Joost van den Vondel (1587-1679)

Gijsbreght van Aemstel

HET TWEEDE BEDRYF

WILLEM VAN EGMOND, DIEDRICK VAN HAERLEM
HOPLIEDEN

EGMOND

Wy zijn by ít klooster weer, daer Willebrord in vree
Met al de broeders woont, en stort zijn avondbee.
ítZal nodigh zijn dat wy den hopliÍn openbaeren
Het geen op handen is.

DIEDRICK

              ítIs tijd, zy wisten gaeren
Wat hier van wezen magh. Verlos hen van die pijn.

EGMOND

Manhafte hopliÍn, hoort! Wy hebben, onder schijn
Van onderling krackeel, eení aenslagh voorgenomen,
Om beter tot ons wit op eenen sprong te komen.
Men heeft daer op het heir van daegh te rugh gevoert;
Mear dat en is het niet, waer opd e veltheer loert,
Noch ít geen men onder ;t volck veel dagen hoorde mompelen.
Ons wit is desen nacht den vyand tíoverrompelen,
Nu hy zich veligh acht, en buiten krijghs gevaer.
Voor ít opgaen van de maen (ten duncke niemant zwaar)
Zal ít leger meester zijn van poorten en van vesten.
Wat is íer dan voor u een rijcke buyt ten besten!
Hoe zultghe weiden gaen op ít slot en in de stad!
Zoo yemant streeft an eer, ick toon hem ít rechte pad,
De heirbaen van de deughd, om moedigh op te steigeren.
Zy offert u den prijs, íten zyít uw handen weigeren.
Wie rustigh is, die spreeck, en houde wapens ree.
Wie zich flaeuwhertigh vind, dat die te rugge tree.
Ick heb my op dit stuck met weinigen beraeden,
En ít Zeepaerd, ít welck eerst lagh aen ít Y, met rijs doen laeden,
De Sparewouder reus, met yver aengezocht,
Ging met de bloem des volx en ít puick van al de grooten
Te nacht grootmopedigh scheep, op ít noemen van de loten.
Mijn broeder Wouter zelf, Vianen, met de zorgh
En hope van zijn huis: Abkou en Ryzenborgh,
Put, Grobber, Kuilenburgh, met Arckel, Borsslen, Vooren,
En ísgraven zoonen beide; en ít schip, na dat wy hooren
Uit ons doortrapten spie, is al in stad gehaelt
Door Vossemeers beleit. Zoo dat íer niets en faelt
Dan nu te nacht, zoo ras zy poort en sloten breecken,
En Zwaenenburregh viert, te letten op dat teecken,
En voort met alle maght te volgen op het licht
Des schrickelijcken brands, dien Vosmeer binnen sticht.

HOPLIEDEN

De veldheer geef slechts last; aen ons zal ít niet gebreecken.

EGMOND

Waer zalmen best een deel van ít oorloghsvolck versteecken?

DIEDRICK

ít Katuizers klooster is ons ít reedst; het leit hier by.

EGMOND

Dat volck is liefst verschoont, en van inlegring vry.

HOPLIEDEN

ít Is voor ons een korte wijl.

EGMOND

                                            Een Godshuis zoo tíontwijen:
Ick heb het lang verschoont.

DIEDRICK

                                            Laet my daer mee betijen.
Ghy hopliÍn, voert terwijl den voortoght herwaert aen;
Wanneer ghy koomt, zoo zal het klooster open staen,
Of ít most my aen de maght, dat zweer ick hen, ontbreecken.

EGMOND

Ick gae terwijl na stad om Vosmeer noch te spreecken,
Die ter gezette tijd koomt zwemmen door den boom.
Versteur de broeders niet, maer hou u wat in toom,
Noch roept niet luid: men moght uw stem te verre hooren.

DIEDRICK

Een krijgsman laet zich niet van paepen ringelooren.

POORTIER, DIEDRICK VAN HAERLEM, WILLEBRORD

POORTIER

Wie kloptíer?

DIEDRICK

                      Doe vry op, en vrees niet. ít Is uw vriend.

POORTIER

ítIs avond, en een tijd daer ons geen vriendschap dinet.
Koom morgen vroegh by daegh.

DIEDRICK

                                                  Wat sal ons hier gebeuren?
ík Zegh anderwerf: doe op!

POORTIER

                                            Men opent hier gheen deuren
Zoo spade. Ga uw gang. Koom morgen tijdigh weer.

DIEDRICK

Ick zegh voor ít lest: doe op! En doet ghy ít niet, ick zweer...

POORTIER

Wie zijtghe, die dus raest, als wild en uitgelaeten?
Wy dochten langer niet om ruiters noch soldaten.
Heer maerschalck, wel, hoe dus? Wat jaeght u hier zoo spa?
Men sloegh u ít heiligh kruis, doen ít leger op trock, na.
íkGeloof niet dat ghy ons al weder zoeckt te quellen.
en koomtghe dus alleen? Waer zijn uw rotgezellen?

