.
Uw zoon verga‚rt ze, en drijft de schaar, alreÍ bezweken,
Gelijk een jager, weÍr te rngge op hare wacht.
Wat tong kan Kapaneus uitbeelden en zijn kracht,
Die met een lange leÍr ten storrem aan komt zetten,
En schreeuwt: ,,de donder van Jupijn zal niet beletten,
Dat, over graft en munr, ik recht in Thebe vaarí!Ē
Zoo sprekende, bedekt bij met.den beukelaar
Zijn hoofd voor eene bui van groote hagelsteenen,
En vliegt ter stormleÍr op, en reukloos met de beenen
Gesteigerd op de wal, treft hem de donder, dat
De grond der aarde dreunt en loeit door al de stad,
Van ít schrikkelijk gedruisch, dat arm en been en vinger
Heenspatten overal, gelijk uit eene slinger,
Het bloed ter aarde vloog, de haarlok door de lucht,
De handen, voeten, en de leden, met een vlucht
Gelijk Ixions rad, omdraaiden, ít lijf geslagen,
De leÍn, ger‚braakt van den slag, geslingerd legen.
Adrastus ziende, hoe Jupijn hem tegenviel,
Voert fluks zijn heerkracht af. De stads bezetting hiel,
Dat ís Hemels gunst haar droeg, en rukte, niet te stuiten,
Met paarden, wagenen, en al het volk naar buiten,
En maait met sabelen in ít Grieksche vleesch en bloed,
Een eislijk schouwspel, al te deerlijk en verwoed:
Dees geeft den geest, die breekt den nek van zijnen wagen;
Daar waren dí assen, ra‚n in stukken; dooden lagen
Getuimeld overhoop. Dus lang beschermden wij
De torens. Wensch ons heil, ít geluk houdt onze zij;
Maar of ít geluk voortaan den burger zal bevrijden,
Datís God bekend!

REI.

De zege is heerlijk na het strijden;
Indien de Goden met den biijden zonueschijn
Van zege ons zegenden, hoe heerlijk zou het zijn!

JOKASTE.

De gunst der Goden en gewenschte voorspoed toonen
Ons nog een schoon gelaat, nu ít land en mijne zonen
Behouden bleven; maar broÍr Kreon deelt terwijl
In onze onzalige echt, beroofd van zijnen stijl,
Dien lieven zoon, tot heil van stad en land geboren,
En hem tot hartewee; doch laat me wijder hooren,
Wat beide mijne zoons nu nemen bij der hand.

BODE.

Ai, vraag niet wijders; ít gaat dus verre wel in ít land.

JOKASTE.
Gij jaagt me schrik aan; neen, gij moet het al ontvouwen.
BODE.

Is ít niet genoeg, dat beide uw zonen zijn bebouŽn?

JOKASTE.
ík Wil hooren, of ít geluk hen handhaaft tegens last.
BODE.
Ik bid, verschoon me; uw zoon ontbeert zijn schildknaap vast.
JOKASTE.
Gij schaduwt ongeval met loof van ommewegen.
BODE.
Het mag van ít hart niet, ramp te reppen na den zegen.
JOKASTE.
Gij mocht me ontvliegen, maar ontloopen kunt ge niet.
BODE.
Wat moogt ge een blijden bode ophouden, om verdriet
Te halen uit zijn hals? Uw zoons bestaan, o rampen!
Een schendig lasterstuk, dat ís lijf om lijf te kampen,
In ít aanzicht van Myceene en Thebe en hare macht,
En roepen overluid ítgeen godloos is gedacht.
Eteokles, hier voor den hoogen toren staande,
Begon het krijgsvolk, dat men tot gehoor vermaande,
Dus aan te spreken: Ąo, groothartigen, vol moed,
Die dí eer van Grieken stut! en gij, uit Kadmusí bloed
Gesproten, Argosí heil! houdt eindlijk op, uw leven
Voor twee gebroederen ten beste op ít veld te geven;
Laat al ít gevaar op mij aankomen. Ik alleen,
Mij tegens mijnen broÍr verzettende, uitgetreÍn
In ít vechtperk, zal ít krakeel met min verlies beslechten,
En mijnen broeder met den blanken zwaarde rechten,
En ít rijk behouden of verwonnen op het veld
Hem overleveren. Gij, al het krijgsgeweld
Dan stakende, zult vrij en vrank, met volk en heeren,
Behouden ís lijfs gerust naar Argos wederkeeren;
Het zaad van Kadmus heeft al bloeds genoeg gestort.
Polínices hoort het, en bestemt dit voorstel kort.
Thebaansche grooten en Myceenschen, alle benden,
Bezeeglen ít schorten van den veldslag en dí elenden,
In ít aanzicht van al ít heer, en wat voeteert en draaftí.
Aldus werd dit verdrag met eenen eed gestaafd,
De trotsche zonen van den ouden vader schoten
Het harnas aan. De bloem, uit Argosí struik gesproten,
Rust Polynices toe, en Thebe zijn partij.
Daar staan ze en branden, elk verhit van wederzij,
Om met een dollen moed elkandere te raken.
De voorbijgaanden hen op deze wijs ontstaken
ĄO, Polynices! ít hangt aan u, Jupijn heel prat
Een merk van zege toe te wijden, ei de stad
Myceene tot een eer!Ē en andren, heet op ít wreken,
Zien dus Eteokles een hart in ít lijf te spreken:
ĄGij vecht voor ít vaderland, en steigert op den stoel
Waarzeggers slachten vee ten offer, slaan uiet koel
De vlam in ít rijzen gade, en hoe de rook, naar boven
In top opklimmeude, de vlam begint te kloven,
Dat hun twee dingen speltí : Úf neÍrlaag Úf geluk.
Geldt kunst of wetenschap of tooverzang, zoo ruk~
Naar buiten, om ít gevecht der zonen fluks te scheyen.
Een donkere oorlogswolk, met tranen te beschreyen,
Hangt ieder over ít hoofd. Wat wil er een beklag
Opsteken in de lucht, indien een zelve dag
U van twee Zoons beroof, hetwelk gij nog moogt stuiten!
JOKASTE.

