Joost van den Vondel (1587-1679)

GEBROEDERS

HET DERDE BEDRIJF

RISPE, MICHOL, BENAJAS

RISPE.

Nu dochters, komt, leidt Rispe voort.
Komt leidt haar buiten deze poort.
Verstrekt een stut voorít zwakke lijf,
En stuurt dit traag, dit lastig wijf
(Weleertijds SaŁlís bedgenoot,
Nu ieders spot) nog voor haar dood.
Hoe buigt mijn stok! hoe beeft mijn hand!
Ik trede, als tot den hals, inít zand.
Hoe lastig valt me tred voor tred.
Wat droom heeft mij inít koude bed
Zo hard, zo onzacht opgewekt?
O droom, die mij een voorspook strekt
Vanít leed, dat ik voorhanden zie;
Wie zal ikít klagen? ai, zeg, wie?
Een valk vervolgde een doffersvlucht,
Een zevental, dat uit de lucht
Kwam plotsling storten, om uit nood
Het lijf te bergen in mijn schoot.
Ik dee mijn best, toen ikít vernam:
Maar al vergeefs. Díerfvijand kwam
En pikte mij mijn handen door,
En roofde vast, den enen voor,
Den andren na, met bek en klauw,
Verbeet ze, en zoog hun bloed al lauw.
De veren vlogen om mijn hoofd.
Daar komt de valk, die ons berooft
Van onze doffers: dat is hij,
Die zoet is op dees lekkernij,
En toeleit op een versen moord.
Nu Michol, típast u; doe het woord,
O koninklijke vrouw en spruit.
Ik zal u volgen; stap vooruit.

MICHOL.

De hemel schijnt belust zich tegens ons te kanten.
Och Benajas, gij hoofd van síkonings lijftrawanten,
Wat wankt er wederom? Wie geeft u dit verlof,
Dat gij ons erfpaleis en Vaders oude hof
Met wacht bezetten durft, en dus in alle hoeken
De prinsen vangt en spant, en overal loopt zoeken?
Gij jaagt ons kinders na, zo bitter, zo verwoed,
Gelijk de jager ít wild en schuwe harten doet,
Die haag, noch hol, noch struik, noch bos tíafgrijslijk vinden,
Omít snuflen en gebit van brak en hazewinden
Tíontglippen, en ít gevaar des jachtspriets, dik bemorst
Vanít al tíonnozel bloed der ademloze borst.
Mag dan een vreedzaam hart, ítwelk niemand zoekt te steuren,
Noch kwetsen, nimmermeer een weinig rust gebeuren?
En dompelt men al weer, tot díoren toe, in rouw
Mijn vaders grijze weeuw, en mij, verschove vrouw?
Dat werde God geklaagd. Maar och! Hij heeft geen oren,
Noch hart tot Michol. Och! ik ben tot ramp geboren.

BENAJAS.

Mevrouwen, gij hebt reÍn te klagen van verdriet,
En ik te volgen ítgeen de konink mij gebiedt;
Hoewel dit lastig valt. Kíhad lieverít hoofd te kneuzen
Van Moabís felste leeuw, of ít brein van Memfisí reuzen,
Dan uit te voeren iet, ítgeen tegens díere strijdt
Van wijlen onzen Vorst, van wien gij weeskind zijt,
En zij verlate weeuw, en dees gevangens zonen,
En neven; alle waard te dragen koningskronen
En scepters van een rijk, niet min vermaard als dit:
Maar God, een eigenaar vanít wereldlijk bezit,
Begeeft de staten slechts te leen, en zet elk palen.
De zon weet op haar tijd te rijzen en te dalen,
En komt en gaat bij beurt; zo doet ook díaardse macht,
Dieít altemet eens lust te wislen van geslacht,
Om reden, voor den mens en zijn vernuft verholen;
Dies buigt u onder hem, dien ít heersen is bevolen.

RISPE.

Watís díoorzaak, dat men dus ons zonen vangt en spant?
Isít oproer? of verraad? Of hebben zij de hand
Geslagen aan den Vorst, of iemand van den zijnen,
Of willen slaan? Of isít om díakkers, die nu kwijnen
Aan zulk een hete koorts, te koelen met hun bloed?
Dit mompelt men in stad. En zoekt ge zo den voet
Te zetten op den nek van SaŁlís overbleven,
Bij dees gelegenheid, omít stuk een glimp te geven?

BENAJAS.

