Joost van den Vondel (1587-1679)

GEBROEDERS

HET VIJFDE BEDRIJF

LEVIJTEN, DAVID

LEVIJTEN.

Zo moet het allen gaan, die Davidís scepter haten.

DAVID.

In welk een schijn hebt gij díellendigen gelaten?
Hoe koelde Gabaon zijn wreeklust met dit bloed?

LEVIJTEN.

Zij stapten onversaagd de wisse dood te moet,
Ter poort uit, door een straat van mensen dichtgedrongen,
Een mengsel van Hebreen en allerhande tongen,
En, al den weg inít lang, bewonden met een ring
En drommel volks, ítwelk voor, ter zijde, en achter ging.
De Gabaonners, die, van heilge wraak bezeten,
De zeven halzen, hecht gesloten aan een keten,
Vast sleepten, toonden hun het wraakautaar van veer,
Uit woeste dartelheid, en woedden min noch meer
Als ít boszwijn, tegens moede en afgejaagde honden,
Wanneerít schuimbekkende, om het smarten van zijn wonden,
Ten einde van geduld, krankzinnig gilt en balkt,
Een muil vol kiezen en twee blikken openspalkt,
En zijn vervolgers vat; die uit den a‚m gelopen,
Hun hete zwijnejacht nu met den hals bekopen.
ĄWij hebben nu,Ē riep díeen, Ągelicht het wolvenest,
Het leger rood van moord, en deze lamrepest,
Die toelei met den tand op bijten, rijten, stropen;
íT gebroed van ítwelk niet goeds voor herders stond te hopen,
Zo vet een buit, als ooit een jager opdoen kon.
Hoe willen ze te pronk, gebraden in de zon,
De luiperds noŰn te gast, en arenden, en kraaien,
En hen met spieren, merg, en brein, en ogen paaien
En ander riep: ĄHoe past die keten om den hals
Van ít koninklijk geslacht? Maar dit metaal is vals,
Of slechter als het goud, dat SaŁl plag te kronen.
Hoe wordt de vader nu verheerlijkt in rijn zonen!Ē
Een ander: ĄVaart niet voort. Ziet toe, en wacht u, dat
Gij met doorluchtig bloed uw handen niet bekladt,
En nu MefŪboseth flus opkoom al verbolgen,
Die naar zijn ezel toeft, om ít onrecht te vervolgen.Ē
Een ander: ĄNeen, tíis best dit kostlijk bloed gespaard.
Men make een zak vanít lijf, en knoop het toe, zo vaart
De damp der staatzucht niet inít brein, gelijk voorhenen.
Hoe welig treÍn ze nu op huppelende benen!Ē

Dus endlijk af- en opgestegen met veel spots,
Geschopt, gesleurd, vervloekt, genaken ze de rots,
Waarop de ziel, door storm vervallen, dreigt te stranden.
Het hangen vanít gebergt met allerleie standen
Van mensen, zowel oud als jonk, en arm en rijk,
Behangen en gepropt, een schouwburg was gelijk,
Recht over Gabaš, daar díeerste der drie bergen
(Wier platte kruinen elk de lucht en hoogte tergen)
Allengskens afloopt aan de grens van EfraÔm,
Die van den stroom naar zee zo slangwijs kruipt en slim,
En hier dees heirbaan kruist, die als een lijn geschoren,
Schiet van Jeruzalem recht toe op Sichemís toren.
Hier valt de reis en tocht van overal voorbij.
De staken stonden reed, en zeven op een rij.
Gods wraak glom Gabaon en Levi uit zijn ogen.
De Benjaminner hiel zich stil en ingetogen,
Ontveinzende met kracht den rouw, die ít hart beving,
Vermits zijn Zevenstar zo drukkig onderging
Voor díaangebede Zon van Juda, hoog aanít rijzen.
Het was er drok te doen met roepen, wenken, wijzen.
De Broeders stelden zich met ít aanzicht herwaart aan.
Armoni zag men daar getroost inít midden staan,
En wenken met der hand om tegensít volk te spreken.
De hoofden werden straks met stilte als overstreken,
De monden zwegen kort. íTgerucht had uitgeraasd:
Gelijk wanneer de wind met stijve kaken blaast
Bij buien inít gewas, de wufte korenaren
Naít ruisen ene poos geraken te bedaren.