Och, dochter Autigoon! koom uit, koom haastig buiten;
Uw onheil laat niet toe, in ít maagdelijk salet
Te blijven, noch den rei te volgen naar uw wet.
Help moeder, dat de broÍrs het lijfgevecht toch staken,
Eer ze alle teffens in den kamp om hals geraken.

ANTIGONE.
Hoe kermt ge, o moeder! voor de deur, in droef gestalt?
Wat ramp is ít weder, die de vrienden overvalt
JOKASTE.

Och, dochter! ít einde van uw broedreu is voorhanden.

ANTIGONE.
Hoe zoo?
JOKASTE.

                  Zij staan gereed elkandere aan te randen.

ANTIGONE.

Hoe hard valt zulk een woord!

JOKASTE.

                                                 Wel hard! Nu volg me voort,

ANTIGONE.
Van maagden scheiden?
JOKASTE.

                                      Recht naar ít leger, voor de poort.

ANTIGONE.
Mijn schaamte ontziet de mans te komen onder dí oogen,
JOKASTE.

Die schaamt. zijn we al kwijt.

ANTIGONE.
                                               Wat eischt ge?
JOKASTE.

                                                                      Uit mededoogen
Der broedren dreigement te scheiden met der spoed.

ANTIGONE.
Hoe scheide ik ken? helaas!
JOKASTE.

                                            Val hun met mij te voet!

ANTIGONE.
TreÍ voor, naar ít leger toe! Dit lijdt niet, dat we wachten.
JOKASTE.

Och, dochter! ga me voor. Kan ik dit paar verzachten,
Aantreffen eer men vechtí, zoo berge ik nog mijn lijfí;
Maar zijn ze om hals, zoo ben ik mede koud en stijf.

REI.
KEER.

Mijn haar rijst overende;
Mijn hart wordt koud, als ijs.
Een jammerlijke elende
Komt haar, nu oud en grijs,
Bedroefde moeder, drukken
Door beÓ de zoons. O smart!
Wie stoot, in tí zamenrukken,
Het spits in ís anders hart!
O jammer, toen ze baarde,
Geleden! o, Jupijn!
O koesterachtige aarde,
Elk, moeder! Och, ik kwijn!
Zal ít leven der gemelden,
Ons leggende zoo na
Aan ít hart, hetwelk wij stelden
Op dí afkomst, vroeg en sp‚,
Nu onder schild en degen
Verloren gaan? Zij moet,
En kan ze niet bewegen,
Dit aanzien in haar bloed!
Wiens lijk zal zij, met stenen
En kermen, fluks beweenen?

TEGENKEER.

O, landschap! o, landouwen
Van Kadmus! Bittre haat
Verbijsterde ongetrouweu!
Verwijderden! wat staat
Gij reede, in broeders ziele
Te verwen ít scherpe punt,
Opdat het hem verniele?
ít Is al te deerlijk! Kunt
Gij dus, met voordacht, treden
In doodlijk lijfgevecht?
Ik zal met huilen heden
En tranen, daar gij legt,
Den dooden droef beklagen.
Een bloedig eind genaakt;
Dees dag zal ít ons gewagen,
Hoe ít afliep; Vader braakt
Op dí afkomst dolle vloeken,
Uit zijne donkre hoeken.

Maar nu men Kreon hier zoo treurig ziet genaken,
Met een bedroefd gelaat, moet ik mijn rede staken.

KREON.
Wat recht ik aan? Wat zal ik zeggen? Och! wiens ramp
Beklage ik eerst, of mijn of stads, wien zulk een damp,
Een donkre en zwarte wolk schijnt over ít hoofd te hangen,
Als of de jammerpoel, daar ít zielendom gevangen
Vast jammert, teffens al de stad, met zijne kil
En zwavelvlammen, rood van gloed, versmoren wil,
Behalve dit vergoot mijn zoon zijn bloed, ten beste
Van ít vaderland, en erfde een faam op deze veste,
Beklagelijk voor mij. Ik, ongelukkig, draag
Den heilzaam stervenden, verhoeder van elks plaag,
Met droefheid uit het hol des draaks, hier lang doorsteken,
Op ít kermen van al ít hof. Ik ga Vrouw zuster smeeken,
Dat zij mijn zoon, niet meer mijn eigen zoon en pand,
Toch zuivre, neer ís bands wijs, met haar getrouwe hand;
Want het betaamt den plicht der levenden, die vechten
En sneven, eerelijk voor ít beste te berechten.
REI.

