Joost van den Vondel (1587-1679)

De Amsteldamsche Hecuba.

H e c u b a.

t Was Sparten niet genoeg, dat, na t langdurig krijgen,
Ik met mijne oogen zag, hoe Pyrrhus voor t autaar
Het grijze koningshoofd greep hij t gewrongen haar,
En met zijn lemmer ging den ouden strot doorrijgen;

Dat ik de vlammen zag van t hof ten Hemel stijgen,
Als Hecube, uitgeput door jammren en misbaar,
Haar heldenzonen had begraven voor en naar,
En weduw bleef gemengd in t overschot der Frijgen:

Ik most nog, onder schijn van inspraak Gods als-kaks,
Mijn dochter Polyxeen, mijn neef Astyanax
Zien sneuvelen door t staal, zien storten van den toren,

En Trojens heerlijkheid vergaan in rook en damp,
En, oud verschove wijf  bestenen aller ramp;
Hoe is een taaye. ziel zoo veel verdriets beschoren!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001