Joost van den Vondel (1587-1679)

De Amsteldamsche Hecuba.

DE VIERDE HANDEL.

HELENE, ANDROMACHE, HECUBA.

HELENE.
Wat bruiloft doodsch en dreef, met kermen, bloed, en moord,
En klachten wordt gevierd, daarvan, na recht, behoort
ít Beleid toe aan Heleen. Mij derf men nog beladen,
Om den verdelgden Frijg in ít uiterst te beschaden;
Aan mij beveelt men nog te boodschappen ít geveinsd
En ijdel huwelijk van Pyrrhus, en op ít reinst
De bruid, na Grieksche wijs, te cieren en te kleeden.
Prins Parisí zuster wordt door mijne trekken heden
Misleid, en raakt om hals door mijn versierd bedrog.
Verschalkt ze vrij, ik acht zulks voor haar ít lichtste nog.
ít Is een gewenschte dood te sterven, zonder schrikken
Voor ít lijden van de dood. Wat draalt ge te beschikken
Hetgeen u is belast? De stichter draagt de schuld
Van ít opgedrongen kwaad. Uw jammer is vervuld,
O welgeboorne maagd, van Dardans bloed gesproten!
Een milder God heeft u, die deerlijk waart verstooten,
Goedgunstig aangezien, en is vast bezig, om
Te schenken aan uw jeugd een zaalgen bruidegom;
Al heerschte Priam zelf, schoon Trojens muren stonden,
Tot zulk een huwelijk zij u niet brengen konden;
Want dí overkijker zelf van dí eedle Grieksche stam
U tot liet heilig recht van kuische minnevlam
En wettig bed verzoekt, wiens breed gebied gelegen
Is aan ít Thessalisch veld. O, welk een groote zegen!
De groote Thetis, en zou menige Godes
Van ít zoute pekelschuim, daartoe de zeeprinces
Vrouw Tethys, de voogdes van de opgeblazen baren,
U voor haar aangehuwde en eigen pand verklaren,
En Peleus, als gij nu zijt Pyrrhus wederga,
U noemen zal zijní snaar, en Nereus even na.
Leg af ít bezwalkt gewaad, trek weder aan een statig,
Verleer slavin te zijn, weest niet zou ongelatig;
Strijk neÍr ít gerezen haar, duld, dat het wordí geschikt,
En met een aardigí hand getooid en opgeflikt.
Dit ramp misschien ei voert tot hoogren staat en orden,
ít Heeft velen nut geweest des vijands roof te worden.
ANDROMACHE.

Te schaatren eens van vreugd was ít eenig onheil, dat
Den Frygen nog ontbrak, en dí uitgerooide stad,
ít Geslechte Pergamum vast brandt aan allen hoeken.
O tijd van hijliken! maakt iemand zich te zoeken?
Zonde iemand weigeren te treÍn na ít bruiloftsbed,
Daar ít lief juweel toe raadt, Heleen! ít bederf, de smet
Der beide volleken? Ziet eenmaal doch met weenen
Die vorstengrafsteÍn aan, deze onbegrave beenen
Langs ít veld gezaaid: die heeft uwí bruiloftsfeest verspreid!
Om u men ít Aziaansche, om u men ít vaak beschreid
Europisch heldenbloed, al sissende, zag storten;
Als gij koelmoedig zaagt de mannen tí zamenhorten,
Onzeker wien ge droegt. Vaart voorts, en maakt met groen
De bruiloftskamer toe. Wat is er toorts van doen,
Of fakkel na gewoonte, of vier? Laat Troje uitrichten
Dien dienst, en met zijní vlam ít nieuw bruiloftsbed toelichten.
Trojaansche burger! viert, viert Pyrrhusí huwlijksfeest,
Ja, viert ze na waardij, dat smet een hangen geest;
Maakt droefheid en misbaar!

HELENE.

