Joost van den Vondel (1587-1679)

De Amsteldamsche Hecuba.

TWEEDE HANDEL.

TALTHYBIUS, REI.

REI.
Hoe lange draait altijd de Griek in havens schoot,
ít Zij hij ten oorloog trekt, of tíhuis keert met de vloot!
Meld deí oorzaak, die zou lang de schepen doet verleiden,
Wat Godí de wegen sluit, die ons te rugge leiden.
TALTHYBIUS

ít Gemoed, dat beeft me, en schrik schudt trillende al mijn leÍn.
Een onwaarschijnlijk spook, en meerder als gemeen,
Wordt zelden vast geloofd; ik, met mijne eigene oogen,
Ik zelf heb dit gezien. De zon begost te hoogen,
En streek der bergen kruin; de duisterheid, die lag
AlreÍ verwonnen door den opgerezen dag,
Als ít aardrijk schielijk heeft, met schudden en met beven,
Uit ít binnenst zijner schoot, een naar geloei gegeven;
De boomen schudden ít hoofd, ít verheven wond geparst,
En zelf het heilig bosch, dat dondert met eení barst; -
ít Gebergt van Ida smelt in morseling van steenen,
En ít aardrijk niet alleen en siddert, maar met eenen
Wordt Thetis zelve in zee haar eigen zoon gewaar,
En kemt haar vloeden glad. Doen opent dí aarde daar
Van een gereten fluks haar buien en ít wanschapen:
En Erebus verschaft, langs ís aardrijks grouwzaam gapen,
Een vrij en open pad naar ít volk om hoog bedeesd,
En licht den steen van ít graf. Te voorschijn kwam de geest
Van Scyros hartog, zoo als hij den aantocht mende,
En velde in ít harnas neÍr de strenge ThraciÍr-bende,
En dede, o Troje! u zien het voorspel van uw leed;
Of doen Neptunusí zoon hij dood ter aarde smeet,
Die op zijn jeugdig hoofd met zilverharen pronkte;
Of als bij in ít gedrang met forschen moede ontvonkte,
En heele stroomen heeft met dooden toegestopt,
Doen Xanthus in zijn wad, aan lichamen verkropt,
Ging zoeken zijnen weg en na zijn uitgang vragen;
Of als hij zegenrijk aandreef den oorloogswagen,
En ít lijk van Hector sleepte, en Ilium met hem.
Naar over ít bede strand klonk zijn vergrimde stem:
ĄOnaardige! gaat heen, ontdraagt te dezer etonde
Mijn geest die eer, waar toe mijn deugd u heeft verbonde;
Ontmeert de ondankbre vloot, om door onzí zee te gaan!
Mijn gramschap staat u dier, en zal u dierder staan,
Ten zij Polyxena, verloofd zijnde aan onze assche,
Door Pyrrhusí hand geslacht, het graf besprenge en wassche.Ē
Zoo sprekende overluid, brak hij den dag in tweÍn
Met een heldonkre nacht; en dalende beneÍn,
Den grouwelijken kuil, nog naauwlijks neÍrgedoken,
Met tí zamen loopende aardí hij heelde; en, na het spoken,
De zee haar baren stilt, en langer niet meer woedt,
En ít heele meer bedaart, en moet met zachtren vloed.
De rei van Tritons uit het diep, tot vreugd gedrongen,
Het hoofd omhoog stak, en heeft ít bruiloftslied gezongen.

PYRRHUS, AGAMEMNON, CALCHAS.

