Joost van den Vondel (1587-1679)

GEBROEDERS

HET TWEEDE BEDRIJF

REI VAN PRIESTEREN, GABAONNERS

REI.

Gij Gabaonners kwaamt nooit zo van pas als nu,
Opít koninklijk ontbod. De konink wacht naar u.

GABAONNERS.

Wat antwoord heeft de vorst op zijn verzoek gekregen?

REI.

íTwaar kunst dit juist te ra‚n. Deze antwoord wordt verzwegen.

GABAONNERS.

Isít een geheimenis, die niemand rieken mag?

REI.

Het zij dan wat het wil; tíis anders als het plag.

GABAONNERS.

Díomstandigheid heeft dik ít verborgen aangewezen.

REI.

Der heren boeken zijn te donker om te lezen.

GABAONNERS.

Zo vragen wij vergeefs naar uitkomst en bescheed?

REI.

Met recht vergeefs. Waarom? Gij vraagt meer als ik weet.

GABAONNERS.

Zo kan men uit uw mond geen wisse tijding krijgen?

REI.

zoo Al wat verborgen is, dat moet men wel verzwijgen.

GABAONNERS.

Zo meldt ons nu alleen hetgeen u is bekend.

REI.

Zoít spreken veilig zij.

GABAONNERS.

                                     Hier is geen mens ontrent.

REI.

Díaartspriester met den vorst trad met versaagde zinnen,
Daar inít Levijts gewelf ons goude Cherubinnen
Met heldre vleugelen de Bondkist met haar schat,
Als stene tafelen, het manne inít gulden vat,
Ašronís mandelstaf, en Mozesí wetboek dekten,
Of den genadetroon, waarover zij zich strekten.
Díaartspriester stond en bad. De konink volgde hem.
De wedergalm verried des bidders schelle stem:
ĄOnzichtbre Zon, die straalt van aller heemlen hemelen
In díaardse duisternis, waarin díaardwormen wemelen
En kruipen in het stof, waarvan zij zijn gemaakt
Zo bros, dat alles smelt, wat al te stout genaakt
Uw onbegrijpelijk onendig eeuwig Wezen
En Godheid, waarvoor zelfs de zeven Englen vrezen
En zidderen, daar zij, gehogen en bereid,
Gehoorzamen den last der Oppermajesteit:
Uw huisvriend Mozes dorst zich nauwelijks vertrouwen
Uw Godheid met een blik van achter eens tíaanschouwen;
En wij vermetelen, zo menigmaal besmet
Doorít overtreen vanít perk der donderende Wet,
gestaan uw voetschabel en zetel nog te naderen,
Daar gij u zetten woudt, tot troost en heil der Vaderen,
En strekken hun in nood een vaste toeverlaat:
Wij radelozen gaan, o God, bij u om raad,
En smeken, nu bijkans uit onzen a‚m gekreten,
Doorít smarten uwer roede, op Isrelís rug gesleten:
Erbarm u overít volk: gedenk aanít oud verbond,
BeŽdigd hoog en dier met ongvalsten mond,
En lei ons tot die wel, waaruit dees droogten vloeien;
Opdat men díaders stop, en díakkers weer aanít bloeien,
Wij u, al zingende, gaan offíren díeerste vrucht,
En met een dankbren reuk beroken al de lucht.Ē

GABAONNERS.

Zo worstelt men met God. Dat bidden doet mij hopen.
De kopren hemel dreunt: zijn sloten springen open.

REI.

íKverzekerít u. Mij docht ik hoorde een groot gedruis,
Gelijk een storremwind, waarvan het ganse huis
En díaarde en wat er was beweegde, en loeide, en brulde.
Naít onweer daalde een wolk, die al het huiskoor vulde,
En zwanger van een gloed inít ende aanít baren kwam.
Dat zette zich, gelijk drie kringen, ťne vlam,
Op bei de vleugelen der Cherubinnen neder;
Die kaatsten vast dien glans en weerglans heen en weder.
Díaartspriester, sidderende, ontving inít aangezicht,
En schittrend borstjuweel het weerlicht van Gods licht.
Hij zag er ít borstgesteente en zijne letters zwellen
Van helderheid, en kon hier uit ít Orakel spellen.
Ditís al wat hij ons meldde, inít uitgaan van het koor,
Maar hiel Gods raad bij zich. De konink ging vast voor.
Wij letten opít gebaar, om iet hier uit te ramen,

GABAONNERS.