                                           Hoewel de groote smarte
In geene rede staat, noch wordt vermorwd in ít harte,
Ja, boven dat nog vaak haarí rouwgenooten haat;
Zou is het evenwel, dat zou mijn zake staat,
Dat ik ze nimmermeer te pleiten mij zal schromen,
Al was de rechter schoon met gramschap ingenomen.
ík En loochen niet, dat u wel overkomen zij
Ondragelijke smart; maar ít staat u echter vrij,
Dat gij Priaam, en gij uw Hector moogt beweenen;
Maar ik, helaas lik moet in ít heimelijk bestenen
Mijn Panris, dien ik mis. ít Is een ondraaglijk juk,
In slavernij te zijn; dat heb ik ook, met druk,
Als een gevange vrouw, tien jaren lang gedragen.
Uw Trojen leÓt ter neÍr, dí Huisgoden zijn verslagen,
ít Is wel een zwaar verlies het derven zijner stad;
Maar zwaarder ik mijn vrees, dan alle rampen schat.
ít Gezelschap in uw kwaad uwí smart wat kan vergoeden,
Op mij verwinner beide en overwonne woeden.
ít Heeft in onzekre kans nu langen tijd gestaan,
Wie dat eení ieder zou voor zijn slavin ontva‚n,
Mij kreeg terstond mijn heen, en zonder eenig loten.
De krijg, verwijt gij mij, is eerst uit mij gesproten:
Eene oorzaak van ít verdriet, dat Trojen overviel;
Dit zou zou wezen, waar ít dat onzí Spartaansche kiel
Uw zeÍn eerst kloofde. Maar zou de Trojaansche vechter
Mij roofde, als Venus mij geschonken had den rechter,
Zou weet het Paris dank. Mijn zaak zal vinden wel
Een scheidsman, maar helaas! voor mij niet dan te fel.
ít Is MenelaŁs, die hier over recht zal spreken.
Wilt nu, Andromache! uw treuren doch wat breken,
En murwen het gemoed van dees bedrukte vrouw ,
De tranen dringen mij ten oogen uit van rouw.

ANDROMACHE.

ít Moet zijn een groot verdriet, dat ons Heleen doet schreyen,
Wat doet haar doch aldus de vochte tranen spreyen?
Zeg op, zeg op! waar is Ulysses nu op uit?
Wat schelmstuk, of wat list is eindlijk zijn besluit?
Zeg op, hoe dat men zal met dí arme dochter leven:
Zal zij met volle kracht heronder zijn gedreven
Van Idaís toppen, daar hij rijst met heuvelkruin?
Of zal een wreed soldaat haar schieten, steil en schuin,
Van ís onlangs hoogen burgs verre uitgesteke klippen?
Of zal ze in ít woeste meer afwentlen van de tippen,
Die Trojens voorgebergt, met zijn gespouwe zijí
En lenden steekt om hoog, zou dik en vaak als hij
Ziet alsins overheer dí inhammen, licht om gronden?
Zeg op, wat uw gelaat bedekt vuur boze vonden.
Dat Pynrhus zwager wordt van Hecube en Priaam,
Gaat boven alle ramp. Nu geef de straffe een naam.
Zeg op, wat jammer gij ons wijders toe wilt zenden.
Beneem dit eenig leed al overige zenden,
Datís dí ijdle en valsche waan vol twijfelmoedigheid,
En deze onzekre hoop. Gij ziet, wij zijn bereid,
Den jongsten slag des doods geduldelijk te lijen.

HELENE.
Och, of der Goden tolk mij toeliet af te snijen
ít Verlet van ít hatig licht, of, voor Achillesí graf,
Door Pyrrhusí woedendí hand, als speelnoot van uw straf
En droevig ongeluk, te sneuvlen met den zwaarde!
Helaas, Polyxena! wiens schoonheid de vermaarde
Achilles voor zijne asch ter slachting daagt door ít staal,
Om in ít Elyzisch veld te strekken uw gemaal!
ANDROMACHE.
Ziet, hoe dat moedig dier, gelijk den dag van eeren,
Haar sterfdag noemen hoort. Ze eischt koninklijke kleÍren
Tot voegelijk cieraad; dat in hare vlechten streelt,
En dí handen slaat aan ít haarn, haar leed doet noch verveelt;
Het ander hield ze een dood, dit rekent ze bruids stacy
Maar ít moederlijk gemoed beklagelijk, eilacy!
Verstokt door deze maar, bezwijkt door groote smart;
ít Verstand ontzonken is. Schep moed, rampzalig hart!
Hef uwe geesten op! Hoe hangt de ziel des menschen
Aan zulk een dunnen draad? Hier waar niet veel te wenschen;
Een lutske en Hecuba gezaligd ons begeeft.
Zij haalt den aassem weÍr, verkomt allengs, zij leeft.
De dood vliedt aldermeest voor die zich baadt in tranen.
HECUBA.
Wel, leeft Achilles nog tot straf der Frygianen?
Steekt hij nog dí ooren op, ruig, woest, en omgetemd?
Hoe weinig heeft mijn zoons, vorst Paris, hand geklemda!
Zijn tombe en de assche zelve ons ít leven nog benijden,
En snakken naar ons bloed. Thans waren beÓ mijní zijden
Becingeld van een schaar, en zaalge zielenrei;
Ik werd van ít kussen moede, en ít liefelijk gevlei
Van moederlijke jonst den kindren uit te deelen.
Deze is er nu alleen slechts even van zoo velen;
Mijn wensch, mijn gezellin, verlichting en genucht,
En ís aangevochten rust. Dit ís, Hecube! al uw vrucht:
De naam van moeder vloeit me alleen uit deze lippen.
Rampzaalge en taaye ziel! voorts, voorts, gaat eenmaal slippen,
En schelt me eens endlijk kwijt deze eenige uitvaart, ach!
De kaken zijn bevocht van schreyen dag aan dag,
Van ít drukkig aanschijn stort een onverziensche regen.
Mijn dochter, weest verheugd! Hoe zou, om zulk een zegen,
Om dit uw huwelijk Cassandra zijn begaan!
Hoe zon Andromache naar uwe bruiloft staan!
ANDROMACHE.