Het nijpen van de smart, het tegenwoordig leed
Veroorzaakt, dat gij mij dus scheldt met onbescheed,
Uit moederlijke zucht tot henlien, die ge baarde;
Maar ík wenste, dat ge niet zo reukeloos bezwaarde
De banden van uw zoons en hun gevangenis
Door ongeduld, en ítgeen ter zake ondienstig is.
Vertrouwt mijn heer dit stuk. Hij zal met vonnisstrijken
Geen schoonva‚rs weeuw, veel min zijn bed, verongelijken.
Vertrouwt vrij, dat hij ít minst hierin niet handlen dar,
Tenzij met rijpen raad van God, en Abjathar.

MICHOL.

Ja Abjathar. Helaas! hoe smoor ik mijn gedachten?
Wat goed stond SaŁlís huis van Abjathar te wachten,
Van dat Ahimelech, zijn vader, hem den troon
Van Aronís priesterdom had ingeruimd? De zoon
Kreeg toen het zwaard, om zich en zijn geslacht te wreken
Aan SaŁl, die hen had met Edomís zwaard doorsteken.
Och vader, toen gij u aan priestren had misgaan,
Aan dien gewijden rok, kon ít rijk niet langer staan.
Een dolle vaders bui kan, op een sprong, verbeuren,
Hetgeen, daar jaren lang, zijn kinders omme treuren.

BENAJAS.

Wie Gods gezalfden raakt, raakt Gods oogappel aan.

MICHOL.

Zo Abjathar dit stemt, zo isít met ons gedaan.

RISPE.

Het past niet iemands wraak in Godes zaak te mengen.

BENAJAS.

Als David dit gehengt, zal God dit eerst gehengen.

MICHOL.

Ja wat gehengt God niet? Wat was Hem vader waard,
Nadat hij ít vee voor God, en Agag had gespaard,
Uit mededogendheid? Kan deugd de kroon beroven?

BENAJAS.

Een deugd, gehoorzaamheid, gaat offer veer te boven.
Tívernuft buig zijnen hals gewillig voor Gods last.

RISPE.

Zo hebt ge op Gods bevel dees Broeders aangetast?

BENAJAS.

Die zijn uit síkonings last verzekerd.

MICHOL.

                                                            Zeg: gevangen.

BENAJAS.

De konink heeft dien last van Abjathar ontvangen,
En Abjathar van God, of ít goddelijk besluit.

MICHOL.

Of ít goddelijk besluit, of zoít de gunst beduidt.

BENAJAS.

Dit staat ons hier niet vrij te straffen, of bedillen.

Men duidt dit naar Gods wil.

RISPE.

                                              Zoít onze haters willen.

MICHOL.

En zoít de wraakzucht lust.

BENAJAS.

                                            Ik bidde u, o Vorstin,
Ik bidde u, toom uw moed en gramschap toch wat in.
Men oordeelt allerbest na uitspraak van de zaken.
Die hen verzekerd houdt, vermag hen weer te slaken.

RISPE.

Men vangt geen prinsen om vreer los te laten gaan.
Aanít vangen van dit bloed is reÍ te veel misdaan.

BENAJAS.

Indien men reukeloos hen aantast zonder reden.

MICHOL.

Men kan een kwade zaak met schijn van Recht bekleden.

BENAJAS.

Men maakte een kwade zaak met schijn van Recht nooit goed.

RISPE.

Dat acht men niet, wanneerít ons haters voordeel doet.

BENAJAS.

Rechtvaardigheid trok nooit uit anders schade voordeel.

MICHOL.

Nooit daar Rechtvaardigheid ten troon ging, en ten oordeel.

BENAJAS.

Zij gaat er nu, indien ooit Recht op aarde was.

RISPE.

Opdat zij ons verdruk?

BENAJAS.

                                      Wie maakt het elk te pas?

MICHOL.

Die, ieder even na, niet krom gaat, noch eenzijdig.

BENAJAS.

Prinses, ik zei nog straks, gij oordeelt veel tíontijdig.

RISPE.

De zon ziet niemand aan: zij schijnt voor iegelijk.

BENAJAS.

Een zon versmelt het was, verhardt de klei en ít slijk.

MICHOL.

Een zon verblijdt elks hart, alle ogen gaan haar tegen.

BENAJAS.

Behalve nu ter tijd, nu ieder roept om regen.

RISPE.

Behalve wij alleen: het regent ons genoeg.

BENAJAS.

Gij koninginnen, schreit, maar zeker wat te vroeg.

MICHOL.