Uw zuster, Kreon! is naar buiten heen gegaan,
Met Antigoon, haar telg, bekommerd en bela‚n.

KREON.

Helaas! waar ging ze? Zeg. Wat onheil perst haar weder?

REI.

De moeder hoorde, hoe haar zoons, een vrouw is teder,
In ít harnas stonden naar de glorie van de kroon.

KREON.
Wat zegt ge? Ik, bezig met den lijkplicht van mijn zoon,
Kwam geensins herwaart aan, om deze maar te hooren.
REI.

Het is, o Kreon! al geleÍn een wijl te voren,
Dat zij ten hove uit ging, en ík vrees, dat dit gevecht
Van Ćdips afkomst reÍ het bloedpleit heeft beslecht.

KREON.
Indien we recht zien, hier verschijnt een droevig teeken:
Een bod komt, hangende hoofds, hier treurig aangestreken;
Wij zullen booren, hoe bet afliep met dien strijd.
BODE.
Rampzalige! wat zal ik spreken? Droeve tijd!
Hoe best beginnen?
KREON.
                               Hij begint te bijster drukkig.
Dit voorspel spelt niet goeds.
BODE.
                                               Ik boodschappe, ongelukkig,
Een groot. zwarigheid.
KREON.
                                    Brengt gij, behalve ítgeen
Ons klaar bewust is, nn nog nieuwe zwarigheÍn?
BODE.
Uw zusters zoons zijn dood.
KREON.
                                            O mare, droef te hoeren
Voor ons en al de stad!
BODE.
                                    O stam, tot rouw geboren!
O huis van Ćdipus! Verstaat ge nog niet naakt,
Hoe teffens beide uw zoons om ít leven zijn geraakt?
REI.

Hoe zou het schreyen, kon ít zijn onheil recht beseffen!

KREON.
O schriklijk noodlot, al te vreeslijk in het treffen!
BODE.
Dat zoudt ge eerst zeggen, waar u dí uitgang ook beduid.
KREON.
Kan hier iet toeslaan, dat nog schrikkelijker luidt?
BODE.
Jokaste, uw zuster, stortte op hare zonen neder.
REI.

Heft aan een weeklacht; krabt de kaak en borsten weder,
En wringt de banden; rukt de haren uit uw hoofd!

