Joost van den Vondel (1587-1679)

GEBROEDERS

INLEIDING

Na zijn Hieruzalem Verwoest van 1620 had Vondel, vijftien jaren lang van diepe en felle bewogenheid in zijn leven en in zijn kunst, geen enkel bijbels toneelspel meer gedicht. Het is Huig de Groot, de derde grote persoonlikheid in sídichters strijd voor waarheid voor vrijheid en voor recht, die hem weer terugbrengt tot het bijbelse toneel. In 1635 vertaalt Vondel uit het Latijn diens SofompŠneas of Jozef inít hof, het eerst gedichte van Vondelís drie Jozef-spelen, maar het laatste inít gcbeuren van de Jozef-geschiedenis door hem opít toneel gebracht.
Maar eerst in 1640 brengt hij met Gebroeders weer zijn eerste oorspronkelik bijbel-spel. Dit spel beeldt het tragise einde der zeven mannelike afstammelingen van koning SaŁl, die op Gods bevel door Koning David ter dood worden verwezen, als zoenoffer en boetestraf voor de misdaad door koning SaŁl en zijn zonen bedreven aan de inwoners van Gabaon. Ondanks het gegeven woord van JozuŽ, IsraŽlís aanvoerder bij de inbezitneming vanít Beloofde Land, ondanks den eed van SaŁl zelf, waren vele Gabaonners vermoord. Een felle driejarige droogte en hongersnood teisterde IsraŽl, en deze straf voor de misdaad en woordbreuk, zou niet ophouden voordat SaŁl in zijn nakomelingen had geboet: ĄGod bezoekt de zonden der ouders aan hunne kinderenĒ.

Gebroeders is het spel van Gods rechtvaardigheid onder de harde Oude Wet, waarin Gods uitgesteld strafvonnis het volk van IsraŽl en SaŁlís zonen achterhaalt. Zelf mogen en kunnen de Gabaonners hun bloedwraak niet volbrengen, maar Gods rechtvaardigheid zal hun voldoening geven. Het is ín treurspel van grootse tragiek in machtige uitbeelding, vooral van de karakters.
Allereerst de bijna bovenmenselike grootheid van Davidís karakter, die, hoe nameloos leed het hem berokkent, gehoorzaam Gods bevel volbrengt, en het heil van heel zijn IsraŽlietise volk stelt boven de redding der slachtoffers. Zo menselijk zuiver heeft de dichter doorvoeld de geweldige strijd in Davidís gemoed, de strijd tussen zijn huiveringwekkende plicht van dienaar Gods en van redder van zijn volk, en daartegenover zijn smartelik medelij met de zeven gebroeders, naaste bloedverwanten ook van zijn vrouw Michol. Juist dit boven alles stellen van Gods bevel en het welzijn van zijn volk doordringt heel dit menselik gebeuren.
Zo de andere karakters:

Die geweldige tragiek heeft Vondel geschilderd in dit treurspel met zijn machtige hartstochten en zijn diep menselike ontroering. Dit alles inít sterke en toch zo gevoelige woord van Vondelís prachtige verzen.

Vondel heeft dit treurspel opgedragen aan zijn hoogvereerde vriend Geraard Vossius, hoogleraar van Amsterdamsís Doorluchtige School. Om dit kunstwerk heeft deze aan de dichter gezegd: scribis aeterntati: gij schrijft voor díeeuwigheid.
Van Vossius ook heeft Vondel zijn zuivere opvatting voor de behandeling der bijblelse stoffen in het toneelspel : ĄíTgeen Gods boek zeit noodzakelijk, ítgeen het niet zeit spaarzaam, ítgeen hier tegens strijdt geenszins te zeggen.Ē
In zijn opdracht aan Geraard Vossius, schetst Vondel het volgende opmerkelijke Rubens-tafereel:
Hier word ik belust, om door Rubens de glorie der penselen onzer eeuwe, een heerlijk en koninklijk tafereel, als een treurtoneel te stofferen. Hij valt aan het tekenen, ordineren, en schilderen, nochte zijn wakkere geest rust eer het werkstuk voltooid zij. David zit er zwaarmoedig op den hogen troon. Men ziet er, door een poort inít verschiet, de droge dorre en dorstige landouw kwijnen. Boven inít gewelf vanít prachtige marmeren en cederen hof zwieren zommige engelkens, die naar de gewone zinrijkheid des allervernuftigsten schilders, elk om strijd bezig zijn, om net uit te beelden, ítgeen ter zake dient. Tíeen schijnt het vonnis der Gebroederen uit een half ingerold blad te vellen. Een ander geeft met een geslote waterspuit te kennen, dat de hemel gesloten zij. Een ander beduidt met een dompige fakkel, een ander, met enen waaier inít aanzicht waaiende, hitte en benauwdheid. Twee andere schijnen twee stammen uit te beelden, te weten: het een, dat vrolijk van opz cht met kroon en scepter in top vliegt, Juda; het ander, dat verbaasd en trcurig van gclaat, en met den hoofde neerwaart vallende, naar de vallende kroon grijpt, Benjamin. Andere maken een ijzere keten klaar, om der misdadigen halzen te sluiten. Een ander drukt met weegschaal en zwaard de rechtvaardigheid der straffe uit. SaŁls verweze nakomelingen staan voor den rechterstoel, en zien zeer deerlijk, overmits Benajas den lammen MefŪboseth en het kleentje Micha, op het wenken van síKonings ogen, en wijzen des uitgestrekten scepters, uit den hoop trekt; terwijl de Gabaonners met wraakgierige en gloeiende aangezichten, een díene zijde op hun recht dringen, en aan díandre zijde hem benauwen het misbaar en de tranen der allerbedruktste Michol; waarnevens de stokoude weduwe, al bevende met de rechte hand op haar stoksken, en met de slinke op de rechte schouder van hare kamenier leunende, met een lachende aanschijn meldt, dat ze, van rouwe aanít mijmeren geslagen, niet weet wat ze zeit.

Gebroeders is ook nog hierom merkwaardig, omdat dit zijn eerste spel is, waarin hij naar zijn griekse voorheelden, wier opvattingen hij immers sedert enkele jaren zuiver tracht te volgen, ten eerste de rei ook in de bedrijven zelf doet deelnemen aan de handeling, en vervolgens ook buiten die reizangen meermalen aan de sterker bewogenheid van zijn personen lierise uiting geeft.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001