Joost van den Vondel (1587-1679)

De Amsterdamsche Hecuba.

DE EERSTE HANDEL.

HECUBA.

Die op een rijk vertrouwt, en kracht geeft zijní geboden
In een geweldig hof, en niet is voor der Goden
Lichtvaardigheid beducht, en, na zijns harten lust,
Te reukeloos in weelde en blijde voorspoed rust,
Die spiegel zich aan mij en Trojeu eens te dege:
ít Lot wees nooit klaarder aan, hoe slibbrig dí opgestege
En pratte vorsten staan. Die pijler, trots en schoon,
Die zuil van AziŽn, dat werrekstuk der GoŰn,
Te gronde is neÍrgestort, wien ooit ten dienste stonden
Hij, die den Tanaisí drinkt, die uit zijn zeven monden
De koele stroomen braakt; hij, die met recht gezicht
Ziet rijzen en begroet ít herboren zonnelicht,
En ís Tigers laauwen vliet mengt met de roode baren; (*)
En zij, die, buurvorstin der Scythen, met veel scharen,
En weduwlijke stoet, staag Pontusí strand berent; ó
Dat Troje leÓt ter neÍr, door vier en staal geschend,
Pergamum heeft op ít lest met puin bestulpt zich zelve.
Daar leit die hooge praal van heerlijken gewelve,
ít Geweld van muren, met zijn daken, gants tot schand,
Vernield door ít wellend vier. ít Hof staat in lichten brand;
ít Huis van Assaracus rookt over alle straten.
De vlam geen plondring weert van woedende soldaten.
In ít brandend Trojen elk om ít zeerste rooft en ruit,
En ít kolken van den rook den open Hemel sluit;
De vonken en het vier van dí Iliasche gevels
Bezwalkt den dag, als waar hij dik bekleed met nevels.
Ziet den verwinner daar eens heet van gramschap staan,
Die vast de taaye stad schouwt met zijne oogen aan;
De gramme krijgsman, nu gemat en wel ervaren,
Den tijd ontschuldigt, die gesleept heeft vijf paar jaren.
Nog schrikt hij al bedeesd voor de overheerde stad,
En schoon zij leÓt verplet, nog naauwlijks acht hij, dat
Zij voor hem winbaar was. De plonderaars die slepen
En torschen vast den roof, te zwaar, om duizend schepen
Te laden met den schat. Ik, droef en afgetreurd,
Der Goden heiligheid, op mij dus hoog gesteurd,
Neem tot getuige, en dí asch mijns vaderlands te gader,
En u, der Frygen voogd, en veler vorsten vader,
Den welken Troje dekt, bestulpt door al ít gewicht
Van ít neÍrgedreven rijk, dat boven op u ligt!
Daartoe dun geest van u, die al ít geweld hield tegeí,
En Ilium hield staan, en waart der Frygen zege,
Zou lang gij staande bleeft ; en u, o groote schaar,
Maar kleindre schimmen doch, mijní kinders al te ga‚r!
Dat ik al ít leed, ítwelk ooit ons prangde, en ítgeen de ontstelde
Apolloís priesteres ons ooit te voren spelde
(Met een bezeten mond, als van verstand beroofd,
Maar door ít beleid der GoŰn van dí onze nooit geloofd),
Al lang te voren heb, van mijnen Paris zwanger,
In eenen droom voorzien, en heb mijn vrees niet langer
Verzwegen, noch geheeld; maar, vůůr Cassandra vroeg,
Elk mijn waarzeggen steeds als zotternij beloeg.
De schalke Ulysses niet, noch die hem ís nachts verzelde,
Noch Sinon, vol bedrogs, in brand ons Trojen stelde;
Ik, ik ben stokebrand: mijn vier is ít dat er blaakt,
En Ilium is van mijn toorts in brand geraakt.
Maar, ouderdom, die zijt te leefbaar! waartoe ít weenen,
Om de uitgerooide stad, om de omgestorte steenen,?
Rampzalige vorstin! den verschen rouw aanschouwt:
Zet Trojen aan dí eení zij!: dat ongeluk is oud.
Ik heb vervloekter feit gezien, vol schriks, en beven,
Des ouden konings moord, een schellemstuk, bedreven
Door Pyrrhusí wreed geweer; die zelf, voor ít hoog outaar
Der GoŰn, met felle vuist, het grijze koningshaar
Omwrong, en dreef het staal, o droevige vertooning
Wel diep ter wonden in; ítwelk dí afgeleefde koning
Vrijwillig heeft ontva‚n; zoo dat het zwaard verwoed
Ten strotte aan dí andere zijde is uitgekeerd bebloed.
Wien zou die grijze kop, wien zouden de getuigen
Van ít schelmstuk, zelfs de GoŰn niet hebben konnen buigen?
En ít oude heiligdom van ít neÍrgevallen rijk?
Priaam gebeurt geen graf; hij, die zoo groot een wijk,
En steun van kindren had, tot vesting van zijn landstaat,
Derft nu zijn leste vlam, daar Troje gants in brand staat.
Nog bluscht dit jammer niet der Goden gramschap uit:
De vorsten met de bus vast loten om den buit
Van ít hooggeboren bloed, om vreedzaam tíhuis te varen,
Met Vriaams dochteren, en aangehuwde snaren.
Wie zal mij, slechten buit! meÍvoeren over zee?
Dees heeft zich Hectors bruid ten troost verloofd alreÍ;
Dees wenscht om dí eÍgemaal van Helenus, mijn zone,
Die om Anthenors lief; en, o, mijn overschoone
Cassandra, droeve maagd! daar is er meer als een,
Die na uw kuischheid dingt. Ik oude vrouw alleen
Der Grieken afkeer ben; mijn lot doet ieder duchten.
O gij gevangen sleep! wat houdt gij op van zuchten?
Slaat droevig voor uw borst, en tijt aan ít huilen stout:
Heft op een veldgeschrei, en Trojens uitvaart houdt.
Op, op! met droeven galm: laat Ide uw klachten hooren,
Wiens vierschaar heilloos was tot ons bederf beschoren.