KREON.
Rampzalige! wat eind, wat echt werd u beloofd
Van Sfinx en ít raadsel? Maar verhaal het al te zamen,
Hoe beide zoons om hals door vaders vloeken kwamen.
BODE.
De voorspoed van het heer voor stad is u bekend,
En dí omtrek van den mnnr, van ít een aan ít ander end,
Zoo groot niet, of gij weet zoo wŤl, als die het zagen,
Al wat gebeurde, en hoe ít zich hier heeft toegedragen.
Als Ćdips zonen fors het blinkend harrenas
Aanschoten, en het hoofd, voor wonden schootvrij, was
Gewapend met den helm, zoo stonden ze grootmoedig
In ít midden der slagorde, als oversten, om bloedig
Elkandre met den schicht te streven in het lijf.
De jongste keert het hoofd naar Argos, zijn verblijf,
En bidt op deze wijs: ,,o Juno! begenadig
Mijn zake (want Adrast beschonk me uit gunat weldadig
Met uwe burgerinneí, en ík woonde op uwen grond),
Dat ik mijn broeders hart mag treffen, en gewond
Ter aarde vellende in het bloedig stof verpletten,
En met zijn hartebloed nog lauw mijn hand besmetten;
Ik sta naar schendige eer, een snoden broederslagĒ.
Het volk, dit hoorende, kon zich van weegeklag
En bittre tranen niet onthouden uit meÍdoogen;
Maar dí oudste, Eteokles, keert zijn wraakgierige oogen
Naar ít heilig kerkgewelf, gebouwd tot Pallasí eer,
Daar zij gewapend zit met gouden schild en speer,
En bidt hierna aldus: ,,o dochter van den grooten
Jupijn! laat mij dien schicht in broeders harte stooten,
En hem voorthelpen, die naar vaders erfdeel dingt
Men zwaait de torts, en een trompetter blaast en wringt
De lucht door zijn klaroen, gelijk men bij Tyrrheenen
Van ouds te wapen blies; waarop dit paar verschenen
Elkandere aanvliegt. als twee everzwijnen, wit
Van schuim, schuimbekkend, met den bliksem in ít gebit
En weÍrlicht brakende, dat eislijk gloeit en schittert.
De schichten gaan hun gang, van weÍrzij fel verbitterd.
De drift wordt op den schild al knarsende gestuit,
En geen van beide geeft zich bloot en boven uit
Den schild, of dí ander is gereed om wis te raken;
Meer steek op steek treft mis, en schampt slechts af met kraken,
Dewijl elk met den schild het aanzicht bergt en dekt;
Het koude zweet breekt den aanschouwer uit, dat lekt
En vloeit langs ít aanzicht neÍr, terwijl ze al tí zamen schromen.
De strenge kampers niet; maar dí oudste, in ít nader komen,
Die onverhoeds den voet aan eenen keisteen stoot,
Geeft buiten zijnen schild te ver zich zelven bloot;
De broeder, ziende kans om zijn partij te grieven,
Drijft hem een schacht door ít been, daar ít bloot is. Alle Argieven
Aan ít juichen, schreeuwen, dat het aan den hemel klinkt.
Toen stond de jongste bloot; die, duwde bij, verminkt
En zwaar gewond, den schicht, in ít barnen van het vechten,
In ít broeders boezem, dat het punt hierin bleef hechten.
Toen greep hij, zittende op de kniÍn, een zwaren steen,
En brak zijn broeders schicht, die kraakte en sprong van een.
Nu stond het lijfgevecht gelijk, en alle beide
Ontbeerden ze elk zijn schacht. Het zwaard raakte uit de scheide
Dat op den beuklaar klonk. Nu gold een ander slag
Van vechten met gevaar. Maar dí oudste broeder lag
Op zijne luim, beel tuk op zijn Thessaalsche trekení,
Om dcce langdurigheid van kampen af te breken; -
Hij trekt den slinken voet terug, bedekt den buik
Voorzichtig tegens spits, en treft den broÍr ter sluik
Bij zijnen navel in, tot achter door de lenden,
Dat Polynices stort, en dí aarde en ook de benden
Besprenkelt met zijn bloed; dies dí ander juicht van vreugd,
Den degen wegsmijt, en, te vroeg hierom verheugd,
Op den gesneuvelden geen acht slaat uit verkleening,
Maar vlamt op wapenroof, bedrogen in zijn meening;
Want Polynices, nog zieltogende en vol moed,
Dreef ít zwaard, in ít vallen nog behouden, gansch verwoed
Eteokles in ít lijf. Zij stortten beide, en beten
Het gras. Wie overwon, dí aanschouwers nauwlijks weten.
REI.

Hoe treft me, o Ćdipus, de val van uw geslacht!

KREON.
Het lust den GoŰn, uw vloek te zetten in zijn kracht.
BODE.
Ja; luister nu nog voort naar dí overige rampen:
De zonen lagen beide in ít vechtperk na het kampen.
Toen kwam dí onzalige Vrouw moeder, stram van leÍn,
Met hare dochter, bang en siddrende, aangetreÍn;
Zij vindt ze doodelijk gewond, en roept: Ąmijn zonen!
Och, moeder komt te spade, om u haar gunst te toonen,
Te raden! En zij valt bij beide uit onmacht, stijf
Van schrik, den eenen dan den andren op het lijf,
Beschreit (een steenen hart zou schreyen van meÍdoogen!)
Den vruchteloozen last van baren en van zogen; -.
De zuster steent, en kermt, en klaagt zon droef als zij:
O, steun des ouderdoms van moeder, schuwt ge mij?
O, waarde broeders, van mijn bruiloftstorts verstoken!
Eteokles, benauwd aan ít hijgen, zonder spreken,
En met den reutel in de keel, hoort moeders klacht,
En reikt de flauwe hand haar toe, doch zonder macht
Van sprake, groet ze alleen met tranen, ít jongste teeken
Van liefde; en dí ander broÍr ziet, jammerlijk bezweken,
Zijne oude moeder en de zuster deerlijk aan,
En spreekt uauw, hallef dood: Ąoch, ít is met ons gedaan!
Mij jammert moeder en mijn zuster en mijn broeder,
Nu dood! Mijn eige vriend werd vijand, nooit verwoeder,
Doch was mijn vriend. Begraaf me in mijn Heer vaders graf!
Och, moeder! zuster, och! Laat nu voortaan de straf
Der stede, om mij verzoend, ophouden en versterven,
En ik een grafstede in mijn vaderland verwerven,
Hoewel ik ít rijk verloor. O moeder! nu mij ít licht
Begeeft, luik met uw hand mijne oogen, mijn gezicht
(Hij leÓ, zoo sprekende, haar hand nog op zijne oogen)
En nu, vaart wel! ít gezicht, gebroken, wordt betogen.
De moeder trekt, van rouwe en ongeduld volvoerd,
Het zwaard uit ís dooden lijf, en zonder hoop beroerd,
Begaat een gruwelstuk, en stoot het, zonder schromen,
Verwoed in hare borst. Daar sneuvelt ze, omgekomen
In ít midden van de zoons, in haren arm gevat.
Dit baart een zwaren strijd in ít leger voor de stad:
Het volk van DanaŁs en ít zaad van Kadmus geven
Elk naar hun drift den prijs. De hoofden wederstreven
Elkanderen. Dí eeu roemt, tot Polynicesí eer,
Dat hij den broeder eerst verwondt met zijn geweer;
En dí ander stelt ze beÓ gelijk in eer, en zegen.
Terwijl stapte Antigoon ten heere uit al verslegen.
De heeren grijpen naar de wapens heel verwoed.
Men had voorzichtig, en ter goeder tijd, verhoed,
Dat Kadmusí volk zich op de schilden nederzette. (*)
Aldus versnelden ze Myceeners, met een hette
Van overval; want zij, van wapen onvoorzien,
Niet machtig waren, zich te redden en ontvliÍn.
Hier sneuvelde eene macht van vijaudlijke zielen,
Die, in haar bloed gestikt, door onze degens vielen.
Wij houden ít veld. Men wijdt Jupijn een zegemerk;
Men voert den wapenroof der dooden, uit het perk
Des oorlogs, in de stad. Een ander brocht de lijken
Met Antigoon in Thebe uit liefde. Trouw moet blijken.
Aldus werd Thebe vast gesold, in haren wal,
Door voor- en tegen-spoed en allerlei geval.
REI.