Gij noemt ons met dien naam. Wij zijn geen koninginnen.

BENAJAS.

Hoe, zijt ge SaŁlís, noch ook Davidís gemalinnen?

RISPE.

Geweest, maar nu een weeuw, en een verlate vrouw.

BENAJAS.

Zeg niet: verlaten, maar verknocht aan Davidís trouw.

MICHOL.

O averechtse trouw, waar is die trouw gebleven?

BENAJAS.

De naam van Michol staat in síkoninks hart geschreven.

MICHOL.

Dat Merob, in haar kroost, een vangenis bereidt?

RISPE.

Dees Merob, Jesseís kroost beloofd, en weer ontzeid?

BENAJAS.

Gij werdt hem nooit ontzeid, zult gijít dan mee betalen?

RISPE.

Zo gij op SaŁlís weeuw wilt SaŁlís schuld verhalen.

BENAJAS.

Wat SaŁl heeft misdaan, dat heeft hij zelf geboet.

MICHOL.

Wel waarom schendt ge dan uw handen aan zijn bloed?

BENAJAS.

Versteur u niet te vroeg: de zaak leit nog te duister.

RISPE.

Benijdt ge nog mijn zoons den overigen luister?

BENAJAS.

Die luister doet het niet. Wat kan een ijdle naam?

MICHOL.

De naam maakt zonder daad den lompste wel bekwaam.

BENAJAS.

De heerschappij vereist geen kinderen, maar mannen,

RISPE.

Zij draagt de wijze, en zotte, en vromen, en tirannen.

BENAJAS.

Maar díeerste wel het langst, de leste een korte tijd.

MICHOL.

Zij schold het zaad van Kis met luttel jaren kwijt.

BENAJAS.

Zo gaat het, die ít gebod des Oppersten verachten.

RISPE.

Och kan men ít stenen hart met tranen niet verzachten?

BENAJAS.

Daar komt de konink zelf. Treedt toe, en spreekt hem aan.

MICHOL.

Koom Rispe, ik hoop hij zal ons klachten niet versmakn.

DAVID, RISPE, MICHOL

DAVID.

Daar komt mijn gemalin, en Rispe, met de tranen
In díogen, om mij ít hoofd te breken met vermanen.
Een uitgelaten rouw van moedren houdt geen spoor.
Wat doe ik best? wat raad? Best geef ik haar gehoor,
Best niet: maar neen, dat zou al tíonbarmhartig luien.
Best sta ik haar te woorde, en laat deze eerste buien
Des druks wat overgaan, en zet haar dan wat neer.
Het vrouwelijk geslacht is bijster week en teer:
En díallerstoutste man moet zwichten, als zij schreien.
Tízal kunst zijn, kan ik haar met goede woorden paaien.

RISPE.

Lang leef zijn Majesteit.

MICHOL.

                                        Lang leef zijn Majesteit.

DAVID.

En die hemít leven gunt.

RISPE.

                                        Dat in der eeuwigheid

Zijn heerschappije dure, en elk zijn kroon bedanke.

MICHOL.

Dat in der eeuwigheid zijn zetel zijg noch wanke,
En niemand onder hem met reden klagen mag.

DAVID.

God weet, dat waar me lief, ja liever dan de dag.

RISPE.

Zouít ook geoorloofd zijn ons klachten uit te storten?

DAVID.

Wie meer als u? zouít niet? Ik zou mijn kroon verkorten,
Indien ikít u ontzei. Stort vrij uw klachten uit.

RISPE.

Genadigste, men denk, of ons het harte sluit
Omít vangen van ons bloed en overbleve zonen,
Altsamen hoog en dier verbonden aan uw kronen,
Op hoop, dat zij voortaan in onderdanigheid
Volhardende, onder uw voorzichtigste beleid,
Deelachtig mochten zijn aan díeer, met kracht bevochten
Tot Gods en síkonings ere, op zegenrijke tochten,
In aanslag, of beleg, en allerlei gevaar.
Maar dat heeft ons gemist. Helaas, wat valt dit zwaar!
Die hoop bezwijkt, nu wij, van síkonings gunst verlaten,
Zien hof en kinderen bezetten met soldaten;
Alsof er oproer school, of ietwat diergelijks,
Gebrouwen tot bederf en ondergang des Rijks.
Wij vragen vast vergeefs. Men zeit ons slechts inít honderd,
Dat Gods Orakel zelf op SaŁlís afkomst dondert,
En zulk een offer eist. Wat hier nu schuil, of niet,
Dat weet de vorst, en hij, wien dit ten dienst geschiedt:
Derhalve bidden wij, gebogen voor uw voeten,
Ontdek ons wat er schuil, of wat er sta te boeten.
Verhoor, gelijk ge placht, ons vriendelijke bee.
íTgeen Rispe hier verzoekt, verzoekt uw Michol mee.