PYRRHUS.
Als gij met blijden zeilí zoudt keeren zeewaart in,
En kwam Achilles u niet eenmaal in den zin?
Hij, door wiens eenge hand dat Trojens hooge vesten
Geschuddet, zijn gesloopt en omgestort ten lesten;
Waarmeedí hij heeft geboetí, in korten tijd, al ítgeen
In Scyros is gemard en Lesbos, ítwelk in tweÍn
De ∆geesche golven klieft. Zou haast hij was gebleven,
Stond Trojens wal beducht, waarheen hij zich woŻ geven.
Al waart gij schoon gereed, te schenken in der daad
Hetgeen hier wordt geŽischt, nog komt het al te laat:
ít Lot heeft den vorsten reÍ hunní prijzen toe gaan leggen.
Wie kan zou klein een loon zou groot een deugde ontzeggen?
Verdiendí hij luttel, dien, gelaat den krijg alom
Te vlieden, en gerust met langen ouderdom
Zijn tijd te brengen door, om, zonder schrik en beven,
Den ouden Nestor en zijní jaren tí overleven,
De moederlijke list nochtans en ít vrouwekleed
AfleÓde, en door ít geweer zich, willig, man beleed.
Wanneer dat Telefus, oploopende en vermetel,
Door zijn ongastvrij rijk en Myziaanschen zetel,
Den pas geweigerd had, zijní koninklijke avond
Verwt dí onervaren hand, die namaals hij bevond
Zoo zoet, als streng in ít eerst. Zelf Theben most bezwijken
De vorst EŽtion verovren zien zijn rijken,
En klein Lyrnessos, dat aan ít hoog gebergte leÓt,
Leed diergelijken val, en ít land, wiens naam verbreid
Door ít vangen van de maagd Briseis is geworden,
En Chryse, de oorzaak, dat de Grieksche vorsten morden,
En lagen overhoop, en Tenedos befaamd,
En dat het TraciÍr vee, in vruchtbaarheid vernaamd ,
Met vette weiden voedt, en Cilla, onder andre
Apollo toegewijd. Wat wil ik na malkandre
Ophalen alle steÍn die, rijk van vee en volk,
CaÔcus , door den vloed verheugende zijn kolk,
Met wintervocht bespoeld. Zou groote nederlagen,
En veler volken schrik, en steden neÍrgeslagen,
Gelijk voor dwarrelwind verstuift het lichte stof,
Zou zijn eens anders roem, en alderhoogste lof; ó
Achilles deÍ ít ter loop . Zoo kwam mijn vader trekken
Die uitgevoerde krijg, de val zoo veler plekken
Toerustení heet bij hem; dat ik hierbij niet voeg
Zijne andre feiten, was een Hector niet genoeg?
Mijn vader Ilium verwonnen heeft; ten lesten
Komt gij, en doet niet meer als breken zijne vesten.
Het lust mij, op dit pas, eens door den drang te gaan
Van vaders hangen lof en wijdberoemde da‚n:
Lag Hector niet geveld voor ís eigen teelders oogen,
En Memnon voor zijn ooms? om wien zich kwam vertoogen
De moeder in een schijn heel anders dan zij plag,
En met haar doodsche verwe aanvoerde een droeven dag.
Zelf dí overwinner heeft een afschrik van het voorbeeld
Zijns eigen daads: waardoor Achilles merkt en oordeelt,
Dat Godenkinders ook geraken aan hun end.
Penthesilea doen, ten zadel uitgerend,
Der Grieken jongste schrik, gevallen is ter aarde.
Indien ge Achilles deugd wilt schatten na heur waarde,
Al eischtí hij Argosí puik of een Myceensche bruid,
Gij zijt daar toe verplicht. Hoe twijfelt ge? spreek uit!
En staat ge ít nog niet toe? wat zal men langer wachten?
Is ít wreedheid Priaams zaad voor Peleusí zoon te slachten?
Gij, vader! hebt wel zelf uw dochter om Heleen
Geofferd; ítgeen ik eisch is al gebeurd voor heen.
AGAMEMNON.
ít Is jonger lieden feil, zijn moed niet in te toomen.
Dit vier der eerste jeugd heeft andere ingenomen,
Door een gemeen gebrek; doch Pyrrhus wordt vervoerd
Door vaders aard, die hem zijn korsle zinnen roert.
ík Heb dreigen grof en groot, en heete oploopendheden
Uws vaders eertijds wel met koelen moed geleden.
ít Voegt wel die veel vermag, dat hij wat meerder lijdí.
Wat wilt ge dí eedle schim eens vorsten, die den nijd
Doet vlieden voor zijn faam, bezoedlen en bespatten
Met grouwelijke moord? dat hoort men eerst te vatten,
Waar dí overwinner toe verplicht is met bescheid:
Wat hem te dulden staat, die overwonnen leÓt.
Geweldigí heerschappij hield niemand lange staande,
Gematigde duurt langst; en hoe dat meer ít opgaande
En steigerende lot der sterfelijken macht
Om hoog verheven heeft, en opgevoerd met kracht,
Te meerder het betaamt, om niet te zijn bedrogen,
ís Geluks bezitter, zich to houden ingetogen,
Voor velerlei gevaar te siddren op zijn troon,
Mistrouwende de gunst van al te milde GoŰn.
In ít winnen ik bevond, hoe dí allerbraafst in ít brallen
Lag in een oogenblik bestelpt en neÍrgevallen.
Maakt Ilium te trotsch onze opgeblaze ziel?
De Griek staat op die plaats, daar Troje stond eer ít viel.
Ik plag wel eer, ik ken ít, eens anders staat te honen,
En, machteloos mijns zelfs, op purpre sluyerkronen,
En op mijn machtig rijk te snorken zonder maat;
Maar lots liefkozerij, die andren op hun staat
Met trotschheid kroppen zou, en prikkelen de dwazen,
Die kneusde mij den moed. Maakt Priaam opgeblazen,
Of moedig onzen geest? of zoude ik wanen, dat
De parelrijke staf, ít gewaad van purper zat,
Meer zijn als dí ijdle schijn, bedekt met valsch verguldsel
En glans van luttel duurs? en haar, vercierd met hulsel
Van eenen brozen band? Eene onverhoedsche ramp,
Doet deze pracht en praal verdwijnen, als een damp.
Misschien wordt hier vereischt noch bloedig zweet, noch hijgen,
Noch duizend schepen, noch tien jaren bloedig krijgen;
Zoo traag een ongeval hangt elk niet over ít hoofd.
ík Wil hier wel rond in gaan, en dat ge dit gelooft,
O waarde vaderland! ít zij met uw welbehagen:
Het was mijn toeleg wel, verheerd en neÍrgeslagen
Te zien den Prygiaan; de Goddelijke wal,
En torens Hemelhoog, tot hopeloozen val
Te brengen nimmermeer; maar och! wat toom kan sturen
Soldaten, heet op wraak, en dí overhand aan dí uren
Der blinde nacht vertrouwd! A ít onrecht, al het leed,
Dat iemand scheen te fel of onbehoorlijk wreed,
Uit toorne en duister kwam; waarin de gramschap woedig
Hart eigen dolheid tergt, en ít zwaard, ítwelk eens voorspoedig
Besmet in ís vijands bloed, een dolle lust bevat.
ít Geen overblijven kan van de omgekeerde stad,
Laat blijven, strafs genoeg genomen van ons euvel,
En niet dan al te veel. Dat nu door ít staal nog sneuvel
Een koninklijke maagd, geschonken aan het graf
Ten gave, en dí assche sprenge, en dat een moord zoo straf
Den naam van bruiloft voere: ik zweer, ík zal ít nimmer dulden.
Mij drukt de last alleen van de algemeene schulden.
De geen, die ít kwaad niet keert, wanneer hij ít keeren kan,
Het zondigen gebiedt.
PYRRHUS.