Hoe droegen zich die beide, als zij te voorschijn kwamen?

REI.

De vorst der priestren scheen nu ruim zo welgemoed,
De konink heel verbaasd. Hetzij dan dat het doet
Gods antwoord, ofít ontzag der Godheid, daar verschenen;
Hoeít zij of niet, men heeft hem deerlijk horen stenen.
Zij gingen beide, schuw van ons, aan díene zij
Bewandlen, heen en weer, de lange galerij,
En hielden zomtijds stand, inít midden van hun rede,
Een ieder om het drokst. Mij docht: díaartspriester dede
Zijn uiterste, om den vorst tíontvouwen síhemels zin,
En stampteít hem al vast met duim en vingren in.
De konink schuddeít hoofd, als oneens met malkanderen.
Hoe dikwils wenste ik wel in marmor te veranderen,
Of stom, als een pijlaar, bij dit gesprek te staan:
Want hoe het zij, daar is wat wichtigs omgegaan.
Díaartspriester wenkte inít end. De konink scheen te schromen.
ĄGaatĒ, sprak hij, Ąziet eens of ons Gabaonners komen.Ē
Daar is de konink zelf: daar komt hij: ik ga heen.
Hij ziet naar u: ik ga: nu spreekt hem zelf alleen.

DAVID.

Gods gramschap houdt tot nog den hemel dicht gesloten,
Om SaŁlís moordgeslacht en ít bloed van hem vergoten
Te Gabaon. Zo luidt ít Orakel in Gods spraak.
Dat lang vergoten bloed klaagt nog, en schreit om wraak:
Nu wenste ik, dat wij die, waarít mogelijk, verzoetten,
En vraag u, wat gij eist, omít gruwelstuk te boeten,
íTwelk SaŁl heeft begaan, aanít Gabaons geslacht.
Wat eist ge tot een zoen? opdat, uw hart verzacht,
Gij síhemels erfdeel gunt een ongeveinsden zegen,
En God alít land verkwik met een gewensten regen.

GABAONNERS.

O Rechter van de goŰn, die niemands recht verkort,
Maar recht spreekt daar omhoog, alsít hier geweigerd wordt;
Die niet verblind door haat, noch omgekocht door giften,
Als aardse rechters hier, eenzijdig gaat inít schiften;
Noch, na vier eeuwen tijds, het schenden van den eed
En ít schendig ongelijk des vreemdelings vergeet:
Wij danken u, o God: gij geeft ons stof te zingen,
Dat gij de vierschaar spant, tot troost der vreemdelingen.

DAVID.

Laat horen wat gij eist, tot boete van die schuld.

GABAONNERS.

De konink hoor ons klacht, en neem zo lang geduld.

DAVID.

Ik zal u, klaagt vrij uit, niet weigeren te horen.

GABAONNERS.