DAVID.

De schennis en ít geweld, begaan in Ammonís kamer,
Aan díallerkuiste ziel, mijn eigen dochter, Thamar,
En Ammonís bloedig einde, en dat van Absolon,
Een jongeling, zo schoon gelijk de morgenzon,
Bedroefden mij nooit meer, dan dat ik last moet geven
Tot het verzekeren van zwageren en neven,
En al wat manlijk is vanít koninklijk geslacht.
Wij zijn niet reukeloos tot zulk een stuk gebracht.
De hemel wijt de plaag van deze diere tijden,
(Waarbij alít land en vee en mensen kommer lijden),
Het leed, dat Gabaon weleer geleden heeft.
De wraak, die eeuwig klaagt, en nergens omme geeft,
Eist uit verbittering tot boete ít puik der mannen,
Om SaŁlís zaad, als kaf, uit IsraŽl te wannen.
Kíheb vast beleefdelijk gearbeid om den zoen:
En zo het hun om goud of zilver waar te doen,
Ik zou er al mijn schat, ja schier mijn kroon aan hangen,
Veel liever dan mijn staf bezoedelen met vangen
Van schoonva‚rs overschot, tot onrust van zijn graf.
Dan ít Gabaons geslacht, niet zonder reden straf
Om dat meinedig stuk, zich met geen schat laat sussen,
Maar dringt op síhemels eis; en ik sta ondertussen
Vast tussen twee, geperst van hunliÍn, en de zucht
Die ik uw kindren draag, doch meest voor God beducht.
Weet gij bij God en hen verzoening te verwerven,
Gaat heen. Kíverzeker u, gij zult mijn gunst niet derven.

MICHOL.

Mijn uitverkoren heer, ofschoon Bathseba nu
Onze echte plaats verwarmt, en meer vermag bij u
Dan Michol, laat nochtans u niet zo veer verrukken,
Dat heilloze Amoreen, door uw gezag, verdrukken
Dit bloed waarover ik zelf moei, ja moeder sta,
In zuster Merobís plaats; dit gaat me veel te na.
Kíheb zuster, toen de dood haar bed begon te dreigen,
Gezworen deze vijf te koestren als mijn eigen,
En hou ze ook voor de mijne, indien dit baten kan;
En zo ik moeder ben, weest gij er vader van.
Gedenk wat Michol heeft om uwentwil geleden;
Gedragen vaders toorn: u menigmaal verbeden:
Geborgen in haar schoot, met eigen lijfsgevaar:
Haar lief in ballingschap gemist zo menig jaar
Enít bloeiendst van haar jeugd. Wat smaad most zij niet dragen,
Zij, die nooit kinders droeg
? geperst werd te behagen
Een anderen man, dien zij op uw bevel verstiet,
En smelten zag van rouw, om dat ze hem verliet?
Kíheb Vaders val beleefd, en ít sneuvlen van mijn broeders;
Ook tussen man en broers (wie hoorde ooit iet verwoeders ? )
Dien krijglen krijg bezuurd: en had nu al mijn troost
Gesteld in dees vijf zoons, mijn ouder zusters kroost,
Twee broers, en enen neef; en hier gerust gezeten,
Docht alít verleden leed en hartzeer te vergeten;
Totdat, mijn tijd vol ramp verdwenen als een rook,
Nog een van al, voorít lest, mijn duistere ogen look.
Nu krabt men vinnig dus al díoude wonden open,
En neemt me alít overschot van ítgeen me stond te hopen.
Mag David dit vanít hart? Vergeldt hij zo mijn trouw?
Doch of zijn trek, als blijkt, tot díene of díandre vrouw
Veel meer bij hem vermocht, dan al het goed, genoten
Door Micholís ommegang, en ít hart waar toegesloten
Voor bed- en halsvriendin; nog zou ten minste dan
De liefde van mijn broer, zijn halsvriend, Jonathan,
(Wiens liefde, mag men zelf zijn eigen woord geloven
Alle andre vrouweliefde en vriendschap ging te boven
)
Hem roeren, en die eed, en ít heilige verbond,
Tot driemaal toe, zo dier bezegeld met zijn mond.
Ik rep niet van mij zelve, een ander leit u nader:
Heeft Jonathan u niet, veel meer als zijnen Vader,
Ja, als zich zelf bemind, en met zijn hart omarmd?
Hoe dikwils u in nood gewaarschuwd en bescharmd,
En Vaders haat geschut, ook met gevaar vanít leven,
Ontwijkende dien schicht, hem fel naarít lijf gedreven?
Is zijn gedachtenis met zijn gebeent verrot?
Zo klagen wij vergeefs ons lijden u en God:
En past men op verbond, noch diergezworen eden;
Zo klagen wij met recht, en met die zelve reden,
Daar dit gebroed om klaagt; en gij, die slaven paait,
Wordt in meinedigheid gewikkeld en bedraaid;
Ja zult gehouden zijn, tot weerwraak dezer zielen,
íTmoorddadig zaad van Cham te trapplen met ons hielen.
Het is geen heelzaam arts, noch die zijn kunst verstaat,
Die ene wonde heelt, en zeven andre slaat.

