Joost van den Vondel (1587-1679)

De Amsteldamsche Hecuba.

DE DARDE HANDEL.

ANDROMACHE, RAADSMAN, ULYSSES.

ANDROMACHE.

Wat moogt ge dus ontsteld uw haar aan flarden rukken,
O Frygiaansche schaar! wat scheurt ge uw borst aan stukken,
En sprengt uw wang met vocht dat uit uwe oogen vliet?
Drukt schreyen t lijden uit, zou is t zou lastig niet.
Gij hebt oud Trojen thans, maar ik al lang zien vallen:
Van sedert zou verwoed, rondom de staande wallen,
Met zijn strijdwagen stijf, en wakker aangezweept,
De wreede Peleus-zon mijn leden heeft gesleept,
Zoo dat zijne eigene as van Hectors zwarte steende,
Met siddring en gekraak, en t waarde lijk beweende;
Doen viel de stad verdelgd en overrompelt ner.
Ik, laas! versuft door ramp, en ben mijns zelfs niet meer,
Maar word, berooid van hoofd, vast heen en wer gedreven.
t En waar, dat dees mij bid, ik had mij lang begeven
Te volgen mijnen man, om mij den Griek t ontslaan,
Dees temt mijn moed, en let mij in mijn dood te gaan;
Dees dwingt mij d harde Gon om troost nog wat te smeken;
Dees rekt mijns lijdens tijd; dees heeft mij, laas! versteken
Van s jammers grootste vrucht, dats angsteloos te staan.
De deur is toe voor heil, maar op voor gruwelkwan.
t Is de aldergrootste ellend nog hopeloos te duchten.

RAADSMAN.
Verslegene! wat vrees u dus verbaasd doet zuchten?
ANDROMACHE.
Uit de eene ramp ontstaat een zwaarder ongeval;
Van t stortende Ilium houdt t noodlot nog geen stal.
RAADSMAN.
En of t den Gon geviel te meerdren onze ellenden,
Wat nerlaag kosten zij ons zwaarder overzenden?
ANDROMACHE.

De stadig duistre kuil, en t slot van d afgrond Styx
Zich opent, en opdat ons (die nu door veel schriks
En ramp zijn afgemat) geen vreeze zonde ontbreken,
Zou komen voor den dag het hoofd ten grave uit steken
De vijanden, die lang ter aarde zijn gedaan.
Hoe kan de Griek alleen dien weg dan aarsling gaan?
De dood doet elk gelijk. De Frygen zich ontstellen
In die gemeene schrik; maar mij is komen kwellen
Een zonderling gezicht van een benaauwde nacht.