Zo ras te Gabaon onze oudren kwam ter oren,
Hoe Jozua Gods heir voerde over ons Jordaan,
Die als een glazen muur bleef voor de Bondkist staan;
Hoeít fiere Jericho, met zijn onwinbre wallen,
Verschrikt vanít veldgeschrei, zo plotseling gevallen,
De stad van Ai in días, de konink met de koord
Geworgd, inít gloeiend puin der omgeplofte poort
Gestopt lag, en alít land en díaangegrensde heren
Zich wapenden om strijd, om dit geweld te keren;
Toen vonden in der ijl onze ouders dezen vond,
Tot noodweer voor den slag, die hun te vrezen stond:
Zij laadden ezelen met halfgescheurde pakken,
Verschimmeld meel, en wijn in afgeslete zakken;
De boden achter hen, met tenen door den schoen,
En oude klederen, om argwaan te verhoÍn,
Ontmoetten zo Gods held, en zochten hem te zoenen,
Daar hij te Gilgal lag, met al zijn paveljoenen.
ĄDoorluchtste,Ē spraken zij, Ądie Mozesí ambt bewaart,
Wij vallen u te voet: wij kussenít grimmig zwaard,
Van díallersterkste hand u in de vuist gegeven,
Tot schrik der koningen, die voor uw aantocht beven.
Wij weten van den Nijl, en van het Rode Meer,
En Sihon, lang gestort inít zegenrijk geweer,
En komen u van ver ontmoeten, als uw slaven.
Wij bidden u, versma toch niet dees slechte gaven,
Verzuurden drank, en kost, beschimmeld, en gesleurd.
De lankheid van de reis heeft zak en pak gescheurd.
Aanvaard ons inít verbond, en wil ons niet verstoten
Men zwoer hierop: men nam hen aan voor bondgenoten.
En of dit stuk terstond wel klaar kwam aan den dag,
Nog dorst Gods held dien eed niet breken, uit ontzag
En vreze, dat dit leed en ongeval mocht baren;
Maar doemde hen alleen ten dienst van Gods altaren.
Tígerucht nog nauwelijks gelopen en verspreid,
Ons koninkstad, van vijf gekroonden hard beleid,
Zocht hulp bij Jozua, die hun opít lijf gekomen
Verjoeg, en ving dees vijf, en hing ze aan zoveel bomen,
Na enen zwaren slag, toen God dien hagel zond,
Enít licht van zon en maan een dagreis stille stond.
Zij poogden sedert zich gewilliglijk te kwijten,
Gehoorzaam volk en vorst, gedienstig den Levijten,
En droegen water aan, en kloofden offerhout;
Totdat de scepter werd, ter kwader uur, vertrouwd
Den dollen zoon van Kis, die godloos en verwaten
Hen overgaf ten buit zijn woedende soldaten
En DoŽg, wiens geweer nog rookte van dien moord
Der priestren en van Nobe, erbarmelijk verstoord,
Alleen om luttel spijze, enít Reuzezwaard, gegeven
Zijn eige dochters troost, tot redding van zijn leven.
Dit had nog schijn, maar laas! wat lei men ons te last?
De Gabaonners zijn aan Leviís kinders vast.
Zo heer, zo knecht: ťťn aard: alle enerlei gezellen,
Die síkonings vijand spijze en wapenen bestellen:
Wie draagt het overschot der heidenen ontzag?
O dag, dien Gabaon met recht vervloeken mag!
Alsít moordgetij verjaart, zo menig jaar verstreken,
Dan zoudt ge, o vorst, ons hart van hartewee zien breken:
Hoe elk zijn kleders scheurt, en God ter vierschaar daagt
Op der vooroudren graf; zodat alít landschap waagt,
En alle vier ons steen, en heuvels klippen kuilen
Met naren wedergalm nabauwen op dit huilen,
En kermen, en misbaar, dat ziel en lichaam krenkt.
Geloofd zijít hemels Recht, ítwelk ít onrecht dus gedenkt.
Och och! dit hartewee zal ít hart nog overstulpen.

DAVID.

Mijn kinders, zijt ge dan met sílands bederf behulpen,
Dat gij den hemel dus met bittre tranen tergt,
En haalt dit slechte volk, dat nodig dient gebergd,
Meer plagen op den hals, en spant Gods boog nog stijver.

GABAONNERS.

Dat schelmstuk dorst hij nog verbloemen met Gods ijver,
Voor Juda, IsraŽl, en wat men wijders zoekt.
Het waren Amoreen, in Mozesí wet vervloekt.
Zij hadden Jozua met schalkheid onderkropen.
Men mocht niet slechs, men most dien band des eeds ontknopen,
Of houwen door en door met Gods gerechte kling.
Hetwas een zaak, daar Gods en sívorsten kroon aan hing.
Zo stortte men ons bloed. Zo viel men in ons have.
Zo trappelden ze opít hart den onderdrukten slave.
Kariathiarim, Kaphira, BeŽroth,
En Gabaon
, schept moed: uw moordklacht klimt voor God.

DAVID.

Waardeert het ongelijk en uw gelede schade,
Doch zulks, dat gij die straf nog mengelt met genade.
Bespreekt u onderling, gaat ginder aan een zij.
Och SaŁl SaŁl, hoe veel kwaads berokkent gij!
Hoe heeft dit bloed zo lang op uwen kop gedropen!
Al komt de wraak ter sluik en sluipende aangekropen,
Zij komt inít end gewis, om hoofdsom en verloop
Al teffens
. Wat tiran had ooit aan moordkost koop?
Hoe wrokt dit op uw graf, naít rotten vanít gebeente!
Al wat de vorst verbeurt, betaalt de goe gemeente.

GABAONNERS.

Wij hebben ons bera‚n.

DAVID.

Wat eist ge tot een zoen?

GABAONNERS.

Het is, o vorst, om goud noch zilver niet te doen.
Ditís bloed- en halskrakeel. Sta vast, het kost hier koppen.
Dees bloedwel is met goud noch zilver niet te stoppen.