DAVID.

Die u dees wonden slaat, moet bloed en wonden stelpen.
Klaagt God, klaagt Gabaon: men kan u hier niet helpen.

RISPE.

De Gabaonners staan alleen tot uw gebod.

DAVID.

Zij staan wel onder ons, maar wij staan onder God.

MICHOL.

Men stel dit vonnis uit: de tijd zal díonrust smoren.

DAVID.

Terwijle gaat het Rijk met mijn gemeent verloren.

RISPE.

Het weer kan lichtelijk verandren, zo God wil.

DAVID.

God stemt hun toe, en eist een slot vanít moordgeschil.

MICHOL.

Verdrukt God Izakís zaad, om schuim van vreemdelingen?

DAVID.

Diens voorvaders zelfs in hun verbond ontvingen.

RISPE.

Als slaven om het juk te dragen bij gebrek.

DAVID.

God wil niet, dat men vreemde een voet zet op den nek.

MICHOL.

Is Cham dan waardiger als síhemels bondgenoten?

DAVID.

Vanít zelve klay gemaakt, van enen struik gesproten.

RISPE.

Wat voordeel hebben dan de stammen in het recht?

DAVID.

Geen voordeel boven hen. Gods Recht kent heer noch knecht.

MICHOL.

Spreek zo, en leer hen zo de stammen zelfs verbassen.

DAVID.

Zij moeten op hun dienst en Leviís diensten passen.

RISPE.

Wat marren ze dan hier? Men laat hen liever gaan.

DAVID.

Zij staan gereed, zo ras hun zaak is afgedaan.

MICHOL.

Het is des koninks zaak: hij kan dit voort beschikken.

DAVID.

Hij kan met zijn gebeÍn onze akkers niet verkwikken.

RISPE.

Zo wachten díakkers dan alleen naar hun gebeÍn?

DAVID.

Was God en zij gepaaid, de regen viel beneÍn.

MICHOL.

Zo is aan hun gebed al Isrelís heil gelegen?

DAVID.

De Hemel wacht alleen op der versteurden zegen.

RISPE.

Zo hangt sílands zegen nu aan SaŁlís vloek en smaad?

DAVID.

Aanít stoppen van die bron en oorsprong van dit kwaad.

MICHOL.

Heeft dit rampzalig huis niet strafs genoeg gedragen?

DAVID.

Genoeg voor u en mij, dieít liever anders zagen.

RISPE.

Dieít liever anders zag, gaat andre wegen in.

DAVID.

Indien hij volgen mag zijn eigen wil en zin.

MICHOL.

Dieít wil en wenst, kan ít werk naar zijnen wil beleien.

DAVID.

Hoe paai ik God? Hoe tívolk, dat ree begint te schreien?

RISPE.

Beloften maken ít volk tot alle dingen graag.

DAVID.

Aan graagheid schort het minst hun hongerige maag.

MICHOL.

Men breng het voorbeeld bij van andre dorre tijden.

DAVID.

Dit dekt geen dis: men kan van dit gerecht niet snijden.

RISPE.

Zo bergt menít leven dan in der Gebroedren dood?

DAVID.

Uit goddelijk bevel, uit dierte, uit hongers nood.

MICHOL.

Het wilde woud verslond noch at nooit zijns gelijken.

DAVID.

Wanneer de hemel spreekt, moet alle reden wijken.

RISPE.

Men zende om graan bij díeen of díandren nagebuur.

DAVID.