Het ongeval van ít Hof kwetst dí ooren met meÍdoogen
Alleen niet, maar men moet nog aanzien met Zijne oogen
Dees drie van ťťnen stam, te jammerlijk betreurd,
Op ťťne wijs langs ít veld geslingerd en gesleurd.

ANTIGONE.

Ik worde (zonder mijne wangen
En jeugdig aanschijn te behangen
Met eenen sluyer; zonder ít licht
Der oogen en ít beschaamd gezicht
Te dekken, en de ronde keken
Die gloeyendig van purper blaken)
Vervoerd, gelijk een wijnpapin,
Gedreven met een dollen zin,
Om deze lijken te berechten.
ík Versmijt het haarsnoer van mijn vlechten,
De vlammesluyerí van de tuit,
En voere droef den lijkplicht uit.
O Polynices, met veel tranen
En rouw beklaagd van uw Thebanen!
Gij kreegt uw rechten naam ten deel
Schoon uw krakeel geen slecht krakeel
Maar moord op moord was, die de telgen
En ít Huis van Ćdip kwam verdelgen,
Door vloeken en vergoten bloed.
Wat lijk gezang heft mijn gemoed
Met tranen aan en bitter klagen?
O sterfhuis, met mijn doode magen
En drie bebloede doŰn bela‚n!
Mijn bloed, hij noodlot streng vergaan,
De zoons, en moeder, een verfoeide;
Een neÍrlaag, daar Megeer in groeide,
Toen ze Ćdipusí rampzalig hof
Vernielen kwam, en schepte stof
Uit dubbleí en donkre raadselspraken,
Die Sfinx den hals en beenen braken
Wat Griek, wat Ongriok, wie was wijd
Befaamd hij dí oude en onze tijd,
Die dus ter neder werd gesmeten!
Wat vogel, op een eik gezeten,
Of moederloos in dennebla‚n, (*)
Verzelt mijn jammerklacht voortaan?
Ik, arme wees, zal dus, met krijten,
In tranen al mijn leven slijten.
Om wiens wil zet ik, met misbaar,
De handen in ít verwarde haar?
Om haar, wieus borst ik heb gezogen,
En die mij koesterde uit meÍdoogen.
Wee mij! ik trek de vlecht van ít hoofd
Om mijne broeders, mij beroofd,
En dus gewond. O, oude blinden!
Koom mij uit uwen schuilhoek vinden;
Koom voor den dag. Och! laat me, och! laat
U zien in dien bedroefden staat,
Gelijk ge uit dwang de zon moet missen,
Besloten in uw duisternissen,
Toeu uwe hand, verrukt van wraak,
Uwe oogen rukte met den haak
Uit hunne winklen, daar ze scholenĄ
Dat gij verblind door ít hof moet dolen,
Den drempel zoeken, of beschreid
Het hoofd op eene bulster leÓt.
Och, vader! kunt ge mij niet hooren?

ĆDIPUS.

O, maagd ter kwader uur geboren!
Wat roept ge dus, met groot gedruis
En kommen, uit zijn donkre kluis
En bedde hem, die in dees hoeken
Met zijnen stok den weg moet zoeken?
Wat ben ik? Enkel stof en slijk,
Een onbegrave schim gelijk,
Een levend lijk, een droom, verschenen
In een gezicht en fluks verdwenen.

ANTIGONE.

Ik boodschappe u veel ongevals:
Uw beide zonen zijn om hals,
En uwe vrouw, die, waar gij dutte,
Uw blindheid leidde en onderstutte,
En hoedde voor een struikeling.
Och! vader, vader! boom, hoe ít ging.

ĆDIPUS.

Och, dochter! welk een ramp van staten!
Ik kan helaas! geen tranen baten,
Doch stenen kan ik. Dochter! meld,
Hoe zijn ze tí zaaien neÍrgeveld?

ANTIGONE.
O vader! ík zal ít met rouw vertoonen,
En zonder u uit schimp te honen:
Uw noodlots vloek, die moord en brandt,
Holp uwe zonen ook van kant.
ĆDIPUS.

