Joost van den Vondel (1587-1679)

GEBROEDERS


HET EERSTE BEDRIJF

ABJATHAR, REI VAN PRIESTEREN

ABJATHAR.

De wakkre haan heeft lang den huisman opgekraaid.
De starren aan de lucht zijn bleek, en dun gezaaid,
En voor de morgenstar en hare komst geweken.
Het licht genaakt allengs, en arbeidt door te breken.
Een ongezonde damp benevelt als het plag,
Het Oosten, ítwelk ons dreigt met enen bangen dag,
Die ít landschap roosten komt met gloeiende garelen.
Ik heb gerucht gehoord van muilen, en kamelen,
En mannen, onder aan den berg, inít naaste dal.
Datís mij een wisse bo, de konink is er al,
Die gistren schreef, dat hij, voor zon en haar geboorte,
Hier zelf te Gabaš zou wezen aan de poorte.
Tíis tijd en meer dan tijd, dat wij hem tegens gaan,
Om in den dieren tijd iet nodigs voor te slaan.
De heirhaan valt te lang: dit voetpad loopt veel nader.

REI VAN PRIESTEREN.

DíAartspriester stijg beneen: wij volgen allegader.

DAVID, LEVIJTEN

DAVID.

Daar rijst de zon, gevlakt met bloed inít aangezicht,
En komt met hatelijk en ongezegend licht
Den jammerlijken staat der omgelege plekken
En haar gelegenheid al wederom ontdekken.
Wij zullen voort te voet gaan klimmen met de zon.
Levijten, die mij volgt van Sion, Gabaon,
En Nobe, en andre steen; komt, geeft u aan mijn zijen.
Zo moet ons deze reis, een Godsreis, wel gedijen.
Zo geef díAlmachtige ons een uitkomst in der nood.
Zo open God alweer Zijn vaderlijken schoot,
Gelijk Hij is gewoon, voor zijn verlege knechten,
Opdat ze Hem een kroon van dankbre galmen vlechten.
Mij leit een zwarigheid, mij leit wat op de leÍn.
Mijn hoop ziet licht te moet, maar door een nevel heen,
Hij, die den hemel veegt, en ít onweer doet bedaren,
Wil in mijn mistig brein het weder op doen klaren.

LEVIJTEN.

Wie daalt er van den berg, gelijk een nieuwe star,
Die ondergaat? Dit schijnt díAartspriester Abjathar,
En Aronís dubble rij met witte linne rokken.
Hij komt, gelijk een god, alleen vooraan getrokken,
Opít allerstatelijkst, en schittert met den gloed
Van borstgesteente en riem en tulband ons te moet.
Mij dunkt, ik hoor alree, terwijl hij aankomt pralen,
Den galm van zijn gewaad, gezoomd als met cimbalen,
En zie hoe ít voorhoofd straalt van schrift, waaruit ik raam
En spel Gods majesteit en aangebeden naam.

DAVID.

Hij koom met zegen aan, in dees vervloekte tijden,
En jaag roŰ wangen aan die Sions heil benijden.
Getrouwe God, gij weet, ik koom in dit gewest
Alleen ten dienst uws volks en omít gemene best;
Verleen me, dat dit strek uw majesteit ter ere,
En ik niet ongetroost van dezen heuvel kere.
De blinden zoeken heul aan ijdle wichlerij,
Uit starren, vogelvlucht, of andre razernij
Van spook, of ingewand en vezelen van dieren,
En al wat ongeloof met logens kan versieren.
Wij zoeken troost aan u, die ít al zijn voedsel geeft,
En op de vleugelen der Cherubinnen zweeft;
Dies laat dit opzet u gevallen en behagen,
En begenadig ons, nu wij u komen vragen.

ABJATHAR, REI VAN PRIESTEREN, DAVID

ABJATHAR:

De stam van Juda bloei in David zonder end.

REI.

De stam van Jesse groei in David ongeschend.