RAADSMAN.
Zeg, wat gezicht het was, dat u dees vreeze bracht?
ANDROMACHE.
De nacht, die met haar rust ons voedt, was half ten ende,
De kleine Beer alre zijn blinkend juk omwendde,
Als mij bedrukte omhelsde eene onbekende rust,
Een korte slaap bekroop, die mijne droefheid sust,
Zou s bazenden gemoeds verstoktheid zoude mogen
Gerekend zijn voor slaap; als schielijk voor mijne oogen
Stond Hector, mijn gemaal: niet, zou hij wijlens plag,
Het forsche Argivisch heir trotsch leverende slag,
Met lichten fakkelbrand en zwart bepekte reepen,
Te staan naar het bederf van all de Grieksche schepen;
Noch zoo hij dol, verwoed van moorden en verslaan,
Een waren buit ontdroeg den valschen Peleaan:
Die vlammend helderheid hadd hij niet meer ontloken
In t voorhoofd, zou hij plag; maar doof, versuft, gebroken
Van moed, t gezicht belan met tranen, zou als wij,
Het haar om t hoofd bezwalkt; nochtans zou lustten t mij
Den held op nieuws te zien; doen, als geparst van rouwe
En schuddende zijn hoofd: ontwaak! zeide hij, mijn trouwe
En waarde bedgenoot; ontwaak, en berg ons kind!
Dit is ons eenig heil, dat niemand dit en vind!
Uw schreyen staakt. Wat steent ge om de omgestorte steenen
Lag Troje daar meed heel! Fluks op, stop iewers henen
De spruit van Hectors huis! Tot siddrens toe mij sloeg
Eene eislijke schrik, die all mijn slaap verjoeg,
Den vaak uit d oogen schopte, uit d oogen, die ik herwaarts
Bedeesdelijken sla, nu wer angstvallig derwaarts;
Vergetende mijn zoon, ik tast na Hector, doch
t Omhelzen heeft geen vat aan t spokende bedrog.
O zone! ware lote uws hoffelijken vaders,
Der Frygen eenge hoop en toeverlaat, mitsgaders
De troost alleen van t huis nu, laas! ten val gedoemd!
O spruit van t oude bloed, al t edel en beroemd!
Uw vader heel gelijk; mijn Hector was voor dezen
Dusdanig van gelaat, van opzicht en van wezen:
Dusdanig ook van tred: zijn handen, sterk en fier,
Zijn hooge schouderen, t boeide alles zulk een zwier;
Ja, zelf dat straf gezicht, als hij t van gramschap zweide,
En om den breeden nek die lang haarbokken spreidde.
O, die geboren zijt laat voor den Frygiaan,
Maar voor uw moeder vroeg; zal eens die dag opgaan,
Zal die gelukkige uur ook komen eens voorzeker,
Dat gij een schut en scherm, en der Trojanen wreken
Zult zijn, en rechten op het Pergamum, of t schoon
Voor dezen langen tijd te vallen is gewoon;
En zamelen bij een de burgerij van Trojen,
Die d oorloog, voor de vlucht, de jammerlijk verstrooyen
En stellen t vaderland, en t Frygiaansch geslacht
In ouden stand en naam? maar weder nemende acht
Op mijn rampzalig lot, zou weet ik, dat mijn wensche
Mijn staat te hoven gaat; t most mij, gevange mensche,
Genoeg zijn, dat ik leve, Ach, vaderlooze wees!
Wat schuilplaats zal der nu getrouw zijn aan mijn vrees?
Die rijkste burg van al het Aziaansch geweste,
Omheind met heilgen muur, en Goddelijke veste,
Wel waard te zijn benijd, beroemd zou wijd en veer,
Nu maar een puinhoop is. Waar ik mijne oogen keer,
De vlam heeft alles weg, en van zoo hoog verheve
En overgroote stad is nergens overbleve
Een schuilplaats voor een kind! Wat hoek, wat plaats, amy!
Verkies ik best ter nood voor mijn bedriegery?
Daar is een heerlijk graf, twelk, overmits het heilig
Mijn man is toegewijd, voor s vijands won bleef veilig
En ongeschend tot nog; een eislijk groot gevaart,
Dat Priaam, die in eeuw nooit kosten heeft gespaard,
Tot zijnes waarde zoons gedachtenis de bouwen:
Wien kan ik beter als zijn vader hem betrouwen?
Ik voel een killend zweet door all mijn leden gaan,
En zie dees nare plaats met droevig voorspook aan,
En vreceze, dat dit graf een ander graf beteekent.
RAADSMAN.

t Heeft velen t lijf gebaat voor dood te zijn gerekend,
All hoop is uit met ons; hem drukt een lastig juk,
Zijn adelijk geslacht hem smoort in t ongeluk.

ANDROMACHE.
Dat niemand ons verr.
RAADSMAN.
                                    Best gaan we wat ter zijen,
Opdat geen tuige melde ons vrome sluikerijen.
RAADSMAN.

Zoo vijand na hem vraagt?

RAADSMAN.
                                        Zoo zeg: in Trojens val
Is hij al lang vermist,
ANDROMACHE.
                                Maar of ik hem nu al
Verschuil, hij moet doch wer vervallen in hun handen.
RAADSMAN,

s Verwinners gramschap plag in t eerst op t heetst te branden

ANDROMACHE.

Hij schuilt met zware vrees in t uiterste gevaar.

RAADSMAN.
Die in benaauwdheid steekt, neemt tot beschutting maar
Het reedste dat hij vindt; dan die, wien mag gebeure
Een veilig overleg, kan langzaam gaan te keure.
ANDROMACHE.
Waar is zou verre een plaats, zoo woest een wildernis,
Die voor u, o mijn zoon! een zekre schuilhoek is?
Wie zalder zorgen doch vuur ons bedeesde lieden,
En in de laatste nood ons hulp en bijstand bieden?
Wie zal onz schutsheer zijn? Vaart gij dit, Hector! aan,
Bescherm ons, als gij staag uw magen hebt gedaan,
Bewaar getrouwelijk uwe eegas dieverijen,
En baat uw dood gebeent dit levend lijk bevrijen.
Nu, zone! duik in t graf. t Schijnt of gij van mij vliedt,
En in zou vuil een plaats te schuilen u ontziet;
Ik merk uw eedlen aard; gij schaamt u nog te vreezen.
Leg af dit hoog gemoed, dat in u plag te wezen,
En trek een ander aan, twelk t ongeluk u hiet.
Schouw wat hier ovrig is van t gansch Trojaansch gebied:
Een grafstede, een slavin, een weeskind zonder vader!
Voor ramp men zwichten moet. Koom, zone! tre wat nader,
En derf het stuk bestaan : uw tren en gangen strekt
Naar d heilge rustplaats, die uw vaders lijk bedekt.
Wil t noodlot helpen ons, die in ellende steken,
Gij zijt behouden; wil t den draad uws levens breken,
Op voorraad is u dan alreede een graf besteld.
RAADSMAN.
t Slot heelt t vertrouwde pand; hetwelk, om niet gemeld
Te worden van uw vreeze, eischt dat men daatlijk spoede
Naar andre plaats, eer dat de vijand iets vermoede.
ANDROMACHE.
Die van nabij vreest, is met zorge minst belan;
Maar laat ons, vindt gij t goed, vrij op een ander gaan.
RAADSMAN.
Bedwing uw wezen wat, wilt uw gebaar betomen;
De Cefaleensche vorst schijnt op ons aan te komen,
Met eiselijken tred.
ANDROMACHE.
                              Gaap, aarde! en gij mijn hoofd,
Mijn troost, mijn bedgenoot, t geesten aardrijk klooft
Tot t binnenste van Styx, dat in die diepe kuilen
Mijn pand, aan dy vertrouwd, te veiliger mag schuilen,
Daar komt Ulysses zelf, met een verwarden tred,
Bekommerd van gelaat: bij breidt in t hart een net
Van looze schallikshen.
ULYSSES.