                                   Zal vaders schimme dan
Niet hebben eenig loon?

AGAMEMNON.
                                     Hij zal, maar naar betamen:
Met lofzang zullen zí hem verheffen allí te zamen,
Uitheemsche landen zal zijn naam en groote moed
Doorklinken wijd en zijd. Indien vergoten bloed
Verstorvene noch verkwikt of stilt der geesten jamren,
Hak af den vetten hals der Frygiaansche lamren,
En kudden blank van wol; laat vloeyen over ít veld
ít Bloed, daar geen moeder om in rouw en tranen smelt.
Wat vreemde wijze is dit! wanneer is menschenleven
Ter uitvaart van een menschí ten besten ooit gegeven?
Verschoon uws vaders naam van haat en nijd, wiens lijk
Gij eeren wilt met bloed.
PYRRHUS.

                                      O blaaskaak, als het rijk
Uw hart met voorspoed hoogt! O bloodaart, snel in ít vluchten!
Wanneerder ritselt slechts een wind van krijgsgeruchten.
O vorstendwingeland ít is dan uw wulpsche zin
Al wederom ontvonkt door brand van nieuwe min,
En maagdensnoeperij? Staat ons altijd te wijken
Van onzí gerechtigheid, en u den buit te strijken?
ík Zal met dees rechtehand Achillesí tombe voÍn
Met bloed, aan hem verloofd, opdat het strekkí tot zoen;
ít Welk, zou gij ít ons ontzegt en derft hier tegens blaffen,
Een grootere offerand zal ik den held verschaffen,
En waardig Pyrrhusí hand. Mijn zwaard toeft veel te lang
Van ís konings neÍrlaag, die ít den Grieken maakt zou bang.
De schimme van Priaam verwacht vast naar een makker.

