Joost van den Vondel (1587-1679)

GEBROEDERS

INHOUDT.

Konink David, na een driejarige dierte, geboren uit gebrek van regen, God raad vragende, door díaartspriesterlijke geheimnis Urim en Thumim; en verstaande, dat de moord van SaŁl en zijne afkomst, eertijds begaan onder schijn van ijver en godsdienstigheid, aan de Gabaonners, oorzaak der landplage is; Ė zoekt hunne nakomelingen (een overschot ger AmoreÍ ten tijde van Jozua met ede in zijne beschuttinge aangenomen) te verzoenen, opdat het land wederom gezegend werde van hunlieden, die om SaŁls gedachtenis, tot in weerwraak vanít ongelijk, geheel te verdelgen, noch goud noch zilver, noch iemand anders eisen, maar zeven mannen van zijnen bloede, om hen voor Gabaš, SaŁlís geboortestad, voor de Bondkist, op te hangen. De koning, MefŪboseth, Jonathanís zoon, en Micha, MefŪbosethís zoontje, verschonende, om den eed, dien hij den vader gezworen hadde, levert den AmoreÍn Armoni en MefŪboseth, bij Rispe, SaŁlís beddegenoot, geteeld; ook Micholís vijf zonen, of die zij, zo men gelooft, voor zonen aannam, en AdriŽl, BarsillaÔís zoon, bij Merob, hare ouder zuster, won.

De Gabaonners dan hingen dezr zeven, of twee en vijf Gebroeders, op den berg, inít begin des garstenoegsts. Rispe Ajaís dochter, spreidde op de steenrots bij het gerecht, en zak om hier zelve sídaags de vogels, sínachts de dieren van gedode lichamen te keren, totdat de regen zoude vallen. De koning, dit horende, besloot, dat hij (zodra het, tot een teken dat God verzoend was, regende), het gebeente van SaŁl en zijne zonen, (te Jabes in Galašd rustende, en van Bethsan eertijds ter sluik daar gebrocht) zoude laten halen, en tegelijk met de lichamen der gehangenen te Zela, onder Benjaminísí stamme, inít graf des oudgrootvaders Kis, te doen begraven. Dit is getrokken uit Samuelís tweede en Josephusí zevende boek der Joodse aaloudheden.

Het toneel is te Gabaš. De Rei bestaat uit Priesteren. Het treurspel begint effen voor en eindigt met den dag.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001