                                      Ik die, God wouds! verkoren,
Bedien het strenge lot, voor ditmaal u beschoren,
Verzoek voor eerst, schoon ik de boodschap dy maak koud,
Dat gij ze niet ontvangt als komende uit mijn mond;
t Is aller Grieken stem, en d uitspraak aller heeren,
Door Hectors oir verlet tot nog toe thuis te keeren:
Het noodlot eischt dit kind. De Griek, schoon over zee,
Naauw stellende geloof op een onzekeren vre,
Blijft staag met zorg belan; de vreeze voor zijn rijken
Hem, met bekommering, steeds zal terug doen kijken,
Noch duiden, dat men hang de schilden aan den wand,
Zou lang de Frygiaan de wraak van t vaderland
Uit uwen zoon verwacht, en hoopt op zijne zege.

ANDROMACHE.

Spelt Calchas dat?

ULYSSES.
                             En schoon de wichler Calchas zwege,
Zoo zeid het Hector zelf, wiens stam ons houdt in vrees.
Elaardig zaad wast op naar tgeen waaruit het rees:
Zoo loopt de jonge stier ter zijden van den grooten,
Al eer zijn horens t vel beginnen door te stooten;
Maar als hij hals en hoofd om hoog komt rechten me,
Beheerscht bij zelf de kudde, en zijnes vaders vee.
Eene afgehouwe telg geplant zal t hoofd verheffen,
En zelve in grootte eerlang haar moeder overtreffen,
En levren t aardrijk schaauw, den Hemel bosch en loof.
Zoo neemt de brand wer toe van t vier, dat, niet heel doof,
Bleef smeulen in zijne asch. Ik weet wel, dat de droefheid
De zaak, gelijk t behoort, niet op haar rechte proef let:
Indien gij t niet te min wel bij u zelve wikt,
Gij zult een oud soldaat vergeven, dat hij schrikt,
En na tien oogsten vreest, en zou veel wintervlagen,
Voor krijg, en oorloogsramp, en nieuwe nederlagen,
En Troje, nimmer vlak genoeg voor ons geveld.
t Is geen geringe vrees, die t Grieksche leger kwelt,
En dus bekommerd houdt: t is Hector, maar de tweede,
Wiens wakkerheid nu wordt van ons gevreesd alreede.
Verlos ons van dien angst! Deze eenige oorzaak let
De schepen, die alre te water zijn gezet;
Hier hapert onze vloot; en acht me niet moorddadig,
Dat ik, gelast bij lot, uw zoon eisch ongenadig;
Ik eischte Orestes wel; dus schouw me niet voor wreed,
Lijd tgeen hier voormaals zelf uw overwinner l,ed.
ANDROMACHE.
Och zone! waart ge slechts in uwer moeder handen,
Of wist ik, wat gevaar u nu in vreemde landen
Veer van mij houdt verrukt ik zonde t moedershart
Niet eenmaal trekken uit, al waar t schoon, dat met smart
Mijn handen doorgesnen in scharpe strikken lagen,
Of dat mij s vijands staal zou duur den boezem jagen,
Of dat een heete vlam, van wederzijds gestookt,
Mijn heupen had verbran en lendenen verschrookt,
Ik storf, of ging u na; nu kan ik laas! niet raden,
Wat ramp u houdt bezet: of gij in achterpaden
Door bosch en bergen dwaalt: dan of de woeste smook
Der stad u heeft verstikt: en of de vijand ook
Gespeeld heeft met uw bloed: of dat gij zijt verbeten
Van t wild gedierte, of strekt d Ideesche kraai tot eten.
ULYSSES.
Weg met dien zotten klap, en die geveinsde praat!
Denk, dat Ulysses zich zoou licht niet mompen laat!
Wij hebben eer verschalkt de moederlijke treken,
Ja, van Godinnen zelfs; weg met dit ijdel spreken!
Weg met dien ijdlen raad! ,Waar is uw zoontje? fluks!
ANDROMACHE.
Waar is al t Frygisch volk, na zou veel ongeluks?
Waar Hector? waar Priaam? gij zoekt er n bij name,
Helaas! Andromache bedrukt zoekt ze all te zame.
ULYSSES.
t Geen gij van zelve ontzegt te melden, zal de dwang
Uitparsen met geweld.
ANDROMACHE.