AGAMEMNON.
Dat ís Pyrrhus hoogste roem, dat hij zijne handen wakker
In ít bloed gerept heeft van dien afgeleefden heerí,
Wiens smeeken had verzacht zijní vader zelf weleer.
PYRRHUS.

Ik weet, dat die zijní kniÍn voor mijnen vader buigde,
Hem vijand was met een; maar Priaam zelf betuigde
Zijn demoed in persoon; gij, van de vrees vermast,
Kent u niet stout genoeg te bidden, maar belast
Uw zaak den Ithakois, en Ajax uw gebeden,
Noch dorst uw vijand nooit eens onder oogen treden.

AGAMEMNON.
Uw vader, ik beken ít, doen geene vrees beving;
Als ít heer die neÍrlaag leed, de vloot aan kolen ging,
Log lag hij, lui, en leÍg, en dacht op krijg noch wapen,
Maar bleef aan ít zoet geluid der snaren zich vergapen.
PYRRHUS.
De dappre Hector doen uw wapens heeft veracht,
En vreesde Achillesí zang meer als uw-e oorloogsmacht;
En in zoo groet eene angst, die ieder een deÍ beven,
De vloot der ThessaliÍrs is ongedeerd gebleven.
AGAMEMNON.

Maar bij die zelve vloot kwam Hectors vader meÍ
Uit Trojen, onbezeerd, in veiligheid en vreÍ.

PYRRHUS.
ít Is koninklijk, een vorst zijn adem wat te geven.
AGAMEMNON.
Gij maaktí hem ademloos, en holpt hem om het leven.
PYRRHUS.
Vaak een meÍdoogend hart de dood voor ít leven geeft.
AGAMEMNON.

Die dingt na maagdenbloed wel groot meÍdoogen heeft.

PYRRHUS.

Kan maagdenoffer u nu als een grouwel kwellen?

AGAMEMNON.
Een vorst moet boven ít bloed zijns volleks welvaart stellen.
PYRRHUS.
Geen wet gevangens spaart, of hindert hunne straf.
AGAMEMNON.

ít Geen dat geen wet verbiedt, raadt ons de schaamtí wel af.

PYRRHUS.

Wat den verwinner lust, dat staat hem vrij te plegen.

AGAMEMNON.
Wien ít meeste vrij staat, die sta meest zijn lusten tegen.
PYRRHUS.

Ga, stof zoo bij die geen, wien ik ít ondraaglijk juk
Van uw tienjarig rijk nu van de schoudren ruk.

AGAMEMNON.

Geeft Scyros u dien moed?

PYRRHUS.
                                         Dat vrij van broedrení schand is.
AGAMEMNON.

Dat wegduikt in de zee?

PYRRHUS.

                                     Die onze bloedverwante is.
Uw vaders adel, en uw ooms is wel bekend.

AGAMEMNON.

Gij, die geteeld zijt van een maagd ter sluik geschend,
En van Achilles, die nog voor geen man mocht strekken.

PYRRHUS.
Van dien Achilles, die des Hemels hooge plekken
Nu veiliglijk bewoont, en, waar hij slaat zijn oog,
Zijn stamme ziet verspreid: Jupijn die zit om hoog,
In dí afgrond ∆acus, en Thetis in de baren.
AGAMEMNON.
Van dien Achilles, die ter Hellen is gevaren,
Door Parisí hand gedood.
PYRRHUS.
                                        Wien niemand van de GoŰn,
In ít strijden hand voor hand, ooit heeft het hoofd geboŰn.
AGAMEMNON.

De macht ontbreekt me niet, om uwen mond te snoeren
En driestigheid met straf; doch ík ben gewend te voeren
Een zwaard, dat sparen kan een die het overmag.
Dat Calchas, tolk der GoŰn, koomí liever voor den dag!
Eischt ,ít noodlot deze moord, ik zal het stuk gedoogen.
Gij, die de Griekasche vloot uit Aulis hebt getogen,
En onzen tocht gespoeid; gij, die den Hemel doet
Ontsluiten door uw kunst; wien ít ingewand en ít bloed
Der dieren is bekend; gij, wien ít gekraak des Hemels,
En langgesteerde star, met nasleep vol gewemels,
Des noodlots raad ontdekt, wiens mond en woorden mij
Zoo dier staan, Thestors zoon! Goods wil ontdek ons vrij,
En stier ons met uw raad!