Wij, Hecuba! zijn eer, wij, wij zijn te betreuren,
Wie fluks de zeilbre vloot zal van malkandre scheuren,
En spreyen hier en gins; zij, lieflijk uitgestrekt,
Wordt van geboortige aarde in ít vaderland bedekt,

HELENE.
Indien ge uw lot verstondt, gij zoudt haar meer misgunnen.
ANDROMACHE.

Wat straffe dreigt ons dan, die wij niet weten kunnen?

HELENE.
De bus, die is geschud; elk heeft zijn heeren al.
ANDROMACHE.

Wat heen is mij bescheerd? Zeg, wien ik dienen zal.

HELENE.
Maar, Scyrosí jongeling dy trok ten eersten bote.
ANDROMACHE.

Hoe zalig is de maagd Cassandra, die de vlote
Der Grieken niet en vreest, en door haar razerij
En Fúbus veilig is, en blijft van loting vrij.

HELENE.
Het hoofd der koningen houdt dees voor zijn gevange.
HECUBA.
Wil iemand Hecuba ook voor de zijne ontvangeí?
HELENE.

Dí onwilgen Ithakois gij vielt tot roof te beurt.

HECUBA.
Wat loter wreed van aard, ondwingbaar en versteurd,
Den ongerechte busse, heeft, zonder staatverschooning,
Den eenen vorst gezet tot ís anders vorst en koning?
Wat euvler God verdeelt de slaven hier en daar?
Wat, den bedrukten streng en onzacht, middelaar
Zoo luttel kennis draagt in heeren uit te keuren,
En belt dí ellendige nog heilloos ramp te veuren,
In ít wreken al te wreed, van hand en van gemoed?
Wie voegt de moeder doch van Hector bij het bloed
Van ∆acus, en bij zijní wapenen en troepen?
Of word ik weder naar den Ithakois geroepen?
Nu dunkt me, ik ben slavin: nu wint de Griek den kamp:
Nu dunkt me, ik ben bezet van allerhande ramp.
Ik schaam mij zulken heer, maar niet, dat ik moet slaven,
Zal die met Hectors buit zou trotsch gaan henen draven,
Die, Ajax eer te spijt, Achillesí roof ontdroeg?
Daar ooit de zee rondom ít onvruchtbaar eiland sloeg,
Zal hier mijn grafsteÍ zijn? koom hier, koom hier, verbolgen
Ulysses! leid me weg, ik zal mijn meester volgen;
Ik kreunsme niet, mijn lot mij navolgí, naar mijn lust.
Geen stilte zij op zee, noch aangename rust.
Van winden woede ít meer; dat Pniaams ongelukken,
En mijne, en krijg en vier der Grieken legers drukken:
En ondertusschen dat deze onderwege zijn,
Zoo woedí dees straf alreÍ. Ik, vol verdriet en pijn,
Heb u een lot verstrekt, dies is u ít loon onttogen.
Maar Pyrrhus komt daar aan, met wrevelmoedige oogen,
En spoedt met snelle treÍn. Wat wacht ge Pyrrhus? hoe!
Koom, opent mijne beest met ijzer: treÍ vrij toe,
En help den schoonva‚r doch en, schoonmoÍr van uw vader
Eens bij malkanderen. Gij slachter, gij verrader
Van grijze en oude liÍn! dit bloed dy meÍ betaamt
Koom, sleept me, ontrukt me meÍ; met neÍrslag onbeschaamd
Ook dí OppergoŰn bevlekt, en schimmen dieder waren.
Wat zee wensch ik uw vloot? ik wensch haar zulke baren
Gelijk uwe offerande en gruwel wel vereischt.
De gansche Grieksche vlote, als gij nu henen reist,
Uw duizend schepen fluks (als mijní bedmoefde ziele
Gevoerd wordt) overkoomí hetgeen ik wensch mijn kiele.