DIEDRICK

Ick koom alleen. Waer is uw meester Willebrord?

POORTIER

Ter kercke, daer hy vast en zijn gebeden stort.

DIEDRICK

Ga, roep hem, want ick moet dien goeden vader spreecken.

POORTIER

O Jesus, sta ons by: dit is een mislijck teecken.
Ick heb gebelt. Hy koomt. Ga, roep den vader, flux.
Soldaten brengen ons heel zelden veel gelux.
Wy zienze noo van voor, en allerliefst van achter.

DIEDRICK

Al wie een hopman huist, die heeft eení trouwen wachter,
En ridderlijck beschut, en hoeft geen poort noch slot.

POORTIER

De beste wachter is de stercke en groote God,
Die nimmermeer en slaept, en luistert na ons zuchten.
Wy bidden staegh om peis en haeten krijghsgeruchten,
En hooren met verdriet het kraeien van dien haen.
In oorlogh houden eerst abdy en klooster aen.

DIEDRICK

Ghy zat hier in ít belegh voor allen moedwil veiligh.

POORTIER

Wy weeten ít Egmond danck, en houden hem voor heiligh.
Daer is de vader zelf, zoo bleeck en afgevast.

WILLEBRORD

Heer maerschalck, wel, wat nu?

DIEDRICK

                                                  Ick koom by u te gast.

WILLEBRORD

Ghy zijt my welekoome, al koomt ghy ongebeden.
ík Verwachte u tíavond niet, en luister na de reden
Dat ghy dus schichtigh keert; daer is wat meer aen vast.

DIEDRICK

ík Verzoeck alleen aen u, en dat door Egmonds last,
Of ick wat krijgsvolck magh te nacht in ít klooster leggen.
Het is een krijgsmans bee; ghy mooghtze niet ontzeggen.

WILLEBRORD

íg Geloof, ghy deunt met my.

DIEDRICK

                                            ít Is errenst, en geen spel,
En Egmonds eigen last. Hy gafme dit bevel.

WILLEBRORD

Hoe zalmen dit verstaen? Heeft Egmond dat bevolen?
Hy stack noit Godshuys aen, noch zocht zich by de kolen
Te warmen van dat vier. ítIs enkel misverstand.
Ghy zijt my wellekoom, mijn heer, daer is mijn hand.
ík Zal u en uwen stoet gewilligh innelaeten:
Maer ít Godshuis op te doen baldaedigen soldaeten
Of ruitren, ík ly het niet, ík vermagh ít met geen gemoed.
Het klooster is Gods erf, en Jesus eigen goed.
Wie kloosters raeckt, die racekt den appel van Gods oogen.
Heer overste, geloof: ít is buiten ons vermogen.

DIEDRICK

ít Is om een uur of twee te doen, ten hooghste dry.
Ick blijf u borghm en hou uw kerck en klooster vry
Van overlast en scham en zal de boosheid straffen.

WILLEBRORD

Met krijghsmans borreghtoght en heb ick niet te schaffen;
Al was ít de veldheer zelf, ick zey ít hem in ít gezicht.
Dit is een overoud en vorstelijck gesticht,
Verzorght in vree en krijgh met zegelen en brieven,
Dat wie het quetst, gedenck eení vorst des Rijx te grieven,
Die zeit: hy raeckt mijn kroon wie ít Godhuys yet misdoet.
Sint Andries is ít gewijd. íT en past geen krijgsman voet.
ít zy veer dat Diedrick nu ís Katuizers vyand werde.
Twee Alexanders zelfs, de vierde en oock de derde,
Gelijck de tweede Urbaen, bevestighden dit slagh
VAn Godsdienst, daermen Bruin wel díeer van geven magh.
Ja, op dat geen gerucht zou steuren ons gemoeden,
Magh niemant deze plaets beneden honderd roeden
Betimmeren, veel min bezwaeren met den last
Dien díoorloogh na zich sleept, of eenigh oorloghsgast.
Wy staen op keizerlijcke en pauzelijcke wetten.

DIEDRICK

De wetten zwijgen stil voor wapems em trompetten.
De nood breeckt wet; ghy mooght op geene wetten staen.

WILLEBRORD

Ontwijd ghy dan ít gewijde?

DIEDRICK

                                              Als David heeft gedaen,
Doen hy voor Sauls zwaerd te Nobe quan gevloden,
En zijnen honger boete aen priesterlijcke brooden,
Dat niemant en vermoght ít en waer ít gezalfde hoofd.

