Joost van den Vondel (1587-1679)

De Amsteldamsche Hecuba.

DEN ACHTBAREN, HOOGGELEERDEN, WIJZEN, EN BESCHEIDEN HEERE

Mr. ANTONIS DE HUBERT,

OUDEN RAAD EN SCHEPEN DER STEDE ZIERIKSEE, EN RECHTSGELEERDE, ENZ.

Mijn Heer,

Wij offeren hier uwe E. de Amsteldamsche Hecuba. Dezen bijnaam draagt ze, omdat Amstelredam hare geboorteplaats is. Verscheide vaders hebben vaderlijk recht aan dit kind. Zeit men, dat het schandelijk luidt, dat er meer als ťťn vader tot een zelve vrucht gehoort: wij staan het geerne toe: maar gelijk dat in de nature oneerlijk is, alzoo zal ít hier heerlijk zijn. Beziet ze, ja, doorziet ze vrij, en zoo u dunkt, dat er iet Godlijks in haar aanschijn zweeft, denkt dat ze geboren, en ook herboren is, alzoo det ze met recht twee- of drie-boortige mag heeten. Dit heeft ze met geene sterffelijke menschen, maar met den God Bacchus gemeen, die, nadat hij, als eene ontijdige vrucht, uit Semele, ter wereld kwam, in Jupiters dye voldragen werd, en derhalven met recht den naam kreeg van Dithyrambos. Het wijze en geleerde brein van eenen, wiens standvastigheid de eeuwen doorleven zal, heeft de Latijnsche Troas vereerd met den titel van Regina tragúdiarum (Koningin der treurspelen). Wij wenschten, dat de Nederlandsche zulk eenen karbonkel in ít voorhoofd voeren mocht, of dat ze ten minste meer luisters van Seneca ontleend hadde. Dat wij uwe E. die in ít bijzonder heiligen en opdragen, geschiedt tot dankbaarheid van de Psalmen, die uwe E. ons toegezonden hebt, en waarmede wij niet weinig vermaakt waren, als wij met gretige ooren den Goddelijken galm van Davids harpe vingen, en hem met geene mindere zoetigheid in zuiver Nederduitsch hoorden geluid slaan, als voormaals in ít Hebreeuwsch de HebreŽn in Judea deden, Of wij hier alle eigenschappen onzer moederlijke tale, volgens het afscheid der dichteren (*), wel hebben waargenomen: daarvan zal uwe A. konnen oordeelen, als die hier tí huis hoort, en als een treffelijk lidmaat onze letterkunstige vergaderinge niet weinig vereerde. Omhels dan, waarde heer en vriend! onzen en der anderen arbeid liefelijk, en, nauwe gewoonte, straf de misslagen heuschelijk, en leef hier voorspoedelijk, en namaals eeuwelijk. Tí Amstelredam, dezen zesten van Oogstmaand, 1625.

  Uwe E. A. verplichte

  J. VAN DER VONDELEN.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001