                                  Ze is voor geen sterven bang,
Die moet, en wil, en kan in t sterven zijn tevreden.

ULYSSES.

Een, wie de dood genaakt, ontvallen d hooge reden.

ANDROMACHE.
Indien gij dwingen wilt met vrees mij, droeve mensch!
Met t leven dreig ons eer; want sterven is mijn wensch.
ULYSSES.

De smarte zal eerlang, met water, vier, en kolen,
En doodelijke pijn, tgeen in de duistre holen
Uws veinzenden gemoeds dus lang verborgen lag,
Wel tegens uwen dank doen komen voor den dag.
De nood is starker als de liefde tot de zijnen.
t Is zotte trouwigheid, te willen zich verpijnen,
Om helen, tgeen men doch eerlange melden moet.

ANDROMACHE.

Laat komen voor den dag al tgeen, dat dol verwoed
Een grimmig overheer bedenkt voor beulsche vonden:
Vier, water, honger, dorst, en diep gedreve wonden,
En s kerkers stank, en smet uit vuiligheid gegroeid,
En ijzers, heet van gloed, in t ingewand geschroeid,
En wat hij meer bedenkt; ik ben t getroost te dragen,
Een moedig moedershart en kan geen vrees versagen.

ULYSSES.
Maar huur, Andromache! de zelve liefd, waardoor
Gij dus hardnekkig blijft, en niemand geeft gehoor,
De Grieken noopt en raadt, voor hunne onnoozle kinders
Te zorgen. Na tien jaar, na zou veel ramps en hinders,
En verre uitheemschen krijg, ik min zou zijn bevreesd
Voor d angst en zorg, waarmede ons Calchas maakt bedeesd,
Vreesde ik voor mij alleen, uw zoon ontzet ten strijde
Mijn zoontje Telemaach.
ANDROMACHE.

                                     k Zal, Grieken! u verblijde,
Maar tegens mijnen dank, Hoe kan ik, droeve vrouw!
Nu smoren in mijn hart mijn ingekropten rouw?
Atriden allebe! gij moogt u vrij verheugen,
En gij, Ulysses! zult met blijde tijding mengen
(Gelijk gij zijt gewend) wer na de Grieken trein,
En zeggen: Hectors zoon en oir is overlen.

ULYSSES.
En dat zulks waarheid is, hoe zult gij t hun bewijzen?
ANDROMACHE.

Alzoo gebeur me t zwaarst, dat iemands ziel doet ijzen,
Duur s overwinners grim, en vreeslijk dreigement;
Alzoo jonn t noodlot mij een rijp en zalig end,
Begraaf mij in mijn land, en Hector, naar zijn waarde,
Zij zachtelijk gedrukt van s lieven vaders aarde:
Zou waarlijk als hij lichtontbeerig hebt versmoord,
En zielloos weg heeft t geen zijne uitvaart toebehoort,
En onder de andre don zijn bleeke schim gaat mengen.