WILLEBRORD

De stoute Usia werd rechtvaerdelijck berooft
Van zijn gezondheid, die hy ít heilighdom ontwijde.
De Priesters hebben god en díenglen op hun zijde.
Dit is het errefdeel dat ons te beurte viel.
Hy laed des graeven vloeck rampzaligh op zijn ziel,
Die ít Godshuis in zijn Recht en vrydom wil verdrucken.
Hebt ghy eení aenslagh voor, ít en kan u niet gelucken.

DIEDRICK

Hoe luidt des graeven vloeck, dat ick u wel versta?

WILLEBRORD

Dat aller heilgen toorne en eeuwige ongena
Alleen niet treffen zal den kindren en den vader,
O gruwel! maer hy moet met Judas, Gods verrader,
Met lucifer en al zijn engelen vergaen,
En schaemrood en verdoemt voor Jesus vierschaer staen;
ítIs schrickelijck. Begint uw hart noch niet te beven?

DIEDRICK

Ja, ít klooster heeft dien vloeck den landsheer voorgeschreven.

WILLEBRORD

Het zy daer mee zoo ít wil, men opent nu geen poort.
ít Is Kersmis; ít klooster viert Gods vrolijcke geboort,
De hooghste feest van ít jaer; dus laet dit werrecksteecken.

DIEDRICK

Katuizer, hier en geld geen prevelen noch preecken.
Bewilligh mijn verzoeck en sta mijn bede toe,
Of anders ly dat ick het ongebeden doe.
De tijd verloopt, ít is spa: daer komen mijn soldaten.

WILLEBRORD

ík Getroost my eer de dood dan ick dit toe zal laeten.
Wat, wilt ghy ít Helsche vier op uwe halzen laen?

DIEDRICK

Tísa mannen, vaert vry voort, en steeckt het klooster aen.
ít is koud, zoo mogen wy ons by de kolen warmen.

WILLEBRORD

Och maerschalck, hou gemack, en wil u doch erbarmen:
ít en is geen Kristen mensch, die brand in kloosters sticht.
Al wat het Godshuis heeft, huisvesting, vier en licht,
En spijs en dranck, het is voor ít krijgsvolck al ten beste.

DIEDRICK

Nu mannen, treckt vry in, treckt voor, ick blyf de leste.

VOSMEER, WILLEM VAN EGMOND

VOSMEER

Ick koom al heimelijck gezwommen door de grachten.
Waer sammelt Egmond nu? Hy zou my hier verwachten.
ít Is doncker. Ick ben nat, en klippertand van kou.

EGMOND

Wel, waer of Vosmeer blijft? Ons afscheid was, hy zou,
Verzeker op dees uur alhier zich laeten vinden.

VOSMEER

Hier is de man al zelf. Die zich durf onderwinden
Eení aenslagh vol gevaers, moet passen op zijn tijd.

EGMOND

Weest welkoom, braeve borst. Nu blijckt het, datghe zijt
Een krijghsman, op wiens woord men wle een kerck magh bouwen.
Hoe hebt ghy ít met den heer van Aemstel al gebrouwen?

VOSMEER

Zoo geestigh, datíer niets aen dezen aenslagh faelt.
De burgery heeft zelf het Zeepaerd ingehaelt,
Met zangen en triomf, als die van Troje deden.
Ick stuurde en hiel het roer: maer ít oorloghsvolck beneden
En liep geen klein gevaer. De bodem slorpte ít nat
Door ít stooten op eení pael, waer door een yeder zat
In ít water tot de knie, en vreesde te versticken.
Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken;
Doch ít leck geraeckte dicht, en stopte wonderbaer
Van zelf; doen brogt de hoest ons weder in gevaer,
Vermits men ít schor geluid bescheidelijck kon hooren.
Zoo God niet had verdooft des Amsterdammers ooren,
Wy waren van ons stem en eige keel verraen.
Ick gaf my zelven moed, en hief eens rustigh aen
Te zingen dat het klonck, schoon hart en nieren krompen.
Dan trantelde ick van kou; dan viel ick aen het pompen.
Zoo raeckten wy in stad, daer als een waterval
Al ít volleck schoot naíet schip, van straet en burreghwal.
De geest van oud en jong door een scheen gespannen.
Men brogt het Vosmeer toe met kroezen en met kannen.
Maer ítzagh er deerlijck uit, doen Gijsbreght liet gebien,
Men zou de naeste poort en ít slot van rijs verzien,
Want door het lang belegh en door de koude dagen
Was al de torf verbrand. Ick holpze rustigh draegen,
En scheen de gaeuwst van al, in ít bangste van dien nood;
Want had het lang geduurt, de zolder waert ontbloot,
Waer onder ít krijghsvolck lagh gedoken in zijn laegen.
Doch díavond viel heel kort, en ick begon te klaegen,
En hiel me gansch vermoeit, en riep: van daegh genoegh
Geslaeft, men staeck het werck, en valleír morgen vroegh
Met nieuwe kracht op aen. Het is nu tijd van vieren,
Nadien ghy van den schrick der Hollandsche banieren
Genadigh zijt verlost, en ickíer ítlijf afbrogt.
Ick schonckze vry gelagh en gafze geld, en zocht
Geveinst den arrebeid tot morgen uit te stellen.
De tijd en lijd nu niet, u alles te vertellen:
Hoe slecht het in het schip en onder het krijghsvolck stond,
En elck verscheelde, en wat een yeder raedzaem vond;
Hoe ickze menighmael door dreigement dee zwijgen,
en konze, om ít leven zelf, niet aen ít bedaeren krijgen;
Hoe Arkel, zeer verkoud, zijní eigen ponjaerd bloot
Gezet had op den strot, en trooste zich de dood,
Om al zijn mackers niet door ít hoesten te verklicken.
Nu schortíer dat wy elck ons werreck voort beschicken.
Het Zeepaerd, zwanger van gewapenden, zal gaen
In arbeid, en van vracht voor ít opgaen van den maen
Ontrent ter middernacht verlossen, als de kercken
Op ít hooghtijd zijn gepropt van menschen, die ít niet
mercken;
Dan zal de laegh, in twee gedeelt, eer ít yemant hoort
Terstond vermeestren gaen de Haerelemmer poort,
En rammenze met kracht; en ick, om u te lichten
Van veer, zal daedlijck brand in ít holle Zeepaerd stichten,
Dat midden in de stad by díandre schepen leit.

