Joost van den Vondel (1587-1679)

Gijsbreght van Aemstel

DE GROOTS BEANTWOORDING DER OPDRACHT.

MIJNHEER,

Ik houde mij zeer geobligeerd aan UEd. beleefdheid ende groote affectie tot mij, dewelke schier alleene, immers nevens weinige van die landen, zoekt te verzoeten mijn geleden zwarigheden, ende te vergelden mijne onbeloonde diensten. Ik heb uwe gaven ende werken altijd ten hoogste geestimŽerd. Zoo ik van dit werk zonde zeggen dat ik gevoele, zou zoude ik mogen verdacht zijn, of ik de eer, die mij is geschied door de toeŽigening, daardoor zonde willen erkennen, ítwelk ik noch daarmede nochte op andere wegen en zie te kunnen doen na behooren. Bij anderen wil ik wel spreken van de gelukkige uitkiezing van deze in de daad warachtige, maar bij UEd. schoon gesierde geschiedenisse, de stad van Amsterdam, daar dit werk is gemaakt ende vertoond eigentlijk toekomend, de zeer wel wegende schikkingen van alle deden, van het eerste tot het laatste, wijze leeringe, teÍre hartroeringe, vloeyende doch welverknochte veerzen. Bij UEd. zal ik niet anders zeggen, dan dat ik Amsterdam voor gelukkig houde, zon vele daar zijn, die dit werk na zijne waarde kunnen schatten. Den Coloneeschen Ćdipus van Sofocles, de biddende vrouwen van Euripides, hebben Athenen nooit grooter eere aangedaan, dan Amsterdam hiermede geniet. Ende alzoo ik vertrouw, dat dit werk onsterfelijk is, zou derf ik daaruit verhopen, ítgunt mij mijne eigen werken niet en derven toezeggen, dat mijn naam zal blijven levende in een stad, die ik ten hoogste altijd heb geŽerd. Groots dankbaarheid ben ik UEd. schuldig, dewelke ik in mijn hart onverzeerd wil bewaren, totdat ik eenige gelegentheid vinde, om dezelve metterdaad te doen blijken.

Tot Parijs, den 28en Mei 1688.

  UEd. dienswillige ende dankachuldige

  H. DE GROOT.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001