DAVID.

Ik zal van mijnen troon afstijgen tot gebeÍn
Voorít uitgemergeld volk. Wat heeft dit niet geleÍn
Drie jaren achtereen! Wat hebt gijít niet zien knagen!
Wat onspijs heeft het niet al rauw inít lijf geslagen!
De kaken vallen in. íTgeraamte steekt doorít vel.
Erbarmt u overít flauwe en kwijnende IsraŽl,
Noch tapt, ai tapt niet af van hun, die nauwlijks leven,
Dit luttel bloed, dat nog in díadren is gebleven.

GABAONNERS.

Het volk beklaag zich niet, tíwas met dien moord verkuist,
En loech, om ons bederf en schennis, in zijn vuist:
Nog willen wij dees straf besnoeien en besnijden.
Geen mens in IsraŽl zal om dees bloedschuld lijden,
Maar SaŁlís godloos huis en zijn vervloekt geslacht.

DAVID.

Ik hoopte of u zijn val een weinig had verzacht,
Die zulks is, dat ze wel dees strafheid hoort te minderen.
Verhaalt ge sívaders schuld aan kindren en kindskinderen?

GABAONNERS.

Aan kinderen en kroost, den vader heel gelijk,
Handhavers van dit stuk, aan pesten in uw Rijk.

DAVID.

Hoe was ik dan best af dees schandelijke smette?

GABAONNERS.

Wij willenít hoofd, ítwelk ons vermorzelde en verplette
Al tíonrechtvaardiglijk, zo kneuzen, dat er niet
Van dezen boom, ja tak noch wortel overschiet,
Enít Rijk van SaŁl vraag (indien ze nog geloven,
Dat hij er eertijds was) waar SaŁl is gestoven.
Wij willen SaŁlís as gaan ziften, ít fijn enít grof,
En lachen, als de wind nog guichelt met zijn stof.
De konink lever ons nu daatlijk zeven gasten,
Zijn zonen, dat wij hen, geworgd aan zo veel basten,
In SaŁlís vaderland, voor Gabaš, eer ít licht
Nog daal, voorít Heiligdom, en in Gods aangezicht,
De Bondkist, in de lucht, ten toon voor ieder hangen.
Zo paait men God en ons: zo gaat het recht zijn gangen.

DAVID.

Vertrekt een poos, en denkt uw eis zo lang eens na,
Als ik met Abjathar en Joab mij bera.
Zij komen hier van pas. Weest niet te straf inít wreken,
Noch wet geen mes, waarmee gij namaals wordt doorsteken.
De lust van wraak is kort, al is die zo ze zou,
Een hete wraak gaat staag verzeld met naberouw.

ABJATHAR, DAVID, JOAB

ABJATHAR:

Mijn vorst, hoe luidt haar eis?

DAVID.

Aleens gelijk gijít spelde.

ABJATHAR:

Ik wist wel, dat dit bloed hun bij den krop opwelde,
En zij een ope wonde in hunnen boezem voÍn.
Gij moet alít overschot van SaŁlís huis verdoen.

DAVID.

Die stam is lang verdord, nu kwijnen luttel telgen.

ABJATHAR:

Die moet ge met een slag voort knotten en verdelgen.

DAVID.

Verdelgen met een slag? Dat vonnis luidt te straf.
O edel bloed, hoe was ik hier mijn handen af?

ABJATHAR:

Díuitvoerder van het recht magít recht niet wederspreken,
Maar voer het vonnis uit, zo vlak alsít leit gestreken.

DAVID.

Zo blindeling, of hij dit vatten kan of niet?

ABJATHAR:

Ja blindeling, daar God zelf oordeelt, en gebiedt.

DAVID.

God heeft dit niet geboŰn, noch zulk een eis geprezen,

ABJATHAR:

God zelf heeft u de bron der landplage aangewezen,
Om ít eeuwig klagend bloed te paaien met dit bloed.
Zij eisen redelijk. Tíis SaŁl dieít ons doet.

DAVID.