Die heeft geen overschot, die opent nu geen schuur.

MICHOL.

DíAartsvader heeft zijn zoons wel naar den Nijl gezonden.

DAVID.

Voor een geslacht alleen, en daar ze Jozef vonden.

RISPE.

Ontzeit ons iemand graan, men verg het hem met kracht.

DAVID.

Wat raad, zo op dien tocht het volk van dorst versmacht?

RISPE.

O mijn gevange zoons, o neven, o Gebroeders!

DAVID.

Kíbeken wel, dit valt hard voor moeien, en voor moeders.

MICHOL.

Omhelst ge Jonathan met dees barmhartigheid?

DAVID.

Mijn hart is nog alsít plag: ik draag geen onderscheid.

MICHOL.

Ik vind hier heul noch troost, en klaag mijn rouw mijn ogen.
David Gij waart gered, stond dit alleen in mijn vermogen.

RISPE.

Een ander hebt ge wel op haar verzoek gered.

DAVID.

Ik zie geen middelen, zo God dit niet belet.

MICHOL.

God geve, dat ik u vermurwe met een spiegel
Van lijfsgenade en gunst bewezen uw Abigel.
Die rijke Karmelijt, haar man, hadde uwen knecht,
Op zijn beleefd verzoek, ondankbaar afgerecht;
Gij Nabal en zijn huis hierop den dood gezworen;
En trokt gewapend heen, en brullende van toren.
Die schrandre vrouw, die ree dat onweer zag te moet,
Bejegende u bijtijds voorzichtig, aan den voet
Van Karmel, daar de berg, het nauwste om op te rijden,
Beschaduwd wordt met ruigte en bos van wederzijden.
Zij stuurt haar ezelen met vijgekorven voor,
Rozijnen, meel, en wijn; en krijgende gehoor,
Verzacht zo ít grimmig hart, door bidden en door smeken,
Dat gij alleen niet straks uw eed bestaat te breken,
Maar legert haar inít hart, en kust ze in Micholís stee.
Ik eis het tegendeel, en poog door mijne bee,
Niet dat gij schendt, maar houdt geheel en ongeschonden
Dien halsvriend Jonathan uw eden en verbonden;
Gelijk een Vorst betaamt, dat meer is, Gods Profeet:
Dat gij, met boeten van dien overtreden eed,
Vierhonderd jaren oud, niet schendt uw hoge woorden,
Een sterker band omít hart, dan diamante koorden.
Zijn anderen doorít bloed der slaven mee besmet;
Wat raakt dit Jonathanís geslacht, MefŪboseth?
Een wees, een teder kind, in sívoesters arm gedragen,
En door de vlucht verleemd, toen grootva‚r lag verslagen,
En díeigen vader mee. Van zijn onmondig kind,
Van Micha rep ik niet. Hoe oordeelt men zo blind
Van Gods orakel? Neen, dit eist meer licht en klaarheid,
Of laat de logentaal meer gelden dan de waarheid.

RISPE.

Gij zwoert dien hogen eed alleen niet SaŁlís zoon,
Maar ook den vader zelf, vůůrít vallen van zijn kroon,
Ja zwoert voor God zijn zaad, na hem, niet uit te rooien.
Verdelg nu dit, en breng die eden in hun plooien.
Heeft Davidís eed min kracht als díeed van Jozua?
Neen zeker, dat gerucht waar Davidís kroon te na.

DAVID.

Van SaŁl zal mijn kroon wel blijven onbesproken.
Hij zelf heeft dit verbond lichtvaardig eerst gebroken,
En staande naar mijn hals, mij als voorheen beloond;
En nog heeft deze hand zijn leven staag verschoond.

MICHOL.

Barzillei smeekt voor ons: Barzillai die stokoude,
Bezorgde u op de vlucht, toen gij den dolk mistrouwde
Des stouten Absolons, die naar uw scepter stond.
Barzillai brocht van zelf u voorraad in den mond,
En spijsde vorst en volk, gemat van moeilijk trekken
Door woeste wildernis en onbewoonde plekken.
Hij schonk, na díoverhand, den konink zelf ít gelei,
Aan dees zij der Jordaan. Zal dees nu ít moordgeschrei
Der vijf Gebroederen, uit AdriŽl geboren,
Vernemen, daar hij zit, en nauwelijks kan horen,
Noch zien van ouderdom? Zal dees, met stom misbaar,
Dien grijzen kalen kop vanít overige haar
Beroven, zonder traan te laten of te wenen?
Zo dit uw hart niet raakt, het raakt de hardste stenen.

