Joost van den Vondel (1587-1679)

GEBROEDERS


HET VIERDE BEDRIJF

REI VAN PRIESTEREN, RISPE, MICHOL

REI.

Mevrouwen, die, voorít hof, met jammerlijk misbaar,
Gescheurde klederen, en uitgetrokken haar
Gezeten, kermt, omít lot uw zoons te beurt gevallen;
Ik wenste, konít geschiÍn, dat iemand van ons allen,
Naar tijds gelegenheid, dees bittre ontsteltenis
En rouw, die zekerlijk niet onnatuurlijk is,
Zo matigde, dat hier díellende stand mocht houden,
En wijder ongeval het Rijk werd kwijtgeschouden.
Doch troosten valt hem licht, die liever raadt dan geldt;
Noch levend voelt, hoe ít hart der moedren zij gesteld,
Hetwelk geen scherper vlim van weedom kan doorsnijden,
Dan ítgeen zij in haar vrucht en bloed en afkomst lijden.
Dit lijden wordt getergd, indien menít plotsling stuit,
En schreien stilt de pijn; dies schrei uw krop vrij uit,
Indien gij schreien kunt. Laat vrij de tranen zijpen,
Eerít hart verdrenk. Maakt los dees banden, die u nijpen,
En geeft den lijkrouw nu den vrijen toom. Ach ach!
Wij klagen neffens u, zo klagen helpen mag.

RISPE.

Is dit dan al de troost, dien wij van u verwerven?

REI.

Wij wensten, mocht het zijn, voor uwe zoons te sterven.

RISPE.

Zo spreekt gij, en drijft zelfs met macht het wraakrecht voort.

REI.

Wat eist ge?

RISPE.

                    Straft den Vorst, en maant hem om zijn woord

REI.

De Vorst heeft nooit zijn woord, veel min zijn eed gebroken

MICHOL.

Wat heeft nog straks zijn mond dan tegen ons gesproken,
En op een nieuw beloofd van zijn gezworen eed?
O Vader, o mijn Broers, ik klaag uw graf mijn leed.
Och was er rust voor ons, gelijk voor u, geschapen.

REI.

Wee mij! Vaders geest niet op. Laat vrij uw Broeders slapen.
Uw goedertieren heer heeft zijn gena betoond,
Van twee MefŪboseths den jongste ít lijf verschoond,
Ook Micha zijnen zoon; en in hun beider leven
Dien hogen eed gebergd: getroost u díandre zeven.

MICHOL.

Wee mij, verstote vrouw! Is dat zijn rechte hand,
Die hij mij nog terstond gaf tot een zeker pand
Vanít koninklijke woord? O reukeloos betrouwen!

RISPE.

Och deist de zon nog niet? Hoe kan ze dit aanschouwen?

MICHOL.

Och heb ik mij gehoed voor dezen harden slag?

REI.

Die komt van God. De Vorst houdt al wat hij vermag,
En ziet geen andren raad om Gabaon te stillen.

RISPE.

Och zal men zo verwoed die bloem der mannen spillen?

REI.

Niet spillen, maar besteen ten oorbaar van het Rijk,
Tot slechting vanít geschil en ít wrokkende ongelijk.

MICHOL.

De neefs om grootva‚rs schuld mishandlen ongenadig?

REI.