ABJATHAR:

Dat hem noch donderslag, noch hagelbuie treffe.

REI.

Dat hij zijn kruin en kroon tot aan den hemel heffe.

DAVID.

Gij priesterlijke schaar, die van Gods ijver blaakt,
En hier voorít heiligdom, de goude Bondkist, waakt,
De hemel zegen u voor dezen morgenzegen.
God zegen dees landouw met enen versen regen.
God sprei een vruchtbren dauw op dorpen en op steÍn.
Hoe komt ge zo bedrukt gestegen naar beneÍn?
En waarom biggelen de tranen langs uw wangen?
Wel Arons zonen, hoe? hoe laat gij ít hoofd dus hangen,
Verzwarende den last, dien gij alleen niet draagt?
Of drukt u weer wat nieuws? Laat horen wat gij klaagt.

ABJATHAR:

De nood, gezalfde Vorst, beschermer der gemeente,
De dierte en hongersnood inít rammelend gebeente
Vanít magere uitgeteerde en kwijnende IsraŽl,
Een schim, een geest gelijk, en enkel been en vel.
Dit jammer heeft geduurd drie jaren na malkanderen,
De droogte duurt: de lucht weet nog van geen veranderen.
De huisman ploegt vergeefís, al díakkers leggen woest.
De zaaitijd, onbeloond van een ondankbren oegst,
Schreit deerlijk, jaar op jaar, den hemel aan, dien ít manen
Van mensen en van vee, en ít zuchten, en de tranen,
Van den gespleten grond en dorstig loof en gras
Gelekt, niet meer vermurvrt, alsof hij koper was.
De rups en sprinkhaan eet het bloeisel met de knoppen,
En plondert alít gewas. Van díallersteilste toppen
Der bergen tot het diepst der dellingen, alít land
Leit van den Zuidenwind of gloende zon verbrand.
De korenmaaiers zien verroesten hunne zeisen.
De burger, als hij komt den landman garven eisen,
Of olie, of olijf, of vijg, of druif, of wijn,
Of dadel, of granaat, verneemt in welk een schijn
Díonvruchtbre wijnberg staat: hoe díakker hem bejegent,
En aanziet zo bedrukt. Dan keert hij ongezegend
Met lege handen thuis, en kropt, verkropt van rouw,
Zijn hartewee, uit zorg voor zijn bekrete vrouw
En arme kinderen; díeen ouder, díander jonger,
Hem schreeuwende te moet, geperst van bittren honger,
Als jonge zwaluwen, die schier verstikt, helaas!
Aanhijgen ít moede paar, dat thuis komt zonder aas.
De nood staat op den top en ít uiterste gesteigerd.
Wij storten te gelijk, zo gij handreiking weigert,
En niet in Kanašn een tweede Jozef strekt.
Gij hebt met uwen schild zo menigmaal bedekt
De Vaders, die om troost voorít Heiligdom verschijnen.
Gij hebt het Rijk beschut voor wrede Filistijnen,
En Gods geslacht verlost, ítwelk God hierover roemt,
En David, onder Hem, der stammen heiland noemt:
Maar al uw dapperheid en ere gaat verloren,
Tenzij gij ít leven stut met water en met koren;
Want tíis vergeefs beschermd zijn volk en onderdaan,
Indien men hen van dorst en honger laat vergaan,
En ruimt Gods vijanden, rechtvaardig uitgedreven,
Dees rijken in, die God zijn erven had gegeven.

DAVID.