DAVID.

Wat sprak die brave held? Wat lag hem toch opít hart?
Mijn geest bezwijkt. Ik ben beladen met zijn smart.

LEVIJTEN.

ĄAanschouwers,Ē sprak hij, Ąnu dit lut ons schijnt beschoren:
Wij nemenít willig aan, als sterfelijk geboren.
Zo dit u uit den muil van dieren hongers nood
Kan rukken; offert ons, en leeft door SaŁlís dood:
Maar leert u midlerwijl aan niemands lot vergapen.
Gij ziet, wien vader eer verloste van de schapen,
En ophief uit het stof en voetzand, als een zoon,
Zo hoog; en die nu trots, gezegend met zijn kroon,
En ítmachtige bezit van dertig koninkrijken,
Schoon ítwettige geslacht de vlag voor hem ging strijken,
Dien helsen wrok van Cham in slaap wil wiegen, met
Den voet opít overschot van vaders kist gezet;
Al isít geen nood, dat wij, och wemelende wormen
Van ít verrotte lijk, hem uit den zetel stormen.
Maar díOpperste, wien al ons rampen zijn bewust,
Zij wreker, en vergun zijn afkomst vree noch rust.
Dat zich de broeder met des broeders bloed verzade,
En Abjathar verval in sínazaats ongenade.
Dat Levi en de kracht der stammen het gebit
Voorwerp, eer síHerders staf bereik het derde lid;
En onder enen vorst, den vorst van Juda dage
Te velde, daar het rookt van moord en nederlage;
Inít bloedig worstelen van Rijken tegens een,
Van heirkracht tegens heir, van steden tegens steÍn,
Altaren tegens koor, en tempel, en altaren,
En Aron met den staf in Aronís schild gevaren.
Dat síHerders eigen kroost, of ít grootste deel hierna,
Geweldig aangerand, om hals raak of verga,
En kwijne in vangenis en vreemde slavernije;
En Isai afsterf van den staf en heerschappije.
Dat zich díAartspriester zet in sírechters hogen troon,
Ook zelf met Jesseís kroon Ašronís tulband kroon,

Ja blindling wroet naar roest van rijkdommen en gaven,
Uit holle gierigheid, in síHerders as en graven.
Zo dit ons warende as en geest nog niet vernoeg;
Dat Juda scepterloos en Levi, wien dit wroeg,
Voortvluchtig, zonder kerk en outer ommezwerve,
En onderít heidendom verstrooid en heilloos sterve;
Opdat, al díaardboom deur, geen zo verschoven hoek
Te vinden zij, die niet getuig van SaŁlís vloek.Ē

DAVID.

íKverdroeg dien last des vloeks van Simei geduldig,
íKverdraag dit ook van hun. God oordeelt mij onschuldig,
Die Zijn gerecht voldoe. Des volks behoudenis,
Waarmee, tenzij menít berg, het omgekomen is,
Beweegt me meer dan ít leed van zulke lieve magen;
God geef, wat opspraak ook mijn faam hierom zal dragen
Bij den nakomeling. Mijn glorie val inít slijk.
Ik schel hun ít schelden kwijt, ten dienst van God en ít Rijk.
Wat zegen heeft mij ít volk voor zulk een vloek gegeven?

LEVIJTEN.