Wee mij, helaas!

ANTIGONE.

                           Waartoe dit zuchten?

ĆDIPUS.

Om dit verlies van mijne vruchten.

ANTIGONE.
Zoo ít licht der zonne u niet ontstond,
En gij, op eenen zelven grond,
Uw vrouw en kinders dood zaagt leggen,
Dat zou, want zien gaat boven zeggen,
Uw hart bestulpen door dien druk.
ĆDIPUS.

ík Verstond der kindren ongeluk;
Maar meld me, o dochter! mijne elende:
Hoe nam mijn bedgenoote een ende?

ANTIGONE.
De legers weenden alle beÓ,
De moeder rukt, op ít veldgeschroi,
Den boezem open, om haar zonen
De bloote borsten nog te toonen.
Een beemd, met kreupelbosch geboord,
Legt buiten voor Elektraís poort,
Een droevig vechtperk voor twee looten,
Gebroeders, recht als kampgenooten,
Twee Marmarijnsche leeuwen, om
ít Gemeen genot en eigendom
Van ít groene dal. De jongelingen,
Van Mavors aangedreven, gingen
Het koude bloed, in zulk een schijn,
Den onderaardschen God Jupijn
Opoffren, daar ze beÓ bezweken.
De moeder, in het hart doorsteken
Van al te groot een rouwe, rukt
Het zwaard des dooden, daar ze bukt,
Ten lichame uit, en drijft met smart.
Het lemmer in haar eigen harte.
De moeder stort, met dit geweer,
In ít midden van haar zonen neÍr.
Wat God, o vader! uwe magen
En afkomst schuldig was te plagen,
Hij zette, op ťťnen dag, dus rijk
Al dí oude oneffenheid gelijk.
REI.
Een zelve dag heeft hem dien wissen slag gegeven;
Men wenschí, dat Ćdipus voortaan gerust mag leven!
KREON.

Nu steek dees weeklacht eens: het is begravens tijd.
Maar luister, Ćdipus! Vůůr ít aangaan van den strijd
WoŻ dí oudste broeder, dat men Hemon zoude paren
Met uwe dochter Antigoon. Ik schonk hem garen
Het rijk ton bruid schat, doch godooge u langer niet
Te blijven binnen het begrijp van dit gebied;
Naardien Tiresias ons spelt, wat ongevallen
En plagen, alzoo bang gij binnen deze wallen
En ít rijk van Thebe blijft, den algemeenen staat
Alom te schromen staan door ít noodlot, blind van haat;
Dies wandel voort! Ik wil u heten noch versmaden,
Maar schrome uw vloeken, en, om elk te hoÍn voor schaden,
Begeere, ít land van zoo veel jammeren tí ontslaan.

ĆDIPUS.

O, Schikgodinnen! is er iemand deerlijk aan,
Wat ben ik, och, helaas! ter kwader uur geboren,
Wien, eer me moeder baart, de vadermoord te voren
Zoo vroeg werd opgelegd door Febusí antwoord zelf,
Die Lajusí avontuur ontvouwde in ít kerkgewelf.
Mijn vader doemt me straks ter dood, als ik voldragen
Ter wereld kome, en acht zijn zoon voor een geslagen
Doodvijand, om zijn dood tí ontwijken door mijn dood,
Ik, nog een zuigling, derf Vrouw moeders borst en schoot,
En word gesmeten, om te stillen vaders zorgen,
Voor wilde dieren, en nochtans ( ít is vreemd) geborgen!
Och, of Citheron, die mij voerde bang en naar,
In ís Afgronds poelen met de vrucht gezonken waar!
Bij koning Polybus most ik een slaaf verstrekken,
Hierna mijn handen mond met vaders bloed bevlekken,
Vergreep me aan moeders echt bloedschendig onbekend,
Werd broeder van mijn zaad en afkomst, dus geschend,
En teffens vaders vloek, vervloekte mijne loten.
Zoo dwaalt mijn brein niet, dat, ten waar het GoŰn besloten,
Ik zelf mijne oogen en mijne afkomst haten zou;
Doch, dit voorbijgegaan, wat staat me in dezen rrouw,
Rampzalige, nu toe? Wie zal den blinden leiden?
Zij die, nu overleÍn, van ít leven is gescheiden?
Ik weet, zij zou het doen, aanschouwde ze het licht;
Of wachte ik op mijn zoons en hunnen kinderplicht? -
Helaas, zij zijn me ontrukt! Och! waar ik jong van jaren,
De nooddruft mocht me licht gebeuren met besparen;
En och! vanwaar? Waarom, o Kreon! mij dus straf
VerneÍrd? Verdrijft ge mij, gij snijdt me ít leven af.
Nog zei de vrees mij tot een voetval niet bewegen,
Al valt me de fortuin van alle kanten tegen;
Rechtschapen adel zwicht, noch worpt zich in het stof.