De neefs aanít zelve stuk mee schuldig en handdadig.
De vader gaf den last: de zonen voerdenít uit.
Getroost u toch in Gods rechtvaardigste besluit.
Gedenkt, hoe heerlijk tízij, dat zij den gansen lande
Verstrekken tot een zoen en heilige offerande,
En zo veel duizenden, op díoevers van de dood,
Beschutten met hun hals voorít zwaard van hongers nood.
Zij mosten toch vergaan inít algemeen bederven.
Nu zullen ze, tot heil des volks, als helden sterven,
En ít hongrig Kanašn gedijen tot een spijs.
Wij sterven altemaal; het scheelt slechts in de wijs.
Wie heen sterft, naarít beloop, wordt zonder naam begraven.
Men drijft, behouden of met schipbreuk, in dees haven,
Daarít al te zamen vloeit. De tijd loopt snel en kort.
De bloem moet af, ítzij die gemaaid werde, of verdort
Na ene poos van zelf: ítgaat al der oudren gangen.
Indienít niet schortte aan brein, men zou naarít end verlangen,
Om liefst bijtijds tíontgaan al síwerelds moeilijkheen.
Geen steenrots wordt in zee van baren meer bestreen,
Als lijf en ziel, aaneen voor luttel tijds verbonden.
Wie hierop staten bouwt, die bouwt op weke gronden,
En zakkende, eer ít gevaart ten halve raakt omhoog.
Hoe hoger opgehaald, hoe meer inít nijdig oog,
Hoe min van windvang vrij. Wieít jaarboek van het leven
Des koninks op wil slaan, dat zal hem reden geven
En ít zekerste bescheid. De Vorst kwam tot zijn wit
(Gods werk) met moeite, en houdt zich nauwlijks inít bezit.
Wat in- en uitheems lei niet toe, om hem te hinderen?
Wat rampen most hij niet beleven aan zijn kinderen,
Stofferende een toneel? En wat beleeft hij nu?
Of waant ge wel, dat hem dit lichter valt dan u?
Neen zekerlijk, dat blijkt nog niet aanít minste teken.
Nog meer, het tegendeel is klaar genoeg gebleken.
Kíheb zijn verbaasdheid en verlegenheid gespoord,
De tranen zelfs gezien, de droeve stem gehoord.
Dees storrem waait te sterk: hem helpt geen tegenstreven.
Zijns ondanks wordt hij dus aan lager wal gedreven:
Dies bidden wij, omhelst dit lijden met geduld,
En geeft dien vromen heer, ít godvruchtig hoofd, geen schuld
Wiens deugd veel zwaarder weegt danít goud van síwerelds kronen.

RISPE.

Een deugd, barmhertigheid, versiert der vorsten tronen
En scepters, meer dan goud, ja maakt het hoofd vanít Rijk,
Terwijl het sterflijk is, een Godheid zelf gelijk.
Een vorst mag met zijn kroon vol diamanten pralen
En glinstren in de zon; maar alle zichtbre stralen
Verdoven bij den glans der koninklijke deugd
Barmhertigheid, dieít al gelijk de zon verheugt.
Indien ge moed hadt dit den konink in te scherpen,
Hij zou zoveel gebeen noch klachten niet verwerpen,
Maar werken op de stof, die nu voorhanden is,
En, reed en rijp, slechts wacht, om een gelijkenis,
Die naar iet hemels zweemt, van hoger hand tíontvangen.
Hij zalft dees slaven wel met doden, en met vangen,
Maar kwetst zijn bedgenoot en edelste vriendin,
Alít aangehuwde bloed, jaít gantse Benjamin,
Terwijl hij Juda streelt. Het volk, dat hij verdadigt
Voor dierte, zo menít noemt, zal nauwelijks verzadigd,
Met andere ogen ít stuk van achter eens bezien;
En zoít op hollen raakt, al lag hij op de kniÍn,
En bad al scepterloos en met gevouwe handen,
Dat zou zijn nieuw gebied niet bergen voor het stranden,
Inít onweer der gemeente, ontsteld omít gruwlijk stuk,
Dat dus een heidens schuim het wettig zaad verdruk,
Ja aller stammen Recht, in t sterven onzer zonen.
Wat reden kan dit stuk verbloemen of verschonen,
Zo ít volk dit komt te zien door enen andren bril?
Gaat paait het dan hiermee: tíwas Amorís wraak, Gods wil:
Dies let, eer gij verzeilt in zorgelijker baren,
Waarmee men minst misdoet, met doden, of met sparen.

REI.

