Joost van den Vondel (1587-1679)

Gijsbreght van Aemstel

INLEIDING

In’t jaar 1635 werd de Amsterdamse Akademie, gesticht door Dr. Samuel Coster, weer met de Oude Kamer, De Eglentier, verenigd onder de zinspreuk „Door ijver in liefde bloeiende”. Enige jaren vroeger was de Brabantse Kamer al in de Oude Kamer opgegaan; immers de brabantse groepen waren een geworden met de oorspronkelik amsterdamse. Zo was er dus één vereniging, de Eglentier, die in’t algemeen de opvoering van toneelspelen verzorgde.

In de steeds wijder uitgroeiende stad waren de oude behuizingen der Kamers voor’t toneel te klein geworden, en door de zorgen van de stedelike regering werd ’n nieuwe schouwburg gebouwd op de Keizersgracht, naar’t plan van Amsterdam’s bouwmeester Nikolaas van Campen. Deze nieuwe schouwburg werd geopend in 1637, en Vondel was gevraagd het nieuwe schouwtoneel in te wijden met’n toneelspel. De dichter had als inwijding-spel gedicht zijn Gijsbrecht van Aemstel, d’ondergank van zijn stad en zijn ballingschap opgedragen aan de hoog-vereerde Huig de Groot.

Amsterdam, zoals hier in Gijsbrecht voorgesteld, is het Amsterdam dat Vondel nog in zijn jeugd had gekend: de vesting besloten binnen de burgwallen en de Singelgracht, en door den Amstel gescheiden in Oude en Nieuwe Zij; dus vóór de wijde uitleg uit ’t begin van de 17d’eeuw met de grootse grachten-gordels van Heren-, Keizers- en Prinsengrachten. Ook de bizonderheden van gebouwen en dergelijke, en vooral het scheeprijke wijde water van’t IJ, geeft de dichter gelijk hij en zijn tijdgenoten die kenden, zo dat heel het tragise gebeuren levendig in hun verbeelding zich kon ontwikkelen.

Van zelf sprekend heeft Vondel zijn uitbeelding van dat gebeuren en van de personen die dit gebeuren voltrekken, gegeven naar leven en zeden van de middel-eeuwse tijd, dat is in’t geheel katolieke Amsterdam. De oude tegenstanders van Vondel en van de Akademie en z’n toneel, die in de amsterdamse Kerkeraad nog altijd de meerderheid bleken tc hebben, wisten deze opvoering ’n tiental dagen tegen te houden, om de „vertoninge van de superstitiën van de paperije”; en ze hebben ook gedaan gekregen, dat „de aanstotelikste zaken daaruit gerooieerd zijn”.

Blijkbaar heeft Vondel zich genoodzaakt gezien, een en ander dat hun al te „Rooms” was, te schrappen. Dit zal dan wel zijn toegepast op de tonelen van de Kerstnacht-viering in’t Klarissen-klooster (4e bedrijf), en in de beschrijving van de verwoesting van de Nieuwe kerk (5e bedrijf).

De Gijsbrecht is ’n uitbeelding van Amsterdam’s tragiek in zijn eerste geschiedenis, de schijnbare ondergang voor goed, om dan in ’n toekomst-vizioen aan’t slot te herrijzen in heerlikheid en welvaart, zoals burgemeesteren en raden en al de toeschouwers bij de inwijding van hun nieuwe schouwburg, hun Amsterdam in al z’n grootheid beleefden. Amsterdam zelf is dan ook de eigenlike hoofdpersoon. De stad, worstelend tot het uiterste tegen de steeds nader dreigende ondergang, staat heel’t spel door voortdurend voor onze ogen. De vertegenwoordigers van de strijdende en lijdende stad zijn: allereerst Gijsbrecht zelf, en verder de verschillende groepen der inwoners, die in de opvolgende tonelen en in de treffende innig gevoelde reien zich uitspreken over wat gebeurt en wat te gebeuren dreigt: de amsterdamse Maagden, de Edelingen, de Klarissen, de Burgzaten. Heel Amsterdam’s bevolking zien wij optreden en ondergaan in dood of ballingschap. In grootse schilderingen van diepe ontroering zien we die tragiek zich openbaren; en doorheen Amsterdam’s doodstrijd, de tragiek van Gijsbrecht zelf, die kloekmoedig burg en vaderstad tracht te verdedigen en te redden, en ten slotte moet bezwijken. Maar Amsterdam zelf zal uit zijn as weer verrijzen tot groter heerlikheid en macht. De zekerheid hiervan is Gijsbrecht ’n troost, al zal hij die schone toekomst niet beleven, dan alleen in de verre verbeelding door Rafael’s voorzegging; zoals Mozes alleen in de verte het Beloofde Land mocht aanschouwen, maar zelf niet zou binnengaan. Gijsbrecht z’n eigen tragiek voltrekt zich tot het bittere einde, de ballingschap: Verdelgde stad, wij gaan, en komen nimmer weer.