Toen ik eens SaŁl zelf, mijn vijand, die in klippen,
Woestijn en wildernis mij najoeg, bij de slippen
Hadde in een hol gevat, en werd geperst zo stijf,
Begon me ít hart van schrik te kloppen in mijn lijf.
Ik deisde een poos, en sprak inít end, tot símans verschoning:
ĄTízij verre, dat ik mij aan Gods gezalfden koning
Vergrijp, uit bittre wraak, en zo mijn handen schen.Ē
Ik stiet mijn volk terug, en brocht hem tot beken.
Ook in den wagenburg, van sívijands leven zeker,
Verschoonde ik hem, vernoegd met síkonings spiets en beker.
Kíbeweende zelf zijn dood, gelijk mijn eige ziel,
Toen hij op Gilboa, op zijn drie zonen, viel.
Ik ijverde van wraak, na SaŁlís nederlagen,
Versloeg hem, die de hand hadde aan den vorst geslagen,
En strafte twee verra‚rs, tot wraak van Isboseth.
Zo luttel heeft mijn hand zich door dit bloed besmet.
Zal ik nu ít overschot met koelen bloede smoren?

JOAB.

Tíis beter zes of acht dan duizenden verloren.

DAVID.

Rampzalig huis, wat leedt gij niet al ongevals?

JOAB.

Zie toe, zie toe, eer gij alít volk krijgt aan den hals.

DAVID.

Het volk is niet zo dom, ofít zal naar reden horen.

JOAB.

Wanneerít van honger raast? De buik en heeft geen oren.

DAVID.

Dit stuk luidt hatelijk, en maakt mijn kroon verdacht.

JOAB.

Om een verworpen huis?

DAVID.

Een koninklijk geslacht.

ABJATHAR:

Weerspannig tegens God?

DAVID.

Die macht heeft zelf te straffen.

ABJATHAR:

God vordert dit van u. God heeft met u te schaffen.

DAVID.

Zal ik bestaan een stuk, daar Benjamin om treur?

ABJATHAR:

Heel IsraŽl om juich, en Juda ít hoofd opbeur.

DAVID.

O Benjamin, hoe no zou ik uw stam verneren.

ABJATHAR:

De staf komt Juda toe, die zal en moet regeren.

DAVID.

Regeren op een troon, gesticht op síanders graf?

ABJATHAR:

God zet den enen op, en rukt den andren af.

DAVID.

Die opkomt denk, hoe licht hij met het rad kan dalen.

ABJATHAR:

Geen tijd kan Judaís rijk en heerschappij bepalen.

DAVID.

Genade en zedigheid bevestig ít nieuwe rijk.

JOAB.

Een onderdrukte stam vergeet geen ongelijk.

DAVID.

Wie zich vergrijpt, zal dan met recht zijn misdaad boeten.

JOAB.

Dat altijd wrokkend huis zal heimlijk leggen wroeten.

DAVID.

Zo heimlijk niet, het berst of hier of ginder uit.

JOAB.

Een ingeborste zee wordt nimmermeer gestuit.

DAVID.

Men heeft dat bloed gestuit, toenít machtig aan kwam bruizen.

ABJATHAR:

Na zoveel jaren krijgs, gevoerd van bei dees huizen.

DAVID.

Dat huis leit nu te vlak om weder op te staan.
Zij zien, hoe Absolon het muiten is vergaan,
Met al die van mijn heir ter zijden uit durf spatten.

JOAB.

Nog vreesde Seba niet het oproer te hervatten,
Niet steelwijs, noch met list, maar stekende trompet.
Hadt gij op SimeÔ, alsít billijk was, gelet,
Het waar met Seba nooit op oproer uitgekomen.
Die Benjaminner voelde uw slapheid inít betomen
Van wederspannigheid. Hij daalde van dien stam,
Waaruit dit koninklijk geslacht zijn oorsprong nam.
Hij zag hoe veel gemoÍn vast bitterheden broedden,
Om tegens Davidís hof en Judaís stam te woeden;
Wat vonken onder días nog smeulden meer en meer,
Uit zucht die ít vollek droeg tot zijnen eersten heer.
Símans stoutheid kwam er bij, die zo met stijve kaken
In dove kolen blies, dat straks uit alle daken
De lichte vlamme sloeg van díeen in díandere stad;
Een brand, waaraan uw kroon genoeg te lessen had.

DAVID.

Ik hoorde ít wreeflig hoofd van Abelís muren ploffen.

JOAB.