ULYSSES.
Ik zal verblijd den Griek de blijde boodschap brengen,
Dat, t noodlot door de dood van Hectors zoon gesust,
Hij op den vrede steun en steil zijn hart gerust.
Wat droomt ge, Ulysses! hoe? zal dy de Griek vertrouwen?
Gij wie? de moeder? hoe, in t midden van t benouwen,
Zou die versieren iet, en bevende in de nood
Het voorspook niet ontzien van zou vervloekt een dood?
Voorspooksel vreezen die, die zwaarder dingen vreezen,
Met eeden zij haar trouw gestaafd heeft, en bewezen;
Zou ze eedbreekt, kan ze wel een zwaardre plaag ontzien.
Nu, mijn gemoed! neem vrij te hulp, en dat u dien
Bedrog en list, en een Ulysses, die volmaakt is,.
Men dekt de waarheid, maar zij rust niet voor zij naakt is.
Doorsnuffel hare ziel. Zij kermt, zij maakt misbaar,
Zij steent, en trappelt vast angstvallig hier en daar,
En vangt de reden, en hetgeen haar komt te veuren,
Met een bekommerd oor. Hier is meer vrees als treuren,
Vernuft is hier van doen. Andre ouders in den rouw
Behoeven troost; maar gij gelukkig zijt, mevrouw!
Dat gij uw zoon nu mist, die anders most bezuren
Een wreede en bittre dood bij d omgevalle muren,
En storten over t hoofd van s torens hooge kruin,
Die eenig ovrig rijst in Trojens heete puin.
ANDROMACHE.
De moed bezwijkt me helaas! t lijf trilt, de leden zijgen,
En t bloed door koude stolkt.
ULYSSES.
                                              Hier, hier most ik ze krijgen;
Zij helde na dien weg; de vrees heeft haar verran;
Ik zal een nieuwen schrik haar weder jagen aan:
Dewijle dan het kind, tot zoen des muurs verkoren,
En nu voor uit getren, een zachtre dood de smoren,
Waardoor het niet en kan den priester, als t behoort,
Ten offer volgen na; zou zeid ons Calchas voort,
Dat Hectors assche moet tot zoen der golven strekken,
En zijn in zee verspreid, op dat we mogen trekken
Ontslagen van dien vloek niet onze schepen thuis,
En moet zijn heerlijk graf gemorseld zijn tot gruis.
Vermids dan Hectors zoon de dood, die hij was schuldig,
Door t sterven is ontslipt, zou moet ge zien geduldig,
Dat wij onz handen aan dees heilge rustplaats slaan.
ANDROMACHE.
Rampzalig mensch! wat raad? wat zult ge best bestaan?
Een dobble vreeze breekt mijn hart nu in twee stukken:
Hier komt me s mans gebeente, en daar mijn zoontje rukken,
Wat zijde of t winnen wil? Ik zweer, ik zweer bij all
De Gon, bij u, mijn man! wiens ziel mij altijd zal
Verstrekken voor een God, dat mij niets kan behagen
In mijnen zoon als gij; dat hij nog rekk zijn dagen,
Opdat ik in hem zie t afzetsel van uw beeld.
Leed ik dan, dat men das met uw gebeente speelt,
En dat m uwe asschen sprei, en uitstorte op de baren?
Neen, dat dees liever sterve. O moeder vol bezwaren!
Hoe zult ge kunnen zien, dat uw geliefde zoon
Gemarteld worde, en sterf zou veel vervloekte don?
Hoe zult ge konnen zien, niet onbetraande kaken,
Hem komen rollen ner van d hooge torendaken?
Och ja, en met geduld, als slechts s verwinners hand
Mijn Heetor, na zijn dood, niet strooye langs de strand.
Maar hoe? dees zal zijn straf met smarte en pijne smaken;
Den afgestorven kan noch smert noch pijne raken,
Maar is in veilge rust. Wat drijft ge tusschen twee,
En twijfelt wien ge wilt bevrijden van dit wee?
Staat niet uw Hector daar? Neen, neen, ik zie warachtig
Een Hector hier en daar; maar dees, zijn zinnen machtig,
Zal mooglijk vaders dood nog dienen tot een wraak.
Wat doet gij, droeve vrouw! in dees benaauwde zaak?
Zij kennen beide doch niet wel behouden wezen,
Behoed dan liever dien, die Griekenland doet vreezen!
ULYSSES.
Gaat heen, gaat snellijk voort, en haalt mij voor den dag
Den vijand onzes naams, t zij waar hij steken mag,
Door moeders list verschuild, de beste schrik der Greeken.
Daar is hij vast. Vaart voort. Wat mag u doch ontbreken?
Wat vreest ge, en ziet nog om? t is doch met hem gedaan.
ANDROMACHE.

Och, dat mij vreeze kost nog eenigzins bevan!
Maar t is gewoonte nu voor mij, altijd te schromen,
En t wordt niet haast verleerd, dat vast is aangenomen.

ULYSSES.
Ik zal der Goden raad uitvoeren na t bescheer,
En zal het hooge graf omrukken, gants om veer.
ANDROMACHE.
t Geen ge eenmaal hebt verkocht!
ULYSSES.
                                                     t Zal evenwel geschieden.
ANDROMACHE.
Waar is Achilles woord, waar zijn nu d Hemellieden,
Beroepen in den eed? o, Pyrrhus! koom, beschut
Uw eigen vaders gift!
ULYSSES.

                                 t Graf zal terstond onnut
Verspreid zijn over t veld.

ANDROMACHE.
                                        Zoo grouwelijke werken
Dorst nooit de Griek bestaan. Gij hebt Godheilge kerken,
Ja zelfs van Goden, die u gunstig zijn geweest,
Ontheiligd en geschend; maar hebt tot nog gevreesd,
De dooden in huis graf uit dolheid aan te randen.
Ik zal u tegen zijn, en met ontwapend handen
Uw wapens tegen staan. De gramschap zal me macht
Verleenen tot dit werk; gelijk met dolle kracht
De forsche Amazon plag te slopen Grieksche scharen,
Of als een Maenas, daar de God is ingevaren,
Gewapend met haar thyrs, met een bezeten tred
De boomen dreigt en t wond, en, van verstand ontzet,
Kwetst, dat ze t niet en voelt; zou zal ik mij begeven
In t midden van t gedrang, en als ik heb bedreven
Al tgeen tot voorstand van dees grafsteed helpen kan,
Ik vergezellen zal mijn overleden man.
ULYSSES.