Een mateloze druk zeer avrechts redeneert,
En met haar onklaar oog geen zaken recht waardeert.
De spinnekop zuigt gift, de bie heur honigraten
Uit ene zelve bloem. Betoont u toch gelaten,
Nu menselijk vernuft Gods vonnis, reÍ geveld,
Niet krachtloos maken kan. Al dee men hun geweld,
Dat verre zij, nog waarít voorzichtigheid te wijken,
En leren ít zeil bij tijds voor zulk een onweer strijken.

RISPE.

Helaas! zij pleit vergeefs, die voor een dove pleit.
Zo bidde ik nog, om uwe en síHelds godvruchtigheid,
En mijnen ouderdom, gaat heen uit mededogen,
Nadien de priesters veel bij koningen vermogen,
Gaat perst hem, zo ge kunt, nog tíonzen voordeel af
Genade of uitstel, of vermindering van straf.
Zo moet uw wierookvat veel aangenamer branden.
Zo zegen God het land door uw geheve handen.
Zo strekke uw over ons meedogende gemoed
Een betere offerande, als koe- of kalverbloed.

REI.

Wij gaan zo datelijk verwerven wat we kunnen.

MICHOL.

Hij zal, zij gaan vergeefs, hun geen gehoor vergunnen.
Helaas, wat gaat ons aan? Wat hoor ik voor dees poort?
Och storten we een gebed: zij varen er mee voort.

    O Bron der hemelse genade,
    Sla uw genadige ogen neer
    Op weeuwen, zonder hoofd en heer,
    Bedompeld in den rouwgewade;
    Om zeven kinderen begaan,
    Die al om sívaders misdaad lijden,
    In deze onvruchtbre en dorre tijden.
    Och help, verwoede wolven slaan
    De klauwen aan díonnoozle schapen,
    En dreigen hun met muil en tand.
    De herder biedt geen wederstand.
    Dees grimmige Hevieten gapen
    En snakken naar onschuldig bloed:
    En wij ter dood bedrukte moeders,
    Ontbloot van helpers en behoeders,
    U vallen met gebeen te voet.
    Verlos het land van hongers plagen.
    Verlos hen, die, in droeven schijn.
    Alree ter dood verwezen zijn;
    Of sterk ons, om dit kruis te dragen.
    Verlicht dit al te lastig pak.
    Dit valt te zwaar, of wij te zwak.

RISPE.

Zij komen; dochters komt, en vat mij onder díarmen.
Komt, recht dit oude wijf, gemat van vruchtloos kermen,
Een luttel overend: ik hoor van veer ít gerucht.
Ik hijg naar mijnen akm, en schep een bange lucht,
Het veurspook van hun dood: och dochters, och zij komen.

MICHOL.

Waar laat ik mijn verdriet? Hoe kan ik mij betomen?
Hen ziende tam en mak in zulker vooglen klem.
Ik hoor het rammelen der keten, en hun stem.

GABAONNERS, GEBROEDERS, MICHOL, RISPE

GABAONNERS.

Voort, voort: dit vonnis lijdt geen sammelen noch marren.
De dood bijt fel genoeg, men hoeft ze niet te sarren
Met uitstel, uur op uur. Voort, voort: wij gaan u voor.
Wel wat gebalk komt hier? Men geef haar geen gehoor.

GEBROEDERS.

Gij Amoreen, daar is nog tijd om u te wreken.
Wij willen, voor het lest, nog eens ons moeders spreken.

GABAONNERS.

Voort, voort: de tijd verloopt. Dit willen komt te spa.
Al kwam de konink zelf, hier is geen lijfsgena.

GEBROEDERS.

Wij achten ons te vroom, van slaven ít lijf tíontvangen.
Wij zijn er tíeerlijk toe.

GABAONNERS.

                                      Zo zult gij eerlijk hangen.

GEBROEDERS.

Ja, erelijk voor ons, maar schandelijk voor u.

GABAONNERS.