CALCHAS.
                                        Het noodlot biedt den Greeken
WeÍr aan, om dí oude vracht, de wegen op te breken
Die nu gesloten zijn. Dat deze maagd geslacht
Zij voor Achillesí graf, wordt van de GoŰn verwacht:
En Pyrrhns moet de bruid (in zulleke gewaden,
Als in ThessaliŽn tot haren bruigom traden
De maagden nieuw gehuwd; als een Myceensche vrouw,
Of eene Ioonsche bruid, gaat tot hare eerste trouw)
Zijn vader brengen toe. Zoo huwt ze naar betamen.
Maar dit is ít niet alleen, dat onze schepen tí zamen
Doet marren op de reÍ; het noodlot vordert nu,
En eischt een eedler bloed, Polyxena! dan ít uw.
Laat Hectors zoon geplet ten torentrans uit vallen,
Zou mag de vloot op zee met duizend zeilen brallen.
REI.

Zou ít waarheid zijn, of gaat het kreupel,
En paait men het bedeesd gepeupel
Met sprookjes en met ijdelheid,
Op dat het niet in deugd verslimme,
Als ít waant, dat des verstorvens schimme
Nog leeft, als ít lijf begraven leit?

Wanneer ít gezicht al is gebroken,
En dí eÍgemaal ít oog heeft geloken,
En dat de jongste en laatste dag
Der zonnen glans heeft afgeschoten,
En in den emmer zijn gesloten
De treurige asschen met beklag;

En baat het niet, zijn ziel en leven
In ít uiterste aan het graf te geven;
Maar moet, vol jammers en verdriet,
Dí ellendige noch langer zwerven?
Of sterven wij geheel door ít sterven,
En gaat de gansche mensch tot niet?

Wanneer de geest, met blijvendeí aasem
Gemengd, wijkt in der wolken waassem,
En dat de toorts de naakte leÍn
Geblakerd heeft? Al -wat, in ít dalen
Of rijzen, met haar heldre stralen,
De zon beschijnt, en kent met een;

Al wat de zee, met wufte banen,
In eb of vloed bespoelt, de jaren
Wegrukken snellijk en gezwind;
Gelijk Pegaas, met vlugge pennen,
Gewoon door ís Hemels blaauw te rennen,
Ontloopt de zwepen van den wind;

Met zulk een dwarling, als daar zwieren
De tweemaal zes gestarnde dieren
Met zulk een loop, als dí Opperheer
Der starren de eeuwen staag doet draayen;
Als Hecate, met slimme zwaayen,
Dwaalt om het aardrijk op en neÍr;

Zoo ziet men ons naar ít ende draven,
Die eens den stroom (waarbij dat staven
De GoŰn hunne eeden) heeft genaakt,
Is nergens ineen; gelijk het rooken
Van heeteu brand, na dampig smoken
Der korte streke uit ít oog geraakt;

Gelijk men, door de Noordervlagen,
De wolken, die wij zwanger zagen
Zou datelijk, ziet dwijnen weÍr;
Alzoo zal ook dees geest vervloeyen,
Die ít lijf bestierde, en zal zich spoeyen
Tot niet te smelten, meer en meer.

Hier namaals is er niet te wachten.
De dood is niet. De dood wilt achten
De jongste paal van ís levens baan.
Begeerig hart! houd op van hopen;
Bekommerd volk! uw zorg last loopen,
En alles voorts zijní gang laat gaan.

Vraagt iemand waar de dooden varen?
Ter plaats daar de ongeboren waren.
De bayert en de grage tijd
Verslinden ons; het is onfeilbaar.
De dood is een en gants ondeilbaar,
Die ziel zoo wel als lichaam slijt.

Het rijk van Pluto, dí Helsche straffen,
En Cerberus, die met zijn blaffen
De stramme deuren gade slaat,
Zijn niet dan ijdele geruchten
En woorden, die men niet moet vruchtení,
Ja, malle droomgelijke praat.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001