REI.
Die treurt en zit verslagen,
Is ít zoet, dat vele klagen,
Is ít zoet, dat heele volken
Bang stenen naar de wolken.
De tranen en misbaren
Min nijpen, als er scharen
Bedrukt te gader weenen,
En om haar rampspoed stenen.
Die groote droefheid smaken,
Zich altijd nog vermaken,
Dat hunní kwade avonturen
Vele andere ook bezuren,
En dat ze niet alleene
Zijn weerloos voor die peene.
Geen mensch ontzeit te dragen
ís Volks algemeene plagen.
Geen acht zich dan ellendig
Al is hij ít schoon inwendig.
Neemt weg die zaliglijken
Bedijen; zet de rijken
Ter zijden, die beklijven
Met goude en zilvre schijven;
Neemt weg, die steeds met zwoegen
De rijke landen ploegen,
Met honderd ossen tevens:
Zou zal, vol moeds en levens,
Zich ís armen moed verheffen,
Ziende alle staten effen;
Want niemand, hoe bezweken,
Is arm, als vergeleken.
Zoet valtet boven allen
Wiens zaken zijn vervallen,
Dat niemand onder ít maanlicht
Lacht met een vrolijk aanzicht.
Die met een schip, uit liefde
Van winst, de baren kliefde,
Wanneer hij naakt ontzwommen
De zeestrand heeft beklommen,
Hij zal bedroefd, och armen!
Om zulk een rampspoed karmen.
Hier tegens wij bevinden,
Dat, dien de storremwinden,
Ja, schade minder wonden,
Die in de woeste gronden
Zag teffens duizend schepen
Van ít onweÍr onder slepen,
En ít heele vlak zag drijven -
Vol hout en doode lijven,
Als Corus strenge onweÍren
De zee belet te keeren,
Met dí aangeparste golven.
Eer Fryxus, schier bedolven
Van ít schuim, vol schriks en beven,
En eenig overbleven,
Heeft Helles lijk bekreten,
Helaas! doen ze afgesmeten
Viel midden in de vloeden,
Die tuimelen en woeden;
Doen haar de nam afschudde,
De leidsman van de kudde,
Wiens lijf was overtrokken
Met glinsterende vlokken;
Wiens gouden rug de broeder
En zuster, hunní stiefmoeder
Ontvluchtende, beschreden.
Zelf Pyrrhí hiel zich tevreden,
Als haar gemaal behouden
En zij de zee aanschouwden,
En niet als zee vernamen,
Doen zij ít alleene ontkwamen.
De vloot nu schielijk herwaarts
Gedreven, nu weÍr derwaarts,
Zal dit gezelschap scheyen,
En onze ít traanen spreyen:
Als schippers en stierlieden,
Op scheeptrompets gebieden,
Tzeil gaan, en hunne roeyers,
Als kloeke waterspoeyers,
De diepte eens vatten vlugge,
Als ít strand zal vliÍn te rugge:
Hoe zullen dan uw zinnen
Te moÍ zijn, o slavinnen?
Als gij de groots plassen
Ziet groeyen, ít land ontwassen;
Als Ide allengs zal blaauwen,
Neerduiken, en verflaauwen?
De moeder zal haar zonen,
De zoon de moeder toonen,
In welken oord en wegen,
Dat Trojen is gelegen;
En met den vinger wijzen
En zeggen: Ądaar gij rijzen
Ziet hemelhoog dat smoken,
Die damp, en ít leelijk rooken,
Daar zijn Neptunusí vesten
Verwoest, vernield, ten lesten
Van dees vervloekte Greeken.Ē
De Frijg zal hij dat teeken
Van verre zich gewennen,
Zijn vaderland te kennen.

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001