REI VAN VROUWEN, HECUBA.

REI.

ít Kermen is niet nieuw, noch ít klagen,
Die gij rouw belast te dragen:
Neen, wij pleegden dit geween
Heele jaren achter een;

Sedert Parisí minne blaakte,
En de Grieksche Amyelen maakte;
Sedert hij de ∆geesche zee
Met zijn heilig pijnhout sneÍ;

Ida tienmaal was beslagen
Grijs van sneeuw, en wintervlagen;
Ida kaal gemaakt van hout,
Om onzí lijken, menigvoud.

Tienmaal ook de maayer maaide
In ít Sigeesche veld ít gezaaide,
Dat er niet een dag en gleÍ,
Of hij brocht zijní droefheid meÍ;

Of de daaglijksche ongenuchten
Gaven oorzaak om te zuchten;
Houdt in treuren al die maat,
Daar Mevrouw ons voor in gaat.

Hef dan op uwe hand, Mevrouwe!
Wij zijn volgsters van den rouwe,
Die getreur en droefenis
Lichtelijk te leeren is.

HECUBA.
O, getrouwe gezellinnen
Onzes vals, bedrukt van zinnen!
Slaat uw haren in den wind,
En uw tuiten fluks ontbindt.

Laat de ontsnoerde vlechten dekken,
En beslaan de droeve nekken;
Dat de schaar, met luid geschrei,
De armen uitstrekke allebeÓ,

En, begruisd van deí asch der stede,
Die berei met lossen kleede;
Onderknoopt ook uwen schoot,
ít Lijf zij tot den buik toe bloot.

Kuischeid, die nu zijt gevangen,
Waarom verwt de schaamte uw wangen?
Op wat bruiloft hoopt ge nu,
Dat ge uw borsten dekt zon schuw?

Dat de sluyer met zijn vouwen
Gordí den neÍrgeslagen bouwen!
Handen, randt het lichaam aan,
En beledigt u tot slaan!

O dat jammeren, dat slaagt me!
O dat wezen, dat behaagt me!
Dat behaagt me! ít voegt ons lot:
ík Zie nu Trojens overschot.

Dat zich wederom verheffe
ít Oud getreur, en overtreffe
De gewone droefheid vrij:
Hector, u beschreyen wij!

REI.
ít Haar, gedund door al het scheuren,
En ít veelvuldiglijk betreuren,
Wij, met rouw in ít hart geroerd,
Hebben al te zaam ontsnoerd:

Knoop- en strikkeloos al weder
Hangen mede vlechten needer,
En ons aanschijn op dit pas
Is begruisd met smeulende asch.

HECUBA.

Vult met puin en stof uw handen;
Want de vijand, na ít verbranden
Van onze uitgerooide stad,
Niet gelaten heeft als dat.

Last de kleedren van u allen
Van de naakte schoudren vallen,
En de neÍrgezakte kleÍn
Stutten van ter zij de leÍn!