Wat toeft ge, kan een vrouw, met kermen en met razen
En ijdle dolligheid, uw harten nog verbazen?
Doet, dat men u gebiedt!

ANDROMACHE.
                                      Velt mij, velt mij veel eer,
En met uw vinnig staal ntmij liever bouwt ter ner;
Scheurt op d Avernsche poel, en breekt des noodlots marren,
Mijn Hector  de aarde rijt, en doet z haar keel opsparren!
Om dezen Ithakees den moed te doen vergaan
Is mans genoeg uw schim. k Zie hem gewapend staan:
Hij drilt, en schiet met vier! Ziet gij hem niet, o Greeken!
Of zie ik hem alleen?
ULYSSES.

                               k Zal alles af doen breken.

ANDROMACHE.
Wat gaatdy, moeder, aen ! Gij velt met eenen slag
Uw zoon, en egemaal! misschien gij, met geklag
En met geben, den haat der Grieken zult verzetten,
Het zwaar gewicht van t graf t verborgen kind zal pletten;
t Ellendig wicht verga veel eer, tzij aan wat oord,
Eer van den vader t kind gekneusd wordt en versmoord,
Eer s vaders last den zoon zou pletten en vernielen!
Ulysses ach! ik koom demoedig voor u knielen;
En d hand die nooit en dede hetgeen dat zij nu doet,
Raakt met verslagenheid, Ulysses! uwen voet:
Der moeder u erbarm! wilt gunst aan mij besteden,
En hoort met zachten zin mijn smeken en gebeden;
En hoe gij hooger van de Goden zijt gesteld,
Zou veel te zachter drukt die staan in uw geweld.
De weldaad die ge doet aan hen, die moeten zwichten,
Dient om t geluk aan u nog wijders te verplichten.
Zou moet uw kuische vrouw u in haar bedde ontvan,
Zou moet uw vader nog in jaren groeyen aan,
Tot dat hij zijnen zoon met wellekomst mag groeten;
Zou moet uw zoon u na uw wederkomste ontmoeten;
Zoo moet hij meender heils, als gij zelf wenscht, ontvan,
Lart in jaren, u in raad te boven gaan.
Erbarm u over dit ellendig moeders leven,
Die niet als dezen troost in t lijden is gebleven.
ULYSSES.
Breng ons het kind te voorschijn,
Dan zalder eerst gehoor zijn.
ANDROMACHE.
Koom uit het hol, daar ik u heb gevlucht,
O droefste vrouws beschreyelijke vrucht!
Dit s t kind, dat gij, Ulysses, wenscht verstikt,
Waarvoor een vloot van duizend schepen schrikt.
Duik, jongske, duik! werp u ter aarde ner,
En t handje vlei de voeten van uw heer.
Beeld u niet in, dat ietwes kwalijk past,
t Geen de Fortuin haar schoovling leit te last.
Uw oud geslacht, dien koninklijken glans,
En het gerecht des grooten ouden mans,
Al t aardrijk om vermaard, zet uit den zin:
En nimmermeer en valle u Hector in
Buig, kleine knin! uw lijf naar t slaven zet!
Zou u de kindsche onnoozelheid belet,
Ter halver dood mve uitvaart te bevron,
Schrei dan, omdat gij t ziet uw moeder doen.
Oud Troje zag zijn konings kindschheid me
Van tranen nat; de kleine Priam de
Den dreigenden Alcides worden week;
Die forsschert, die! voor wiens geweld bezweek
t Woed ongediert, daar ooit af werd gehoord:
Die, na de bres gemaakt in Plutos poort,
Zich ruggeling te maken wist ruimbaan,
Door t duister heen, verwonnen van een traan,
Welk op de wang zijns kleinen vijands lag:
Ik, zeid hij, gun u t koninklijk gezag;
Zit op den troon uws vaders hoog in t goud,
En zijnen staf, maar bet uw woorden houd.
Dit was, wo hij, s gevangens hardste straf.
Leer Hercules zijn zachte gramschap af;
Of en vermaakt u niet als zijn geweer?
Geen smeeker let voor uwe voeten ner
Van mindren staat, en bid maar lijfs gen,
Dat het naar lust van t luk zijn erfrijk ga.

ULYSSES, ANDROMACHE, ASTYANAX.

ULYSSES.
Verbaasde moeders rouw ontroert me wel het harte,
Nochtans ontroert me meer der Grieksche moedren smarte,
Tot wier groot hartenleed dit kind opwassen zal.
ANDROMACHE.