KREON.
Dat gij ten voetval u geensins verneÍrt, baart lof;
Maar ít land wordt u ontzegd. Men late nu den eenen
Ten hove brengen, maar terstond den algemeenen
Erfvijand, die met kracht zijn vaderland bestreed,
Wegvoeren, zonder dat hem dí eer van ít graf bekleedt.
Men zegge Thebe aan, dat wie ít lijk met stof begrave
Of kranse, het betaalí met zijnen hals en have.
De jongste strekkí, van ít graf versteken, onbeweend
Den vooglen tot een spijs; en gij, die deerlijk steent,
Antigone! hoŻ op te treuren om drie lijken.
Vertrek in ít maagdeslot, en wacht u uit te kijken,
Totdat mijn Hemon u naar ít bruiloftsbed geleidt.
ANTIGONE.

Hoe veel elenden zijn rampzaligen bereid!
ík Betreur de dooden, en vooral den rouw van vader,
Die draagt dit niet ten deel, meer al den last te gader.
Och, Kreon! hoe dus streng? waarom verzwaart ge, knap
En straf, Heer vaders druk met droeve ballingschap?
En hoe bestaat ge, nauw in ít rijksgebied getreden,
ít Rampzalig lijk ten last, zoo straf een wet te smeden?

KREON.
Dit is Eteoklesí en geensins mijne wet.
ANTIGONE.

Onredelijk van hem en u in kracht gezet.

KREON.
Is ít redenloos, met recht den jongsten wil te sterken?
ANTIGONE.

Gewis, zoo ít onrecht is en niet dan kwaad kan werken.

KREON.
Verdient hij niet den hond te strekken tot een aas?
ANTIGONE.

Die straf der misdaad is een misdaad, boos en dwaas.

KREON.

Hij heeft zijn vaderland bestreden onrechtvaardig.

ANTIGONE.

En boette ít met den hals, maar was die straf niet waardig.

KREON.
Hij boete ook buiten ít graf zijn lasterlijke daad! (*)
ANTIGONE.

Wie vaders erfdeel eischt, bedrijft die eenig kwaad?

KREON.
Hij derve dí aarde. Laat dit vonnis u behagen.
ANTIGONE.

ík Wil hem beklagen; laat de stad hier over klagen!

KREON.
Zoo graaft ge u zelve een graf, en volgt hem wien ge dient.
ANTIGONE.

Het is heel heerelijk te leggen bij een vriend.

KREON.
Trouwanten! tast haar aan, en brengt ze daadlijk binnen.
ANTIGONE.

Wij scheiden niet van ít lijk des dooden, dien we minnen.

KREON.
O, dochter! God beschikt het anders dan gij meent.
ANTIGONE.

God wil niet, dat men doŰn mishandele oubeweend.-

KREON.
Wie aarde op ít lichaam worpt, dat strekke hem ten laste.
ANTIGONE.

O, Kreon! ík bidde u nog ter liefde van Jokaste.

KREON.
Verloren moeite, rust; ik keer4 me aan geen geklag.
ANTIGONE.

Ten minste gun me, dat ik ít lichaam wasschen mag.

KREON.
Het lijk te wasschen zij op lijfstraf ook verboden.
ANTIGONE.

Laat mij de wonden dan bedekken van den dooden.

KREON.
ík Verbiede al, wat het lijk des dooden strekt tot eer.
ANTIGONE.

Ten minste gun me een kus voor broeders mondĄ niet meer!

KREON.
Wacht u, de bruiloft met den lijkrouw hier te steuren!
ANTIGONE.

Hoe, zoude uw zoon mij tot een echten man gebeuren?

KREON.
Dat is bestemd. Gij kunt zijn huwlijk niet ontgaan.
ANTIGONE.

Ik zal, als Danausí bloed, een bruiloftsmoord begaan.

KREON.
O, welk een trotschheid! Hoe vermeten durf ze spreken!
ANTIGONE.

Dit zwaard zal tuigen, en ik zweer dien smaad te wreken.

KREON.
Maar om wat reden vlucht gij ít huwlijk van mijn kind?
ANTIGONE.
Opdat ik vader volg. in ít vluchten, arm en blind.
KREON.
Gij zijt groothartig, maar verstandeloos vermeten.
ANTIGONE.

Ik sterf met vader, waar hij sterft; dit moet ge weten.

KREON.
Te lande uit, eer mijn zoon om hals raakt door uw zwaard.
ĆDIPUS.

O, dochter! ik verheffe en love uw dappren aard.

ANTIGONE.
Och, vader! hoe zoude ik gaan trouwen, gij gaan zwerven?
ĆDIPUS.

Leef hier in weelde; ik draag mijn last, en wil u derven.

ANTIGONE.
Wie zoude uw blindheid dan bezorgen overal?
ĆDIPUS.

Waar mij het noodlot stuurt, daar legge ik; ít val zoo ít val!

ANTIGONE.

Waartoe kwam Ćdipus, die ít raadsel openbaarde!

ĆDIPUS.

Een zelve dag holp me op, en smeet me weÍr ter aarde.

ANTIGONE.

Behoorde ik niet in ít leed te deelen, dat gij erft?

ĆDIPUS.