Wat zeit dit basterdbloed? Hoe zalít hier lukken? nu,
Gaat voort. Wij keren ons aan geen gejank van wijven.
Wij weten raad om u die traagheid uit te drijven.
Zo mannen, touwt er op, die moedwil moet er uit.
De bolpees maakí hen vlug. Men touw hun vrij de huid.

MICHOL.

Isít moederlijk, dat wij hen nog niet aan en randen?

GABAONNERS.

Gij moeders van dit aas, ziet toe, dat gij geen handen
Aanít heilige gerecht en Gods bedienaars schendt,
Nochít vonnis meer verzwaart door enig dreigement.
Wat dreigt ge met de vuist? Wat ziet gij om naar stenen?
Dit dreigen schut geen straf.

RISPE.

                                              Och laat ons slechts bewenen
Der kindren ongeval. Hoe steekt ge zo vol nijds?
Och gunt, och gunt den rouw der moedren zo veel tijds.
Verzacht met zo veel troost heur smart geleen inít baren,
Om deze rimpelen, om deze grijze haren,
Dit mergeloos gebeente, en al wat helpen kan.
Hoe brult ge zo verwoed?

GABAONNERS.

                                          Hoe brulde die tiran,
Dien, lauw en vuil vanít bloed der omgebrochte slaven,
Gij in uw schoot ontvingt? Hij heeft dien kuil gegraven,
Waarin zijn eigen zoons nu storten overít hoofd.

MICHOL.

Och heeft de tijd nog niet dat smeulend vier gedoofd.
Gedoogt dat wij dien brand met onze hartaar blussen.
De moeder lij voorít kind: wij zullenít wraakrecht kussen.

GABAONNERS.

Geen moeder lijdt voorít kind. Waar is men zulks gewoon?

RISPE.

En 1ijdt om Grootvaars wil nakomeling en zoon.

GABAONNERS.

Zij lijden min om hem als hunne schelmerijen.

MICHOL.

Een ander wette ít mes:

GABAONNERS.

                                      Zij proefden hoeít kon snijen.

RISPE.

Tíwas reukeloosheid eer dan boosheid in hun jeugd.

GABAONNERS.

Verbloem het, zo ge wilt, het was een boze deugd.

MICHOL.

Tíwas vaders dolligheid, waarvan hij was bezeten.

GABAONNERS.

Zo temt men best zijn zoons bijtijds met deze keten.

RISPE.

Hij viel door dolligheid in zijn bebloede zwaard.

GABAONNERS.

Waarom heeft ít naaste bloed den dolle niet bewaard,

MICHOL.

Indien een stier u stiet, wie zou die smart betalen.

GABAONNERS.

Men zou het op den stier en eigenaar verhalen.

RISPE.

Wat eist ge, opdat die scha geboet werd zevenvoud?

GABAONNERS.

Men weegt, neen neen, men weegt geen bloed op tegens goud.

MICHOL.

De wraak blies ít leven nooit in doden lang begraven.

GABAONNERS.

De wraak betoomt den stoute, en 1cert hem zachter draven.

RISPE.

ít Gebeent der ouderen is menig jaar vergaan.

GABAONNERS.

Vergaan? Mij dunkt, ik zie hun geesten om ons staan.

MICHOL.

Wie nog voor doden schrikt, moet levendigen sparen.

GABAONNERS.

Geen een levenden, om wie de geesten blijven waren.

RISPE.

Tíis ijdle en enkle wraak, die zulke dromen dicht.

GABAONNERS.

Tímag wezen wat het wil, wanneerít ons hart verlicht.

MICHOL.

Verlicht men het gemoed met helden te vernielen?

GABAONNERS.

Zeg schelmen, dik verdaagd van onzer oudren zielen.

RISPE.

De rekening van wraak staat nimmermeer gelijk.

GABAONNERS.

Zíis effen, als dees pest gevaagd is uit het Rijk.

MICHOL.