Aartspriester, ijveraar voor díeer van Abramís God,
Die u verheerlijkt heeft met zo een heerlijk lot,
Wat klaagt ge mij inít lang der stammen nood en smarte?
Ik weet dit al te wel: ik trek dit meest ter harte.
Dees zwarigheid raakt mij en mijnen scepter meest.
íKheb Moab, Amalek, noch Ammonís zwaard gevreesd,
Maar wel dit scherpe zwaard des hongers. Wie kanít vluchten
Wie God ontvliÍn? Ik breng de dagen door met zuchten,
De nachten zonder slaap, uit zorg voorít algemeen,
En zocht met offerande en vasten en gebeÍn
En tranen menigmaal het heil der dorre landen:
Maar díAllerhoogste slaat beloften, offeranden,
En gaven in den wind. Gij zelf kunt tuigen hoe
Ik ijverde voorít volk, en wenste dat Gods roe
Den herder strafte, in stee van deze onnoozle schapen.
Nuít anders niet mag zijn, isít best dat elk zich wapen
Met nederig geduld, gelijk OíAartsvaders deÍn,
Die elk, geperst als wij, met dezen vijand streÍn.
Ik ben een sterflijk mens, geen God, die ítgras laat groeien,
En ít aardrijk op zijn tijd met regen kan besproeien.
Die ít stomme vee voeragie, en raven aas bestelt
Inít wezennest, heeft weer en wind in zijn geweld.
Die Vader mag zomwijl zijn kinderen beproeven,
En weigeren een poos, ítgeen zij tot nooddruft hoeven,
Hem isít bewust waarom: doch eer het wordt te spa,
Daalt Hij van boven neer met hemelse gena,
Opdat die met meer smaaks inít uiterst werd genoten.
Zo snoeit de hovenier zijn al te dartle loten,
Opdat de wijngaard zelf met ene milder rank.
Hem in de druivensnee voor zijnen arbeid dank.
íTgeen nadeel schijnt inít oog van een beneveld oordeel,
Gedijt tot vruchtbaarheid en wenselijker voordeel;
Dies laat ons, onderít juk van luttel tegenspoed,
Niet morren, om de hoop op een veel groter goed.

ABJATHAR:

Díervaren arts beklaagt alleen niet ít kranke bedde,
Maar zoekt de bron vanít kwaad, opdat hijít heel en redde.
Wat hindert ons, dat wij met God te rade gaan?

DAVID.

Ditís díoorzaak van mijn komst. Men ving nooit beter aan.
Ik volg u zij aan zij, daar gij mij heen zult leien.

ABJATHAR:

Gij priesters, volgt ons spoor met stichtelijke reien.

REI VAN PRIESTEREN

ZANG.

Toenít ongehoorzaam zaad van Kis,
Begaan, om díuitkomst van den slag
Nu vůůr de hand te weten,
Door droom noch borstgeheimenis
In Gods geheimenissen zag,
Noch licht kreeg bij profeten,
Zocht hij zijn troost aan toverspel,
En vraagde tíEndor aan den geest,
Wat hem zijn hoop beroofde.
Inít end verrees er SamuŽl,
Die hem, nu deizende en bedeesd,
Een dageraad beloofde.
Tíwas SamuŽl, of tíwerd geloofd,
Omít zijden kleed en ít grijze hoofd.

TEGENZANG.

ĄWat steurt gij mijn gerusten slaap,
En roept mij uit het nare graf,
O Vorst van God geslagen?
Gij spaarde koe, en ram, en schaap,
En Agagís hoofd, gedoemd ter straf,

En zult er straf om dragen.
Ik zie den purpren rok gescheurd,
En David op den troon gesteld.
Gij zelf met uwe zonen
Geveld, gestroopt, beschimpt, gesleurd,
Daarít heir bedekt het rokend veld,
Zult morgen bij ons wonen.Ē
Zo sprak de geest, en nam de wijk.
De vorst was síandren daags een lijk.

TOEZANG

Doch Jesseís uitgeleze spruit,
Begaan om díuitkomst van zijn lot,
Na drie verlege jaren,
Ziet naar gespook noch wichlaar uit,
Maar zoekt godvruchtig raad bij God,
Die díoorzaak kan verklaren,
Waarom dees dierte Jakob praamt.
Wie God betrouwt, zit niet beschaamd.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001