Nu, nu droef held! baar uw krachten,
Want de bloote borsten wachten
Naar de rechte en slinkehand;
Vult met druk ít Rhúteesche strand!

Dat de galm, die zich gaat schuilen
In ít gebergte, in holle kuilen,
Niet, gelijk hij is gewend,
ít Leste woord te rugge zend;

Maar de gansche klachten strooye
Wederom, van ít woeste Troje.
Laat vrij hooren zee en lucht
Ons gesteen, en ons gezucht!

Smijt de borst met felle slagen.
Handen, woedt! ít gewoonlijk klagen
Mij niet mag vernoegen nu.
Hector, wij beschreyen u!

REI.
Om u, zonder zich tí erbarmen.
Slaat en krabt onzí hand dees armen;
Om u is zij dus verwoed
Op de schouders, vocht van bloed;

Om u slaat ze ít hoofd vol wonden;
Om u hangt de borst geschonden,
Opgekrabt en aangerand,
Van een wreede moeders hand.

Allí de wonden en kwetsuren,
Die ik eertijds most verduren,
Die ik aan mijn lichaam gaf,
Op uwe uitvaart, aan uw graf,

Vloeyen, opgekrabt, als beken;
Van veel bloeds zij stadig leken.
Zuil, die hielt in zijnen stand,
ít Lang verdedigd vaderland!

O, die weÍrstond, zou veel dagen,
Deze ons toegeschikte plagen;
Gij waart ons een muur en schut,
En der matte Frygen stut.

Tien jaar hebt gij, met uw schondren,
ít Rijk gestuttet uwer oudren;
Gij alleen hebt, tien jaar lang,
Ons bewaard voor ondergang.

Maar zoo haast gij zijt gevallen,
Vielen ook die heilge wallen;
ít Was een zelve laatste dag,
Die onzí stad en Hector zag.

HECUBA.

Keert uw klachten elders henen
En wilt Priaams lijk beweenen;
Schreit opnieuw met luide keel,
Want mijn Hector heeft zijn deel.

REI.
Hoor het zuchten en het schreyen
Van onzí weeuwelijke reyen,
Onze vader! die vermand
Tweemaal waart van ís vijands hand.

Trojen heeft, in uwe dagen,
Geene plaag maar eens gedragen;
Dardans muren zijn tweemaal
Omgcbeukt van ít Grieksche staal.

Pergamum most tweemaal zwichten
Voor Alcides boog en schichten,
Nadat al gebracht ter aardí
Is, dat Hecubí heeft gebaard:

Na ít verbranden zulker beenen
O, Die hier halve Goden schenen,
Draagt me uw lijk, o vader! uit:
Dat de leste stacy sluit;

En geslacht Jupijn ter eeren,
Moet uw lichaam ít graf ontberen,
En uw romp, met smaad en schand,
Drukken het Sigeesche strand.

HECUBA.
Elders, dochters der Trojanen
Keert uw biggelende tranen:
Jammert niet om Priaams end,
Hij voelt droefheid noch ellend.

Zegt, dat het een groot geluk is
Dat hij vůůr ons uit den druk is,
En zoo vrij benedenwaart,
Naar het rijk der schimmen, vaart.

Hij en zal niet, half bezweken,
Dragen ít lastig juk der Greeken
Droef op een gebonden hals;
Schouwspel na veel ongevals!

Hij heeft niet gezien de Atriden
In zijn ongeluk verblijden:
Noch aanschouwt in zijne smart
Dien Ulysses, valsch van hart.

Noch op Argos zegefeeste
Zal hij niet, beangst van geeste,
Dragen met stokoude leÍn
Hun hovaardige trofeÍn;

Noch men zal zijn handen beide,
Daar bij scepters mede zweide,
Tot zijn hartzeer en verdriet,
Op den rugge vleuglen niet;

Noch de last van gulde boeyen
Zal zijne armen niet vermoeyen;
En, na zou veel tegenspoeds,
Zal hij Agamemnons koets

Niet, met ijzers aan zijn beenen,
Volgen, en ít verheugd Mycenen
Zonder purper, zonder kroon,
Tot een schouwspel staan ten toon.

REI.
Priaam, van de dood verbeten,
Wij te zamen zalig boeten;
Varende op eene andre steÍ,
Droeg hij zijne rijken meÍ.

Veilig gaat hij druk versmaden
Onder de Elyzeesche bladen,
Bij de vrome schimmen, daar
Hij zijn Hector wordt gewaar.

Wel hem, die in nederlagen
Alles met zich ziet verslagen!
Dit viel Priaam nu te beurt,
Dies niet langer om hem treurt!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001