Joost van den Vondel (1587-1679)

De Amsteldamsche Hecuba.

DE VIJFDE HANDEL.

BODE, ANDROMACHE, HECUBA.

BODE.
O noodlot, vol van vloek, van wreedheid, deernis, schrik!
Heeft Mars, in tien jaar krijgs, met zon verwoed een stik,
Zijne oogen ooit vermaakt: wat zal ik eerst verklaren?
Wat heft mijn klacht eerst op: uw eiselijk bezwaren,
O uitgeleefde vrouw? Of zal t uw rouwe zijn?
HECUBA.
Wat leed, dat gij beschreit, gij zult beschreyen t mijn.
Elk heeft zijn eige ramp; mij zij te gar aantaste,
En wie ellendig is, die late mijnen laste.
BODE.
Ik heb de maagd zien slaan, t kind worpen van de tin,
Maar met een moedig hart haar sterven, hem niet min.
HECUBA.
Verhaal de dobble moord, en reeks van schelmerijen.
Het wroeten in mijn wonde is mijn gemoeds verblijen.
Leg al de toekomst uit.
BODE.
                                   n toren heeft de brand
Van t groote Trojen slechts gelaten in zijn stand:
Van wiens verheven top en gekanteelde boorden,
Plag Priaam zittende te stieren de slagoorden,
En d oorloogsmaat te slaan. Hij, grootvar, hier zijn neef
In zachten schoot gestoofd, wees aan, hoe Hector dreef
Den Griek, en de terug gemeenen man en heeren,
Als hij met vier en zwaard daar achter her was, keeren,
Door last van grooten angst; en liet den jongen held
Aanschouwen, welk een man zijn vader was in t veld.
Dees toren, eerst bekend voor een cieraad der vesten,
Maar nu een moordklip, wordt door t graauw en duur de besten
Van ieder oord omringd. Al t volk, met ne veeg,
Komt derwaarts aangemnkt. De schepen loopen leg.
Een menigt hier van lin zich op een heuvel zette,
In vrije lucht, daar niets het uitgezicht belette;
Daar, op eene hooge rots zijn kruin alwaar zij gaan
Zich plantende in t gewicht op hunne tenen staan;
Andre op een pijnboom, beuk, of lauwer zich begeven,
En t opgehangen volk het gansche woud doet beven.
Zulk, voor de keur, den kant van stellen berge nam,
Een ander een stuk daks vergeten van de vlam.
Zulk een beklimt een muur, die reed staat om te breken,
En t lijf waagt op een steen, onvast door t oversteken;
Ja, k heb gezien de tomb van Hector dienen me,
Fy onbarmhartigheid! den kijker tot een ste.
Doen kwam, met fieren moede cm, hooggeheve schreden,
Scheil makende in den drang, Ulysses aangetreden:
Bij zijner rechtehand hij Priaams neefken had,
En trok hem voorts, Het kind met wakkren gange trad
Na d hooge vest; het sloeg niet eens versaagd nu herwaart,
Staande op den torenkant, zijn streng gezicht, nu derwaart.
Gelijk een teder jong van een geweldig wild,
Al is t nog zwak van tand, zijne ijdle beten spilt
In t toonen van den aard, die t doet tot forschheid neigen,
En, van verbolgenheid gezwollen, woedt met dreigen;
Alzoo dat brave kind, van vijands hand bekneld,
Had volk en vorsten, ja, Ulysses zelf ontsteld,
En zijn gehardheid de den mannen t hart ontvallen;
Alleen en schreit hij niet, die wordt beschreit van allen.
En middlerwijle dat Lartes zoon bestond
Den paap te bidden na, en aanhitst, stijf van mond,
Ten offer wreede Gon, is de onversaagde jongen
Van zelven midden in zijn gmoutvars rijk gesprongen.
ANDROMACHE.
t Geslacht van Colchos, fel en bitter in den aard,
De onburgerlijke Scyth, met wien zijn huis vervaart,
Of t wetloos volk, hetwelk bewoont d Hyrcaansche stranden,
Waar heeftet ooit geschend aan zulk een stuk zijn handen?
Wie hoorde van Busyr, dien wreedaart, zulk een maar,
En dat ooit kinderbloed besprenkelde t altaar?
Zijn paarden, menschen-vleesch gewend voor voeder t eten,
En heeft het Diomeed zou jong nooit voorgesmeten.
Maar wie bestelpt uw len, en levert ze aan het graf?
BODE.
Wat leden spaarde doch de steile plaats daar af?
De zwaarte, die, recht toe recht aan, en zonder horten,
Met zou gezwind een slag kwam tegens d aarde storten,
Heeft al de len geknist en vliegen doen om veer.
t Uitmuntend lijf, die mond gelijkt zich zelf niet meen.
Zijns vaders edel kroost, in hoogsels, diepsels, holten
Zich openbanende, let t eenemaal gesmolten.
De nek is uit het lid, en uit het harsen-vat,
Door eenen keizelsteen gekraakt, is t brein gespat.