Bereidt ge slechts een plaats voor tienmaal slimmer plagen.

GABAONNERS.

Het ga zoít kan, zoít moet: wij zullenít u niet klagen.

RISPE.

Men schelde om Benjamin hun deze halsstraf kwijt.

GABAONNERS.

Om alle stammen niet. Dees straf komt op haar tijd.

MICHOL.

Wat bitterheden heeft die stam niet moeten smaken?

GABAONNERS.

Kon dan die bitterheid hem niet wat zoeter maken?

RISPE.

Tíis menselijk, indien men sneuvelt dus of zo.

GABAONNERS.

Tíis godlijk, zo menít boet, al boet menít bijster no.

MICHOL.

Wat kan uw kindren zelfs misschien nog overkomen?

GABAONNERS.

Zo moet men hen bijtijds met zulk een voorbeeld tomen.

RISPE.

Dat werkt wel averechts. Het straffen tergt het kwaad.

GABAONNERS.

Tíleert omzien, niets bestaan, tenzij met rijpen raad.

MICHOL.

Neem díovertreders weg, het zal aan mensen schorten.

GABAONNERS.

Neemt weg de straf, het land zal met zijn muren storten.

RISPE.

Hebt mededogen met een troosteloze weeuw.

GABAONNERS.

Van dien tiran, die loech omít Gabaons geschreeuw?

MICHOL.

Erbarmt u over dees van elk versmade vrouwe.

GABAONNERS.

Een dochter des tirans, vermaakt met onzen rouwe?

RISPE.

Verschoont de kinders toch hun moedren te geval.

GABAONNERS.

Onze eige moeders eerst: dit raakt ons boven al.

GEBROEDERS.

Nu Moeders, luistert toch naar onze leste rede.

RISPE.

O bei mijn zoons!

MICHOL.

                            Mijn vijf!

GEBROEDERS.

                                              Wij bidden ťne bede.
Isít mogelijk, ontzegt dees jongste bede niet,
En gunt ons nog dien troost.

RISPE.

                                              Ja bidt niet, maar gebiedt,

Indien uw eis bestaat inít moederlijk vermogen.

GEBROEDERS.

Bedaart dan ene poos: bedaart, en wist uw ogen.
De Moeders zien, waartoe het nu gekomen is
Met díafkomst vanít weleer verheven huis van Kis,
Hetwelk des morgens rees met zulke schone stralen,
Alsít voor zijn middag weer kwam schandelijk te dalen.
Tíging Grootva‚r eerst voorwind. Hij meesterde ít geluk.
Tíontzet van Jabes was zijn eerste heldenstuk,
En intree van het Rijk, zijn vroomheid opgedragen
Te Gilgal van alít volk, na Nahasí nederlagen.
Hij trad de koningen van Zobal op den nek,
Ook Edom, Ammonís macht, het heer van Amalek,
En Moab, en ít geweld der trotse Filistijnen.

De zon kwam, voor zijn troon, ter aarde leggen zag
Al wat op Isrel roem en roof te halen plag.