Het volk stak driemaal op: ĄGod spaar den Konink ít leven.
God demp díerfvijanden, die naar zijn scepter staan.Ē
Toen grepen hen terstond onze outerknechten aan,
En wringende om den hals de taaie en gladde koorden,
VerboŰn de keel de lucht, den mond die lasterwoorden.
Zij stortten op het gras als zeven pijlers neer,
Als hun de grond ontzakt. Men trok de lijken weer
Met touwen op, en hing ze aan staken, elk bijzonder,
De handen boven vast, en bei de voeten onder.
Niet een van al, dien ít hoofd niet slap voorover hing
Opít hart, gelijk of hun de zachte slaap beving.
Dat raakte menig hart met avrechts medelijden:
Terwijl een rouwkaros door al den drang kwam rijden
Den berreg op. Elk week met grote eerbiedigheid.
Men twijfelde eerst wie ít was, en twistte om klaar bescheid,
Totdat voorít nieuw gerecht de paarden staande bleven,
En Rispe hallef dood, en van dit lot gedreven,
Met handen in het haar uit heuren wagen zeeg,
En onder díoksels voortgeleid, de staken kreeg,
En vatte ít heilloos hout, waaraan de zoons gebonden,
Hun stomme moeder vast met sprakeloze monden
Nog antwoordden, zij zelve een marmerbeeld geleek,
Behalve als ze zweem, zo dikwels ít hart bezweek;
En, zonder dat we een traan langsít aanschijn rollen zagen,
Vanít zuchten aanít gesteen, van stenen kwam aanít klagen.

DAVID.

De jammerklacht verlicht den moederlijken druk,
Gevat doorít naar gezicht vanít deerlijk ongeluk
Der zonen, op wier hoofd zij al haar hope bouwde.
Hoe klaagde díarme weeuw, toen zij ít gerecht aanschouwde?

LEVIJTEN.

ĄHelaas! wat zie ik hier met droge wangen aan?
Kan dit een moeder zien, en op haar benen staan?
Och kinders, kust ge mij met neergeslage tronie?
Zijt gijít, MefŪboseth? Zijt gijít, mijn troost, Armoni?
Wien van dit lieve paar omhelze ik allereerst?
Zijt gij dat edel kroost, waardoor uw vader heerst,
Gelijk zijn mond beloofde? als hij mij kuste en streelde;
En smeltende in mijn schoot, genoot volop van weelde;
Daar ik dit eertijds schoon en welgeschapen lijf
(Doch nu een grijns, een best, een oud verschoven wijf)
Hem opdroeg met de roos, die opging voor zijn stralen,
Gewoon den morgendauw uit hare jeugd te halen.
Heb ik u, waarde zoons, tot zulk een end gebaard,
Opdat gij een grijphoen, een tiger, wreed van aard,
Zoudt vallen in den hek en gruwelijke kaken?
Maar neen, ik wil om u mijn leger slaan en waken,
En nacht en dag, geen weer ontziende, op schildwacht staan,
Noch rusten, eer men u ter aarde hebí gedaan.Ē
Zo klagend, raakt ze inít end van klagen aan het schreien,
En doet haar jofferen een zak op díaarde spreien;
Daar zet ze zich, en huilt, en balkt, en houdt geen maat.
Het licht valt haar te sterk, hoewel het ondergaat.

Nu zal u SaŁlís as noch wroetende afkomst hinderen.
Hij heeft geprofeteerd, maar niet van zijne kinderen.

DAVID.

Och Ajaís dochter, hoe betoont ge met der daad,
Dat gene moeder ít kind inít uiterste verlaat,
Ook niet, wanneer de ziel vanít lichaam is gescheien.

Daar komt MefŪboseth: mij dunkt, ik zie hem schreien
Van blijschap; overmits de geesten (door de smart
Van dees gedreigde straf getrokken eerst inít hart
En daar besloten, en beklemd van alle zijden)
Uit hun gevankenis geslaakt vanít nakend lijden,
Opvliegen naar het brein, en drijven naar beneÍn
Door díogen de verdunde en zilte vochtigheÍn.
O heftige ommezwaai van heftige gedachten,
In wederlevenden, die straks de dood verwachtten!

MEFÕBOSETH, DAVID

MEFÕBOSETH.