ít Is schande, dat een maagd met vaders blindheid zwerft.

ANTIGONE.

Niet voor een zedige, maar trotsche, hem ten laste.

ĆDIPUS.
Breng mij hij moeders lijk, dat ik het nog eens tast.
ANTIGONE.

TreÍ toe, genaak het lijk van dí afgebeelde vrouw.

ĆDIPUS.
O moeder, bedgenoot! hoe deelt ge in mijnen mouw!
ANTIGONE.

Och, onder hoe veel leeds moet ze eindelijk bezwijken!

ĆDIPUS.
Waar vinds ik twee gebroÍrs? Waar leggen hunne lijken?
ANTIGONE.
Zij leggen zij aan zij ter aarde, schuw van ít licht.
ĆDIPUS.
Laat mijne blinde hand eens streelen ít aangezicht.
ANTIGONE.
Nu tast uw doode zoons eens alle beÓ; treÍ nader.
ĆDIPUS.
Bedroefde doŰn, geteeld ven eenen droeven vader!
ANTIGONE.
O, Poiynices! och, wat was uw naam mij waard!
ĆDIPUS.
Nu is voltrokken, ít geen mij Febus openbaardí.
ANTIGONE.

En staat u nog meer leeds te schromen na uwe erven?

ĆDIPUS.

Dat ik tí Athene nog in ballingachap zal sterven.

ANTIGONE.

In welk gewest. trekt gij naar Athene heen?

ĆDIPUS.
Naar Kolon, God Neptuun geheiligd. Gij alleen
Stut vader, om hem in zijn ballingschap te leiden.
ANTIGONE.

Nu ga in ballingschap, en geef me nog in ít scheiden
De hand, o oude man! en laat u mijne ziel
Geleiden, als de wind een afgevare kiel.

ĆDIPUS.
Ik ga, elendig kind! geleÓ me met uw tranen.
ANTIGONE.
Dí eleudigste van al de maagdeu der Thebanen!
ĆDIPUS.
Waar zet ik mijnen wauklen voet?
Geef mij den staf, mijn kind, mijn bloed!
ANTIGONE.

Dit henen, vader! ga dit henen,
Als in den droom, met zwakke beenen.

ĆDIPUS.
Och, jammerlijke ballingschap!
Zoo ziet men, met een zuren stap,
Den ouden uit het land gedreven
Van Kreon. Ocb, de beenen beven!
Wat komt, wat komt me al over! Och!
ANTIGONE.

Wat draagt ge al, en wat lijdt ge nog!
Rechtvaardigheid beloont geen vromen;
De booze hoeft geen straf te schromen.

ĆDIPUS.
Ik ben de man, die hemelhoog
Verheven zat in ieders oog,
Toen ik, als ít gansche land verflauwde,
Het raadsel van ít gedrocht ontvouwde.
ANTIGONE.

Wat moogt ge ophalen al uwe eer,
Genoten, toen ge, Sfinx ter neÍr
Gesmeten, raakte aan ít overwinnen;
Zet dí ouds zege uit uwe zinnen!
Apollo spelde u, in zijn woud,
Dat gij ís lands balling sterven zoudt;
En ik, o vader! nu ten leste
Gescheiden uit dit landgeweste,
Dat nooit gehoord is van een maagd,
Wordt van mijn speelgenoots beklaagd,
Die nokkende haar rede schorten,
En over mij haar tranen storten.

ĆDIPUS.
O, edelmoedige aard!
ANTIGONE.

Mijn vader, dus bezwaard,
Gaf mij dien adel. Onverzaadheid
Van rouwe drukt me, om dees versmaadheid
Van broeder, leggende in het stof,
En onbegraveu buiten ít hof;
ík Zal hem begraven met verlangen,
Al zou ik hier den hals aan hangen.

ĆDIPUS.

Ga, naar uw speelgenoten heen!

ANTIGONE.

Die leerden al ons droef gesteen.

ĆDIPUS.

Stort uw gebeden voor dí altaren.

ANTIGONE.

Die zijn verzaad van ons misbaren.

ĆDIPUS.

Ten minste ga naar Bacchusí kerk,
Gebouwd ten hemel aan het zwerk,
Op dezen berg, voor wijnpriestrinnen.

ANTIGONE.

Voorhene dansten wij daar binnen
En langs den berg, op zang en spel,
Omgord van ít rosse hartevel,
Een dans, om Semel te behagen,
En ook den Goden, die ons plagen.

ĆDIPUS.

Befaamde burgers! nu zie uit wie uitzien kan:
Hier is dees  Ćdipus, de wijd vermaarde man,
Ontvouwer van dí alom bekende raadselvouden,
En die ít moorddadig Sfinx, welke klauwen ít volk verslonden,
Alleen den hals brak en nu, jammerlijk verkort
In eere, als balling ís lands, van elk vesatooten wordt.
Maar waarom zich vergeefs beklaagd voor ieders ooren?
De mensch moet dragen, wat de Goden hem beschoren.

REI.

Doorluchte zege! vaar zoo voort
En kroon mijn wandel, zoo ít behoort. 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001