En zo ras als Samuel den herder had gegoten
Den balsem overít hoofd, dat voor zich vond ontsloten
De poorten van ons hof, vervloeide SaŁlís eer
En vorig rijp geluk allengskens, min noch meer
Gelijk een beek, die van een lagen heuvel steigert,
Verdroogt, zo ras de lucht het aardrijk regen weigert.
Een damp holp síkoninks brein aanít woÍn, en uit zijn stel,
Zo dat menít smeken most met síherders snarenspel.
Indien de wapens iet, dat loflijk klonk, bedreven,
Tíwerd al de dapperheid des herders toegeschreven.
Alít volk begon terstond naar David om te zien.
Tíwas: ĄSaŁl sloeg er een, maar David sloeg er tien.Ē
Gij zelf ontzaagt u niet dien ouden Heer te tergen
Met síballings leven, tot ons harteleed, te bergen.
De stapel van zijn ramp werd met zijn hand voltooid,
Toen hij ít gebergt met doon en wapens zag bestrooid.
De schoonzoon werd daarop voor konink uitgeroepen
Van Juda; Isboseth van Abner en zijn troepen:
Dees zwaaide te vergeefs den zegenlozen staf,
Want Davidís macht nam toe, en SaŁlís afkomst af.
Wij vonden ons alom geslagen, of verraden.
Wat wil men, uwen druk opwroetende, u beladen?
Wij raakten van den stoel: de herder steeg er op.
Een ieder bad hem aan, en gaf ons huis de schop.
Wij, iegelijk ten spot, dus uit den troon gebeten,
Die schier een halleve eeuw van díonzen werd bezeten,
Verlaten vrolijk ít licht, om langer niet versmaad
Te duiken onder hern, wiens starre boven staat;
En die ons nimmer deel aan Vaders erf zou gunnen,
Om niet door síanders eer zijn ere te verdunnen.
Ook staat een edel hart, gedreven uit het spoor
Van síwerelds heerschappij, de dood veel schoner voor
Dan ít leven, zonder hoop van immer te regeren,
En enen schildknaap dus zijn huis te zien braveren.
Dies bidden wij, magít zijn, en is uw gunst zo groot,
Verbidt uw zonen niet, noch kwelt u in hun dood.

MICHOL.

Och waart ge inít harrenas als helden omgekomen,
Daar Grootva‚r ít leven liet, en sneuvelde op uw omen,
Tíwaar erelijk en met een lijkklacht doorgegaan.
Mijn druk, aanít sluimeren geraakt, vangt weder aan,
En schiet als uit den droom, ontstelder dan te voren,
Om dees vervloekte dood en straf, uw hoofd beschoren.

RISPE.

Mijn kinders, heb ik u tot zulk een smaad gebaard,
En zo zorguldiglijk gekoesterd en bewaard
Tot díallerhardste straf, die iemands hoofd kan treffen?
Ik stort. Oud wijf, wie zal u weder heffen?
Wie stutten m et zijn hand? Ik zwijm, ik sterf van rouw.
Ik ben een levend lijk. Waar leeft bedrukter vrouw?

GABAONNERS.

Zij tergen ons geduld met al dit ijdel treuren.

MICHOL.

Gij zult een moeder eer van hare kindren scheuren
Dan scheiden. Tíveil omhelst den ollem niet zo hecht,
Als zij zich om hun hals en armen windt en vlecht.

RISPE.

Mijn zonen, kílaat mij niet van uwen boezem rukken.
Zo zal ik mond aan mond, en borst aan boezem drukken.

GABAONNERS.

Gij worstelt te vergeefs, o wereloos geslacht!
Wijkt af, uw hof heeft uit: hier komt een sterker macht:
Dies duikt voor haar van zelfs, eer zij u straks leer duiken.

GEBROEDERS.

Gij moogt díontvange macht gebruiken, niet misbruiken,
En tegens vrouwen minst, nog minder tegens haar,
Die u weleer geboŰn.

GABAONNERS.

                                  Wat vordert dit misbaar?

MICHOL.

Och zuster Merob, zie, hoe handelt men uw kinderen.

RISPE.

Och koning SaŁl, help mij dit geweld verhinderen.

GEBROEDERS.

Nu, moeders, weest getroost, en zet uw hart wat neer.
Nu kust ons nog voorít lest, nog eens, en dan niet meer.
Verreukeloost u niet vergeefs. Laat Cham betijen,
En gunt de wraak haar mil. Hier baat geen tegenstrijen.
Dit onweer sleept ons weg, dies staakt uw droef geklag.
Geen anker hecht zo vast dat tegenhouden mag.

MICHOL.