Zo wacht uw hoofd en kroon, gij moogt er niet op sloffen.
De hemel kaatst u toe: dies neem dien slag nu waar.
God geeft gelegentheid; men grijp haar voort bijít haar.
God, om een vasten stoel te stichten voor uw erven,
Zwoer zelf den val vanít hof, hetwelk hen mocht bederven.
Hij voert zijn opzet nu door Gabaonners uit,
En wreekt zich door hun wraak: en schut gij Gods besluit?
God kent den aard des volks, dees wispelture zielen,
Die, als een eb en vloed, vanít een opít ander vielen.
God roept: men dreigt u op te komen onverhoeds.
Men blust een groten brand met enen emer bloeds.

DAVID.

Ik trek met wil geen eer uit schoonva‚rs smaad en schande.

ABJATHAR:

Der goddelozen straf verstrekt een offerande
Voor God. Of deze u schoon door huwelijk bestaan,
Maak van de nood een deugd. Men ziet geen maagschap aan,
Daarít koninkrijken kost. God zelf heeft u verheven
Tot een verdadiger van veler mensen leven.

DAVID.

De band van maagschap breekt met schrikkelijke pijn.

JOAB.

Zult gij meedogender dan díeigen vader zijn,
Die Jonathan, de braafste uit zijnen struik geboren,
Om sívaders zotten eed, lichtvaardiglijk gezworen,
Hem onbewust, en om wat honigs opgeslikt,
Toen hij met schildknaaps hulp een heir hadde opgeschikt,
En na dien dappren slag, zo triomfant geslagen,
Veroordeelde ter dood? Wat recht heeft hij te klagen,
Die zelf zijn lieven zoon, dien held, omít leven bracht,
Tenwaar hem ít krijgsvolk dien ontweldigde met kracht?

DAVID.

O God, het werde ons niet tot bloedschuld aangeschreven,
Zo wij op uw gebod hen mosten overgeven.
Ga hene, Benajas, nu langer niet gewacht,
Verzeker mij terstond alít koninklijk geslacht.

REI VAN PRIESTEREN

ZANG.

Jordaan, die door een dubbele ader
Vloeit uit den voet van Liban, vader
Van bronnen, beken, vijvers, zeÍn,
En stromen; wat maakt u zo kleen?
Die díoevers lieflijk placht te lekken,
Voor Palestijne een graft te strekken,
En weigerde den overtocht
Gods heir, dat nergens over mocht,
Als door de Bondkist der verkoornen;
Hoe duikt ge met gekrompe hoornen
In uw verzande en dunne kil?
Hoe vloeit uw vloed zo traag, zo stil?
Wat hoort gij onmeedogend ít morren
Van kruid en bloemen, aanít verdorren
Op bei de zomen, eertijds jong
En blozende, van uwe tong
En altijd even verse lippen
Gekust, gekoesterd, om de tippen
Van wortelen, en struik, en steel?
Hoe hijgt ge met een schorre keel?
Hoe is uw koelte, omít land te plagen,
Tot zulk een brand en koorts geslagen?

TEGENZANG.

Helaas! mijn kristallijnen vat
Telt zelf bij druppelen het nat,
íTwelk lui van Liban komt gekropen.
Mijn emer, eerst aanít overlopen,
Verschonk met blank en bruizend schuim
Het klare water weer zo ruim,
Alsít van den berg hem werd geschonken,
Ja maakte díakkerlanden dronken.
En smeek ik Liban met geklag;
Hij antwoordt: Ąík geef wat ik vermag.Ē
De hemel weigert mij zijn zegen:
Drie winters sneeuw, drie zomers regen.
Ik kan mijn burgers nauwlijks voÍn.
De wildzang, die inít welig groen
Der rechte en hemelhoge cederen
Kwam kwinkeleren op zijn vederen,
Verlaat, als ít wild, het dorre woud.
Het vee zich in geen beemd vertrouwt.
Al vlucht het, bij gebrek van weide
En water. Ik verzucht, en beide,
En zie met smart om regen uit,
En schreeuw, dat God den hemel sluit.

TOEZANG

O levende Oorsprong aller gaven,
Dieít al kunt koesteren en laven,
En in woestijnen droog en naar
Ons nooddruft schafte veertig jaar;
Hier water uit de hardste stenen,
Daar Manne, om hut en tenten henen,
Inít krieken van den dageraad
Gespreid als korianderzaad;
Als dauw en rijp, verzaamd in kruiken,
Tot troost der hongerige buiken:
O grondeloze Waterwel,
Ontsluit uw wateraders snel.
Verkwik ons met een zee van boven,
Opdat u vee en mensen loven.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001