Zou dit de man wel zijn en hand, die Trojens val
Oprechten zal uit d asch? Moet Troje daar op hopen,
Zoo is het hopeloos. t Is veel te veer verloopen,
t En let zou niet met onz Trojaansche borgerij,
Dat iemand vreest met recht voor onze muiterij.
Of zou zijn vaders moed hem wel den moed verhoogen,
Te weten hij, wien zelf rondom den muur getogen
De moed ontvallen zou, die door veel tegenspoed
En ramp gebroken wordt. Indien ge van zijn bloed
Eischt welverdiende straf, wat zoudt ge meet begeere?
Veroorlooft hem voor slaaf te dienen u ter eere,
Zijn knechtelijken hals ontvange t dienstbre jok;
Wie weigert dat een vorst?

ULYSSES.

                                         Ulysses noch zijn wrok;
Maar Calchas slaat het af.

ANDROMACHE.
                                       O oorzaak van mijn lijen!
Toesteller van bedrog, en tuk op schelmerijen,
Die niemand voor de vuist in t strijden hebt vermand,
Maar door wiens kwaden aard en dubbel schalk verstand
Zelfs Gnieken zijn vermoord! stoffeert ge, om t kind te doden,
Uw zaak met wichlerij en met onnoozle Goden?
Uit uwen boezem komt dit schelmstuk, nachtsoldaat!
Een man in kindermoord! nu zijt ge een held op straat,
Bij lichten dage, alleen!
ULYSSES.
                                       Mijn vroomheid is den Greeken
Genoeg, den Frygiaan niet dan te veel gebleken.
De vloot hare ankers licht. t Is ongelegen tijd,
Dat ik den ganschen dag met ijdle woorden slijt.
ANDROMACHE.
Vergunt me een korte wijl, opdat ik mijnen zone
Voor t uiterste bediene, en mijne gunst betoone,
En voor het laatste omarm dengene, dien ik droeg,
En zou mijn gierge trouw omhelzende vernoeg.
ULYSSES.
Och! of t geoorloofd waar, dat ik, uit mededoogen,
Mij uwer deeren mocht; doch tgeen we alleen vermogen,
Dat wordt uw be vergund, te weten tijd en wijl
Naar uw begeerte en wensch. Verzaad u in der ijl
Met tranen, Droefheid wordt verlicht door bitter schreyen.
ANDROMACHE.

O zoet en waardig pand! o eere van t gescheyen
En nergeslagen huis, en Trojens laatste lijk!
O schrik van Griekenland! o moeders ijdle wijk!
Wien ik zijns vaders lof en oorloogskunst ervaren
Toewenschte, en ook den tijd, die, in zijn middeljaren,
Zijn bestevader heeft gelukkig doorgebracht:
Maar d Hemel heeft mijn bede helaas! niet veel geacht.
Gij zult van Ilium den scepter niet eens zwieren
In koninklijke zaal, noch met geboden stieren
De volken wijd en zijd. Voortaan en zult ge niet
Zon menig land gebracht zien onder zijn gebied;
Gij zult niet eenmaal, baas! de Grieksche ruggen wonden,
Noch slepen Pyrrhus lijk aan uw karos gebonden;
De kleine wapens gij met uwe teedre hand
Niet handlen zult, noch t wild, verspreid duur t woeste land,
In berg, in bosch en dal, gezwind en stout najagen,
En, na elk vierde jaar, op de ingestelde dagen,
Den sleep van Trojens spel voortbrengen op de baan,
En voeren, edel kind! de wakkre benden aan:
Gij zult, met snellen voet en met gezwinde keeren,
Niet eens om d outers gaan, en met uw dans vereeren
Der Frygen tempelfeest; als t kromkornets geluid
De snelle passen trekt ten wakkren voeten uit.
O slag van wreede dood! veel droever als het sterven
Zal Troje noch iet zien, tgeen zal haar hart doorkerven
Veel meer als Hectors moord.

ULYSSES.
                                               Nu, moeder! t weenen laat:
Een groote droefheid stelt zich zelve doch geen maat,
ANDROMACHE.

Heel kort, Ulysses! is het mannen van ons weenen,
Daar ik om smeek en bid, Gedoog, dat ik den genen,
Die nog in t leven is, zijne oogen luiken mag.
Klein sterft ge, doch alre draagt Argos dy ontzag:
Uw Troje wacht uw komst; wij smelten in onz tranen.
Ga, vrij en vrank, en vindt d ontslage Frygianen!

ASTYANAX.

O moeder, u erbarmt!

ANDROMACHE.

