Joost van den Vondel (1587-1679)

Gijsbreght van Aemstel

OPDRACHT

DEN EDELEN HERE HUIGH DE GROOT

GEZANT DER KONINGINNE EN KRONE VAN ZWEDEN, BIJ DEN ALLERCHRISTELIJKSTEN KONING, LODEWIJK VAN BOURBON, KONING VAN FRANKRIJK EN NAVARRE.

Myn Heer,

Het rijzen van onzen nieuwen Schouwburgh, gevordert door de heeren Weesvaders, en inzonderheid door den yver des Raedsheeren Nicolaes van Kampen, niet onbedreven in Bouwkunst, en liefhebber van alle fraeie geesten en wetenschappen, dede onzen lust rijzen, om dit aenzienelijck gebouw in te wijen met eenigh werck, dat deze stad en burgerije moght behagen; waerom wy voor onze stoffe uitkoozen de jammerlijcke verwoesting van Aemstelredam, en ballingschap van Gijsbreght van Aemstel, doenmaels heer der zelve stede:

Genus a quo principe nostrum:

De rechte stam van Amsterdam.

Het is kennelijck dat d’aloude dichters pooghden de ghedichten den volcke smaeckelijck te maecken met zaecken te ververschen, die hunne vorsten en voorouders betroffen. Homeer verhief de daeden en rampen der Griecken, zijne landslieden, en trompette wat geduurende en na het belegh van Troje gebeurde. Maro geleide Aeneas, na Priamus ondergang, van Xanthus aen den Tiber, en huwde het Latijsche aan het Trojaensche geslacht, waeruit de Romers zich roemen gesproten te zijn. Silius voert den Punischen, Lukaen den burgerlijcken oorlogh. De poeten onzer eeuwe volgen der aelouden voetstappen. Tasso doet der Christenen ooren na hem luisteren, terwyl hy Buljons Christelijcke dapperheid voor Jerusalem zingt. Ronsard kittelt de Vrancken met zijnen Francus, Hektors oir, den stam der Fransche koningen; en Hoofd, de Drost van Muiden, streelt d’Amsterlanders en zijn geboortestad in Velzens treurspel, met de voorspelling van de Vecht, en de Baethouwers met zijnen Baeto, der Katten vorst, waer van de Baethouwers, nu Hollanders genoemt, hunnen oirsprong rekenen; en onder de Griecksche tooneeldichters hangen Sofokles, Euripides en Aeschylus doorgaans om Ilium, en wat daer aen vast is, gelijck wolken om het geberghte, en bouwen hunne bloedige tooneelen te Thebe, t’Argos en elders, en smelten tot traenen van droefheid, of raecken aen ’t hollen van dolligheid en ydele inbeeldingen:

Eumenidum veluti demens videt agmina Pentheus,
Et solem geminum, & duplices se ostendere Thebas;
Aut Agamemnonius scenis agitatus Orestes,
Armatam facibus matrem, & serpentibus atris,
Cum fugit, ultricesque sedent in limine dirae.

Gelijck het Pentheus docht, wanneer zijn brein aen ’t glijen
Geraeckte, dat hy zagh ontelbre Razernijen,
Twee Thebens in de lucht, twee zonnen klaer van strael;
Of Agamemnons zoon Orestes t’elckemael
Op ’t hoogh tooneel gejaeght, terwijl met schrick bevangen
Hy vlood voor ’s moeders geest, verzien met zwarte slangen
En tortzen, daer de Wraeck den drempel dicht bezet.

Het en is oock de reden niet ongelijck, dat onze eige zaecken ons meer ter harten gaen dan die van vreemden en uitheemschen. Beneffens dit inzicht prickelde ons hier toe de genegenheit, om eens (waer het mogelijck) den schoonen brand van Troje t’Amsterdam, in het gezicht zijner ingezetenen, te stichten, na het voorbeeld des goddelijcken Mantuaens, die een vier ontstack, dat geuriger en heerlijcker blaeckt dan de hemelsche vlam die den fenix verteert; gelijck hy d’eenige fenix is in wiens schaduwe het ons lust (zijn wy des waerdigh) laegh by der aerde te zweven; en uit wiens assche, eens om de honderd jaerenm een fenix te voorschijn koomt, dien ick nu met den vinger niet en hoef te wijzen, nadien de glans van zijn pennen alle de wereld in d’oogen schittert.

Wy bouwden dit treurspel op de gedachtenis, ons by de schrijvers en de faem daer van nagelaeten; en stoffeerden en bekleedden de zaeck na de wetten, regelen en vrijheid der poezije; oock na de toneelwetten, waer tegens wy wetende niet en misdeden, ’t en waer misschien in talrijkheid van personagien, dat wij kwalijk konden vermijden, zonder het werk zijnen eis te weigeren.

Of enige Amsterdammers mochten walgen van den zwaren val hunner muren en ’t verstrooien der voorouderen te horen; zo wordt die bittere nasmaak verzoet, door Rafaels voorspel- igling van de heerlijke verrijzenisse der verdelgde vesten en verstrooielingen; dat wij nu op’t allergelukkigste beleven, onder de wijze regeringe der tegenwoordige burgermeesteren, die het gemene beste boven hun eigen behartigen, en genen oorlog prijzen, dan die om vrede gevoerd wordt.

Ik vermat mij verwaandelijk, dit Uwe Extie op te dragen, en dat te vrijpostiger, overmits Uwe Extie van den treurigen toneelstijl, die de hoogdravendste, onder allerlei slag van schrijven de kroon spant, niet afkerig schijnt; gelijk blijkt bij den gekruisten Christus, eertijds in vrijheid, sedert bij de Thebaanse dochter, in gevangenis, en onlangs bij den degelijken Jozef, in ballingschap geteeld, en van ons, zo mij best konden, op het nederduitse toneel gebracht, tot stichtelijk vermaak dezer loflijke burgerije, en van alle eerlijke lieden.

Wij vertrouwen, dat dit Uwe Extie te min zal mishagen, o aangezien hier, onder de oudste en treffelijkste edelen en bondgenoten, niet oneerlijk in’t harnas sneuvelt de ridder Heemskerk, een adellijke en manhaftige rank uit dat bloed, waarvan Uwe Extie zijn brave afkomst telt.

Ik offere U dan in Uwe ballingschap mijnen Gijsbrecht van Aemstel, den godvruchtigen en dapperen balling. Omhels hem uit meedogen, die eer meedogen dan gramschap waardig is, en leef lang ter ere van uw Vaderland.

T’Amsterdam XVI X CXXXVIL,
den XVIen van Wijnmaand.

Uwe E. ootmoedige dienaar
JOOST VAN DEN VONDEL