RISPE.

Gij stopte uwe oren nooit voor vreemde wees of weeuw,
Veel min voor uw geslacht. Kunt gij nu dit geschreeuw
Van uwe gemalin, een weeuw, doch onbestorven;
Van Rispe, die tweemaal ellendig zat bedorven,
En tweemaal stak in rouw, versmaden zonder pijn?
En deze kinderen, die alle wezen zijn,
Of moer- of vaderloos? Waar word ik heengedreven?
Mijn Abner werd vermoord. Mijn SaŁl is gebleven,
Ontharnast, en onthoofd, mijn schone strijdbre man.
De romp, tot een triomf, gehangen te Bethsan,
íTgeweer voor Astaroth; om welk een buit te delen,
De Filistijn eerst most in alle steen krakelen:
En of ít rampzalig graf ít beschimpte lijk bedekt,
Nog schijnt het, dat deze as ons ramp op ramp verwekt,
En, na zijn droeve dood, ons lot volhardt inít wrokken,
En niet verzaad kan zijn, dan met de leste brokken,
Ja díallerjongste kruim. O endeloos verdriet !
Maar denk om Abner toch, verdient het SaŁl niet.
Mijn Abner viel u toe, en maakte een end van strijen;
Toen SaŁlís heir met hem in Davidís schoot kwam glijen,
En lei de wapens vlak voor deze voeten neer.
Zoveel vermocht mijn gunst bij mijnen tweeden heer,
Van wien uw Joab mij zo goddeloos beroofde,
Toen onze oprechtigheid dien schelm te licht geloofde.
Berooft ge mij nu bei mijn zonen, al mijn steun,
Twee krukken, daar ik, oud en koud en loom, op leun,
Zo stort ik voort ter neer. Ja stort, stokoude vrouwe,
Op uwe mans, en zoons. Tíis uit met liefde en trouwe.

DAVID.

Hoe zal ik mijít gekarm der vrouwen best ontslaan?
Zij zullen zonder hoop noch troost niet willen gaan.
Belooft men haar, hetgeen onmooglijk is te houden,
Datís nog een erger schuld, die minst wordt kwijtgeschouden.
Hier waar verstand van doen. Wie geeft ons wijzen raad?
Hoe kies ik best van twee het allerminste kwaad?
Zal ik mij onbeschaamd, met zuchten en met tranen,
Om veel genote deugd, om eden laten manen?
Of stellen met gevaar vanít Rijk dees halsstraf uit,
Tot wederwil van Gods orakel en besluit?

Hoe redde ik mij hier door? Gij Moeders, staakt dit smeken,
Totdat wij op dit stuk malkander nader spreken.
Dit hof staat altijd op voor uw verzoek en klacht.
De tijd verloopt: wij gaan, daar Abjathar ons wacht.

MICHOL.

Kíontsla u niet, tenzij gij Michol stelt te vrede.

RISPE.

Noch ik benauwde weeuw, tenzij gij hoort mijn bede.

MICHOL.

Verhoor de zuster toch van uwen Jonathan.

RISPE.

Verhoor dees dubble weeuw, nu tweemaal zonder man.

DAVID.

Laat los, laat los. Hoe dus? Gij houdt ons bij de kleren.

MICHOL.

Om Jonathan, uw vriend, uw eed, om zijn begeren.

RISPE.

Om Abner, die om u onschuldig ít leven liet.

DAVID.

Mijn geest is nu ter dood bedroefd om uw verdriet.
Gij ziet de tranen vast langs bei mijn wangen leken,
beloof u, datís mijn hand, ik zal mijn eed niet breken.

ABJATHAR, DAVID, JOAB

ABJATHAR:

Hoe maakte zich de Vorst ít gehuil der vrouwen kwijt?

DAVID.

Met zwarigheids genoeg, met genen kleinen strijd.

JOAB.

Tí zal nodig zijn, eer zij u telkens ít hart bezwaren,
Met dees gevangenen zo daatlijk voort te varen.
De Gabaonners staan en vlammen op dien buit.
Men lever hunít getal: men zie niet langer uit.

DAVID.

Kíbeloofde haar mijn eed te houden ongeschonden.
Ik sta aan Jonathan, mijn halsvriend, nog verbonden.
Mijn halsvriend Jonathan bedroeft me boven al.