Gezalfde Konink, ik val met mijn zoontje neer,
Voor uwe kniÍn, en kan uw welda‚n nimmermeer
Verdienen; nademaal gij mij, nu nieuws herboren,
Verloste van het lot, dit kind en mij beschoren,
Gelijk mijn ooms, en neefs, en al mijn grootvaars huis,
Vermorzeld voor uw troon tot pulver en tot gruis.
Ik zit aan síkoninks dis, als andre disgenoten.
Gij hebt me met genade en zegen overgoten,
Uit liefde, die gij draagt mijn vader Jonathan.
Eťn weldaad schort er nog, indienít geschieden kan,
En wij, vergeef het ons, u wijder vergen dorven.
Dit schuldig zevental, vervloekter dood gestorven,
Blijft hangen, schoon de zon alreÍ inít water duikt.
Het klaagt, dat Mozesí wet uit afgunst wordt misbruikt,
íTgezegend land besmet, en bidt om ene gave,
Magít wezen, dat men hen, eer díavond val, begrave,
Dat vasten, dat gekerm, dat waken moet haar slijten.
Naar ít oud gebruik. Gij preest weleer de burgerij,
En jeugd van Jabes door gezanten, omdat zij
Mijn grootva‚rs doden romp waarmee de poorten praalden
En vesten van Bethsan, hij nacht, gewapend haalden,
Met staatsie brandden
, en met vasten en gesteen
Den vader en drie zoons inít woud ter aarde deÍn.
Gij staat, vertrouwen wij, niet min als toen, in reden.
Dees hebben strafs genoeg, hoewel met recht, geleden.
Zij hangen op de grens, heel Benjamin te spijt,
Inít oog van al, wat langsít gebergte reist en rijdt;
Inít oog van SaŁlís hof en stad, op zijn geboorte
Eer trots. Zij rieken al ten neus in van dees poorte,
Waardoor de besteva‚r al triomferend toog,
Tot roem zijns vaderlands. Zij hangen in het oog
Der Cherubinnen zelfs, die hier de Bondkist dekken,
En draaien ít aanschijn, schuw van zulke doodse vlekken.
Gij hoort wel aanít misbaar, hoe Rispe smeekt en bidt,
Gelijk een stokbeeld zit, en mijmert, daar ze zit,
En zomtijds opschiet, op geruis van klauw en vlogel
Opdat ze ítwild bij daag, te nacht den naren vogel
Vanít stinkende aas verjaag. Dat zitten valt te bang,
In zulk een eenzaamheid; díaanstaande nacht te lang
Een oud en koud geraamt, alrede hees van krijten.
Dat vasten, dat gekerm, dat waken moet haar slijten,
Tenzij menít hart verkwik. Beweegt u símoeders trouw
Tot hare vruchten niet; zo laat u síkonings vrouw,
Een uitgeleefde weeuw, het haar omít hoofd, bewegen,
En ít lichaam, in wiens arm uw voorzaat heeft gelegen.
Bezwalk toch niet in haar den glans der majesteit,
Die nog in díogen speelt, waarin díaanminnigheid
Des konings, eer haar vel nog was geploegd vol voren,
Zich spiegelde, nooit zat van kussen en bekoren.
Zo zegen díOppervorst van boven uwen staf.
Zo ruste uw afgeheerst gebeente inít eerlijk graf.
Zo roem uw nazaat staag op uw gedachtenisse,
Alsít nimmer Davidís kroon aan wettige afkomst misse.

DAVID.

Sta op, mijn neef, sta op: al haast genoeg gezeid.
Tíis meer dan billijk, dat na síRechts gestrengigheid
Cena heur beurt hewaar. Nu droog en wis uw ogen.
Wij gunnen u al ítgeen God stelde in ons vermogen.
Het waar nu tijd de zein te slaan inít garstenveld,
Maar ít ziet er vee1 te dor en mager toe gesteld.
Zo ras de wolken ít land bevochtigen met regen,
Tot teken van Gods zoen, doorít zevental verkregen,
Zal ik dees lijken straks doen slaken van het hout,
En hen inít graf van Kis, te Sela trots herbouwd,
Met uw grootvaderlijk en vaderlijk gebeente,
Van Jabes hier gevoerd met staatsie van gemeente
En groten, koninklijk begraven naar hun staat.
Nu volg me na inít hof: ik blijf uw toeverlaat.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001