Het lijf let maakselloos.
ANDROMACHE.
                                     Het zweemt zijn vader weder,
BODE.
Na dat geworpen was het kind van boven neder,
En t heen den grouwel, dien t gewrocht had, heeft beweend,
Valt aan een ander stuk de zelleve gemeent,
En aan Achilles tomb. De golven slaan van buiten
Hier tegens zachtlijk aan. Van de andre zijde stuiten
De vlakke velden op een heuvel, die al heel
Het middelst sluit, en rijst als zitsten van tooneel.
De groote toeloop vult terstond den ganschen oever,
Een deel is van geloof, dat deze daad de schroever
Der schepen wezen zal, en brengen ze in gebruik;
Een ander ziet met lust uitdrogen s vijands struik;
Een groot deel graauws (waarbij zijn lichtigheden blijken)
Verfoeit het schellemstuk, en loopt het lijkwel kijken.
Niet min en spoeit zich naar zijne uitvaart de Trojaan,
Die met zich zelven komt te lijk en graafnis gaan;
Onmachtig, door den angst, van siddren zich t unthouwen,
Zoekt hij den laatsten val van Trojens vest t aanschouwen.
Met komen huwlijkswijs de fakkelen voor uit;
Heleen, met bukkend hoofd, gaat treurig voor de bruid.
Den Troischen dunkt die toorts gehaald uit Plutos hoeken,
En zulk een stacy zij Hermione toevloeken,
De vuil Heleen alzoo haar man zij thuis gevoerd!
Een schrik ter wederzijds t verbaasde volk ontroert.
De maagd haar aanschijn laat van schaamt voor over hangen,
Een glans, die speelt haar op de jeugdelijke wangen;
Des niettemin, en t fraai nu loopende op een end,
Ruim zou bevallijk blinkt als het ooit was gewend;
Gelijk als op zijn schoonst Apol is, wen zijn rossen
Te wedd gaan, en hem t licht der stamren komt verlossen,
En dat de twijfeldag den nacht krijgt op den hals.
De menigt staat versuft. Men prijst, doch naauw van alls
Een ding zoo zeer, als tgeen dat ons nu wordt onttogen;
Die door haar schoonheid, dees is door haar jeugd bewogen,
Dees door het dwaalziek luk, dat heining kent noch sloot,
Al tzamen door dien moed, uitdager van de dood;
Z heeft Pyrrhus achter haar; ja, d harten zelfs der riddren,
Zoo wel als van het schuim des legers, staan en siddren,
Vol van medoogendheid en van verwondering.
Na dat den steilen berg ten top de jongeling
Beklommen, en dat hij nu op de kruin verheven
Van vaders hooge tomb zich had in stand begeven,
De dappere mannin in t minste niet en zwicht;
Zij staat hem, fornsch den slag binde een fel aangezicht.
Zou kloek een moed doorsnijdt het hart van stoute en bloode
En een nieuw wonder is hier Pyrrhus suf op doode.
Met dat, van zijnen hand de stijfgejaagde kling
In d overschoone borst tot aan t gevest toe ging,
En maakt een wijde wond, zou dat de ribben knarsten,
De dood daar in, het bloed daar schielijk uit kwam barsten;
In t sterven zelf nochtans zij van den moed niet scheidt:
Voor over stortte zij met gramme krachtigheid,
Alsof ze Achilles had met d aarde willen pletten.
De scharen schreyende zich allebeide ontzetten:
De Frygiaan bedeesd geluid van stenen slaat,
De triomfeerder klaar zijn stenen hooren laat.
Dus ging het offer toe. Al t bloed werd van t verbolgen
En wreede graf, eer t staan of vloeyen kon, verzwolgen.
HECUBA.
Gaat Grieken, gaat! u roept een veilge weg te rug:
Ontvouwt het laken, maakt uw hooge stevens vlug,
En spouwt de zee; gij hebt haar weigren niet te schromen.
De maagd en t kunI zijn om-, de krijg ten end gekomen.
Waar met mijn tranen heen? waar, leider! spuw ik uit
D owijfelijke ziel van dezen taayen huid?
Zal ik mijn dochtr, of neef, mijn man of land betreuren?
Of all of mij? o, dood! mocht gij mij slechts gebeuren!
De jonge kinderen, de maagden gij verdoet
Met kracht, en overal met haastigheden woedt;
Alleene schreumtge mij, en weet me tusschen t stuwen
Der pijlen, ander t zwaard, en in den brand te schuwen.
Gij hebt mij, die u zocht, den heden nacht geweerd,
En vijand, val, noch vier mijn leden heeft gedeerd.
Stond ik u niet zou reed als Priaam?
BODE.
                                                       Slaafsche hoopen,
Ras t scheep! de vloot wil t zeil, en is al afgeloopen.

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001