ABJATHAR:

Met recht, maar ít overschot begrijpt een negental
En díeis een zevental: zo kunt ge, met te sparen
MefŪboseth den lamme, en ít zoontje, uw eed bewaren.
Datís God en Gabaon en Jonathan voldaan.

DAVID.

Och stond het vrij, om mij wat rijper te bela‚n.

JOAB.

Zie toe, zie toe, het volk begint alree te krijten.
De Gabaonners staan inít hart van ons Levijten,
Dat priesterlijk geslacht. Gij weet wat dit vermag.
Dees hebben over volk en Vaders groot gezag,
En meer dan zestig steÍn, verspreid door al uw landen.
Dees diere tijd besnoeit hun tienden, offeranden,
En eerstelingen meest; en sch‚ baart ongeduld.
Koom Levi niet te na, ten minste bij uw schuld;
Dat bloed houdt maat noch streek, en kent noch vriend noch mage,
Alsít op een woeden gaat. Waar trof ooit feller plage?
De hemel vecht met hem. Zijn ijver brandt, gelijk
Een lopend vier, en vliegt terstond doorít gantse rijk,
Van Dan tot Bťrseba. Gij hoeft geen wijder kennis
Van Leviís aard, indien gij ít oog slaat op de schennis
En wraak der lichte vrouwe
, om wie men, slag op slag,
Zo menig duizend man inít harnas sterven zag,
En Benjamin zijn stam beschreide op al de doden;
Toen, deze stad in días, zo luttel ít zwaard ontvloden.
Dit zij den Vorst een les. Hij trek niet aan die koord.
De Gabaonner roept, God roept: vaar voort, vaar voort.

DAVID.

O God, het werde ons niet tot bloedschuld aangeschreven,
Nu wij op uw bevel hen moeten overgeven.
Ga hene, Benajas, alsít immers wezen zal,
Ga, lever Gabaon terstond dit zevental.

REI VAN PRIESTEREN
ZANG.

Hier staan wij op die zelve gronden,
Daar díuitgedreve vorsten stonden,
Eerít zwaard Gods Veldheer werd vertrouwd:
En och! wat maakt ons trots en stout,
Om tegens síHemels zuivre wetten,
Zo eigenzinnig te besmetten
Door tegenstreven ons gemoed,
Eerít nieuwe Rijk een vasten voet
Genomen, en wel dicht gesloten,
Zijn wortels hebbí zo diep geschoten,
Gelijk een cederboom, die, vast
Aan Liban, op geen winters past:
Nog komen cedren te bezwijken;
Nog eer dan cedren grote Rijken:
En spieglen zich de Groten niet?
Aan ítgeen men meer dan daaglijks ziet?
O blinde en dolle reukeloosheid!
O al tíondankbre en trotse boosheid!
Wat isít, dat u den breidel slaakt,
Zo ras als niet tot iet geraakt?

TEGENZANG.

Verwaandheid weelde en ledige uren
Verweldigen de steilste muren.
De hoogmoed en de lekkre tand
Inít lachende beloofde land
Terstond het eerste hof bedorven.
De rozegeur der honigkorven,
De verse room der dertle geit,
Die in de beste kruiden weidt,
De muskadel, die díouders zagen
Twee mans op enen handboom dragen,
De hartverkwikkende granaat,
De boom, die puik van dadels laadt,
De vijg, als vuisten uitgedegen,
De vette olijf, alít veld vol zegen,
Verzeld met dat gezegend zwaard,
Zijn oorzaak, dat de spruit veraardt
Van God, haar stam, te mild inít geven!
Men valt aanít woÍn, vanít wederstreven.
Men houdt met alle macht den staf,
Dien díeigenaar met recht vergaf.

TOEZANG.

Een schip op zand verstrekt een baken.
De voorzaat leert den nazaat waken,
Die let op roer, en star, en peil,
En houdt gestadig oog inít zeil,
Om recht de haven in te varen:
Terwijl díalziende oogappels staren
Opít hoofd, gekroond met diamant,
íTwelk in Gods hart de krone spant,
En inít paleis van louter marmer
En cedren, klaagt dat zijn beschermer,
De Bondkist, met onzekren voet
Zich aan een hut vernoegen moet:
Doch God belooft zijn oir te wekken;
Dat zal de Cherubinnen dekken
Met bogen, hemelhoog gebouwd,
En overkleed met klinkklaar goud.
Daar zal hem Aron wierook branden,
En zien de heilige offeranden,
(Zijn aanzicht naar de zon gekeerd)
Van hemels vier tot as verteerd. 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001