                                  Wat houdt ge mijnen schoot,
En s moeders hand, die is eene ijdele hulp ter nood.
Als t teder kalf zich bij de moeder weet te vlijen,
Wanneer het brieschen hoort de leeuwen van ter zijen;
Maar het verwoede dier de moeder wijken doet, -
En zoekt den mindren roof, die t met zijn tand bebloed
Verscheurt, verrukt, en sleept; zou zal u uit mijne armen
De vijand rukken ook. Ontvang mijn droevig karmen,
Ontvang mijn laatsten kus, en t uitgetrokken haar,
En dus gekropt van mij ontmoet uw vader, daar
Hij dwaalt in t zalig veld; doch wilt hem overdragen
Heel weinig woorden van uw moeders bitter klagen,
Zoo s overleden schim zich de eerste zorge aanneemt,
Noch door t verbranden niet van d oude liefd vervreemt:
O wreeden Hector! hoe gedoogt ge nu, gij brave!
Dat onder t Grieksche jak Andromache dus slave!
Wat legt ge, log en traag! Achilles kwam wel wer.
Neem van mijn tranen, kind! die nog zijt klein en ter,
Neem van mijn haren wer, al tgeen is overbleven
Van d uitvaart mijns gemaals! Neem kuskens, die ge geven
Moogt aan uw vaders mond. Dit kleed uw moeder laat
Ten troost; mijn graf en geest aanroerden dit gewaad;
Naauw ik doorsnufflen zal wat asschen hier mag schuilen.

ULYSSES.
Hier is noch maat noch end van schreyen en van huilen.
Fluks weg met Hectors zoon! ruk weg, en mmeeste hem met,
Die t leger marren doet, en Argus vloot verlet.
REI.
Wat plaats of ons gevangene all
Bij zich ter woon ontvangen zal?
Thessalin vol bergen of
Koel Tempe, rijk van lauwer-lof ?
Of Ftie, een veel bekwamen veld
Om uit te levren menig held?
Of t steenig Trachyn, beter ste
In vruchtbaarheid van t sterke vee?
Of is t Ilcos, hoog van moed,
Betemster van den zouten vloed?
Of t ruime Creten, bij elk een
Verwonderd om zijn honderd sten?
Of ook Gyrtone, klein van naam?
Of Trice, dor en onbekwaam?
Of is t Methone, dicht begroeid
Van lichte steekpalm, dieder bloeit?
Methone, dat, alzins bekuild,
Dicht onder t bosch van Oeta schuilt,
En meer als eens de pijlen straf
Tot Trojens nederlagen gaf.
Of Olenos, wiens hutten licht
En wijd zijn van elkar gesticht?
Of Pleuros, dat zich altijd draagt
Als vijand der Godinne-maagd?
Of Trzen, wiens krombochte re
Bespoeld wordt van een breede zee?
Of Pelion, wel eer vermaard
De darde trap ten Hemelwaart,
En strekte Proteus voor een rijk?
Op dezen berg, was Chirons wijk:
Daar lag, in uitgehoolde rots,
De meester van het kind, dat trotsch
En moedig doen alreede was,
Mits hij hem zulke lessen las,
Waardoor de grimmigheid van t her
Nog meer en meer geslepen werd;
Als hij zijn harrep klinken liet,
Zoo zong hij onder t snaarspel niet,
Als slechts van houwen, kerven, slaan,
En wat daar voorts mag hangen aan.
Carystos rijk van marmorsteeu?
Of Chalcis, daar Euripus heen
En wer speelt met de onstuime zee?
Of zijn t de Echidnen, die hun re
Bekwaam voor alle winden leit?
Of Gonos, daar t altijd weit?
De Enispen, bang vuur Boreas?
Of Pepareet, ter Noorden as,
Aan Griekens alderuiterste end?
Of is t Eleusis, dat gewend
Vrouw Ceres stadig t eeren is,
In stilligheid en duisternis?
Of roept ons, tegens onzen zin,
Des waren Ajax Salamin?
Of Calydon, zou t dat wel zijn,
Alom bekend door t wilde zwijn?
Of is het Scarfe en Besse? of t land
Dat Titaressos, die naar t strand,
Om onder zee te duiken, sluipt,
Met zijnen tragen vloed doorkruipt?
Of Pylos, dat lang leven geeft?
Of Pyse, dat een tempel heeft,
Jupijn ter eeren opgebouwd?
Of Faar? of Elis, daar men houdt
En viert de feest, die s winners hoofd
Den lof krans van olijf belooft?
Het razende onwer hier en gins
Zende ons slavinnen allezins,
En lande en berg, waar t wil, ons lijf,
Behoudens, dat men verre blijf
Van Sparten; twelk, met recht gebaat,
Den Frygen en den Grieken staat
Op zou veel smarte en ongerijf;
Behoudens, dat men verre blijf
Van Argos en Mycenen, eerst
Door Pelops tiranny beheerscht,
t Klein Neritos, min als Zacynth
En Ithaca, wiens klippen blind,
In t water duikend voor en naar,
De kielen dreigen met gevaar.
Wat lot of u noch wezen zal
Beschoren, of wat ongeval?
Trojaansche koningin wel een!
Waarheen, en van wat overheen
Zult gij nog worden omgeleid?
Wat land is tot uw graf bereid?

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001