EGMOND

De maerschalck wacht op u in ít klooster, al bereit
Terstond met duizend man de muuren in te trecken,
En ít leger leit niet veer. Ick ga het hen ontdecken.

VOSMEER

En ick al weer na stad. Nu, veldheer, pas op ít stuck.

EGMOND

God geef, dat u en my dees aenslagh wel geluck.

REY VAN EDELINGEN

Wy edelingen, bly van geest,
Ter kerke gaen op ít hooge feest,
Den eerst geboren heiland groetn,
En knielen voor de kleene voeten
Van ít kind, waer voor Herodes vreest;
Het kind waer voor een starre rijst,
Die Wijzen met haer straelen wijst
De donkre plaets van zijn geboorte,
En leit hen binnen Davids poorte,
Daer díallerhooghste ít laeghste prijst.
Het Oosten offert wieroock, goud
En myr, tot ís levens onderhoud
Van hem, die, neergedaelt van boven,
In ít arme Bethlem leit verschoven,
Hoewel hy alles heeft gebouwt.
ít Gevogelt, dat op wiecken zweeft,
Zijn nest, de vos zijn holen heeft,
En woont in bergen en in bosschen;
Een stal van ezelen en ossen
Den Schepper naulix herbergh geeft.
De kribbe hem een wiegh verstreckt,
Die ít aerdrijck met den hemel deckt,
En elleck dier bestelt zijn voeder.
O kind, ghy zijt, gelijck uw moeder,
Met pracht noch hoovaerdy bevleckt.
Hier voert de neergedaelde God
De trotze weereld om met spot
In zijn triomf, tot smagd der hoven;
Hier voert hy ít nedrigh harte boven
Met hem, in ít onverwinbre slot.
Hier schuilt dat godlijck aengezicht,
Waer uit de zonne schept haer licht,
En alle starren glans en luister.
Hier leit hy zonder gland in ít duister,
Die englen tot zijní dienst verplicht.
Des hemels reien wiegen hem
In slaep met hunne zoete stem,
Die noit van vaeck en was beschoten,
En weckt het hoofd van alle grooten,
In ít koningklijck Jerusalem.
Augustus Rijck verliest zijn eer;
De Roomsche scepter reickt niet veer;
Het Oost versmaed Latijnsche naemen;
Maer dees beheerscht het al te zaemen,
Oock daer de zonne neemt haerí keer.
De hemel, ít aerdrijck en de hel
Die luistren scharp na zijn bevel,
En ziddren voor de zuivre wetten,
Die hy door visschers laet trompetten,
En blaezen over duin en del.
De doecken daer dit kint in leit
In ít purper van zijn majesteit,
Waer in de harders hem aenschouwen,
Dien God de zielen komt vertrouwen,
Gelijck van ouds was toegezeit;
Dat God zijn kudde weiden zal,
En hoen voor ramp en ongeval,
En naíet verdwaelde schaepken vraegen,
En dat op zijne schouders draegen
Met vreughd by ít overigh getal.
Hier is de wijsheid ongeacht;
Hier geld geen adel, staet noch pracht.
De hemel heeft het kleen verkoren.
Al wie door ootmoed word herboren,
Die is van ít hemelsche geslacht.
Ghy die der vorten harten leit,
Gelijck een beeck, en schift en scheid
Het licht van dicke duisternissen,
Laet den tyran zijní aenslagh missen,
Die den onnooslen laegen leit.