O mijn verweze zonen,
Zijn dit de goude kronen
En scepters, aan uw hoofd
En rechte hand beloofd?
Zijn dit díivore trappen,
Om op den troon te stappen,
En wijd en zijd ontzien
De stammen te gebiÍn?
Heeft mij mijn hoop bedrogen?
En zijt gij opgetogen
In mijnen zachten schoot
Tot zulk een harde dood?
En moet och moet ik lijden,
Dat slaven zich verblijden
In hunner heren leed?
Hoe valt u ít lot zo wreed?

RISPE.

Och och! ditís balsem in mijn wonden.
Ik heb mijn SaŁl weergevonden
En Abner. Kízie met vreugd althans
Hier voor mij staan mijn beide mans,
Daar staan die helden voor mijn ogen.
Ik heb, ik hou hen, kíhou hen vast.
Nu vrees ik langer leed, noch last,
Noch zwaarden, noch gespanne bogen.
Mijn eerste en leste bruidegom,
Ik kus, ik heet u wellekom.
Waar waart ge toch zo lang gebleven?
Hoe liet ge mij zo lang alleen?
Ik zat en treurde op dezen steen,
En schiep niet langer lust inít leven.
Och blijf me nu getrouwer bij
In deze dikke duisternissen.
Ik mag de zon, maar u niet missen....
Of is dit spook, of razernij?

GABAONNERS.

Ja, wel isít razernij. Men lei haar straks naar binnen.
Zij raast van rouw. Gij ziet, het gaat haar aan de zinnen.
Voort voort, de dag verloopt: al lang genoeg geschreid.

GEBROEDERS.

Nu, moeders, weest getroost tot in der eeuwigheid.

REI VAN PRIESTEREN

ZANG.

Wat was dat een vervloekte dag,
Toen, midden onder vier en tachtig,
Ahimelech doorsteken lag
.
Die dag is Levi nog indachtig,
Toen dit aartspriesterlijke licht,
Met zesmaal veertien bleke stralen
Gedoodverfd om zijn aangezicht,
In ene zee van bloed ging dalen,
Van bloed, ítwelk uit hun boezems liep,
En, vervende het sneeuwwit linnen,
Vast wraak, als ít bloed van Abel, riep
Tot God, en alle Serafinnen.
O bloed, wat hebt ge God geklaagd?
ĄKíheb wetende niet kwaads bedreven,
Alleen ít orakel raad gevraagd,
Den held geweer en spijs gegeven.

Kíheb SaŁlís scepter nooit misdaan;
En ziet God koel dien gruwel aan?Ē

TEGENZANG.

Het bleef niet bij dit bloedig bad:
Die dolle kon zich niet verzaden,
Hij most in Nobe, Ašrons stad,
Tot díenklen toe in bloed gaan waden.
Daar werd noch arm, noch rijk gespaard,
Noch man, noch vrouw, noch zuigelingen,
Noch maagden; toen dat dronken zwaard,
Gevolgd van zoveel blote klingen,
Het al vernielde, ook ít stomme vee;
Ja zelf de stad, die díere stutte
Des hemels, als een kind van vree,
Haar school, ook díEphod, en Gods hutte,
Wat heilig en onheilig was,
Most voort, inít algemeen verdelgen.
De moord sloeg voort deur dezen plas,
En trof (zij mostenít mee verzwelgen)
Ons Gabaonners op den kop:
Dees dronken mee vanít zelve sop.

TOEZANG

Eerwaardste Vader, Abjathar,
Ter goeder uur zijt gijít ontdoken,
Gelijk een ondergaande star, Om rijzende, eens te zien gewroken
Rechtvaardig, buiten uwe schuld,
Uw Vaders onrecht en uw magen.
Toen warenít tijden van geduld:
Maar sedert druppelden Gods plagen
Opít moordhof van dien schelmsen vorst,
En alle zijn nakomelingen,
Vanít priesterlijke bloed bemorst.
Aldus verkeert de beurt der dingen.
Gods tulband lijdt noch schimp, noch hoon.
Wie God ontwijdt, ontwijdt zijn kroon.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001