Joost van den Vondel (1587-1679)

GEBROEDERS

De Groot aan Vondel.

MIJNHEER,

Ik heb met verwonderinge gelezen Uwer E. Treurspel van Sauls Kinderen, waarin ik niet wel en kan zeggen, wat mij meer heeft behaagd, de koninklijke invallen en leeringe, of de levendige uitdrukking van de beweging, of de rechtmatigheid in ieder persoon het zijne te geven, of de Hebreeuwsche manier tot een stip nagevolgd, of ieder welgeordende vervolg van het werk. Mij dunkt ook niet, dat het beginsel van dit Treurspel behoeft te wijken aan een gelijk beginsel van Œdipus-den-koniflgk bij Sofokles, of den vloek van Armoni aan die van Dido hij Virgilius, van Hypsipile hij Ovidins, of van Œdipus bij Papinius. Ik bidde UE., dikmaal zulke stukken bij de hand te nemen, zonder dat groote stuk van den grooten Constantijn te vergeten. Ik blijve borge, dat hetzelve hoogst aangenaam zal zijn aan alle, die dat verstaan, en bidde de afwezende vrienden te willen gedenken.

Tot Parijs, den 10en November, 1640.

UE. gansch dienstwillige

H. DE GROOT.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001