Joost van den Vondel (1587-1679)

SOFOKLES

HERCULES IN TRACHIN

TREURSPEL

A. 1668

DEJANIER.
Een spreekwoord is van ouds elk in den mond gegeven,
Dat niemand s menschen lot vr t einde van zijn leven
Kan kennen, of het goed of kwaad uitvallen zal;
Maar ik gevoel vr t eind wat leed, wat ongeval
Mij drukt, die binnen t hof van neus, mijnen vader,
In Pleuron wonende, meer druk dan al te gader
De vrouwen lijden moet, ter oorzaak van mijne echt; -
Want Achelos, God des grooten landstrooms, legt
In drie gedaanten toe om zich met mij te paren:
Dan Stier, dan draak, dan mensch. Uit knevelen en haren
Van t stiershoofd vloeyen bron en beeken naar benen.
Ik ongelukkige, gevrijd en aangeben
Van zulk een vrijer, wenschte eer s levens licht te derven,
Dan dat dees bruidegom mijn maagdom zou verwerven.
Ten lange leste komt, ter goeder ure en tijd,
Alkmeens en Jovis zoon, die dit gedrocht bestrijdt
En mij hiervan verlost; doch hoe ze t zamen streden
Is me onbewust; die t zag, zou dit, met grond van reden,
Verhalen kunnen; want ik vreesde, doodsch van rouw,
Dat mijne schoonheid mij tot onheil strekken zou:
Doch God Jovis, die al de strijden kan regeeren,
Wist deze zwarigheid tot mijn gelukte keeren,
Indien men dit geluk mag noemen; want Wat baat,
Dat Hercules mij trouwt, naardien ik, vroeg en laat,
Gedurig schrik op schrik, van s avonds tot den morgen,
Om hem moet uitstaan, nooit ontlast van angst en zorgen;
De nachten brenge ik met bekommeringen door,
Die gaan en komen op haar beurte, na als voor.
Wij teeldeu kinders, doch de vader ziet ze zelden:
Gelijk een akkerman, die vergelege velden
Bezit, en slechts bezoekt wanneer men zaait en oogst;
Dus leve ik met een man, die zelden mij vertroost,
En thuis en dan van buis, gedurig, als een slave,
Een andren staat ten dienst, en keerende, als een brave
Verwinner, uit den strijd, met eere doorgestaau;
Dat jaagt me doorgaans meest een angsten doodschrik aan.
Want sedert Ifitus ter neder werd gesmeten,
Hebbe ik in Trachin hier in, ballingschap gezeten,
Bij eenen vreemden waard. Waarheen hij sedert ging,
Weet niemand; en ik schrome in dees bekommering,
Beducht wat tegenspoed den held is wedervaren;
Want k hoorde uit niemands mond bescheid,noch zekre maren,
Niet in een korte, maar in vijftien maanden tijd.
Gedurig levende bekommerd en in strijd,
Schijnt mij een donkre wolk recht boven t hoofd te hangen,
En k vrede tijding van een droef geval t ontvangen.
Hij schonk me in t scheiden nog dit handboek, met zijn hand,
Ik bid de Gon, het strekk mij geen onzalig pand!
LEERVROUW.
O Dejanier, Mevrouw! ik zie u, om het scheyen
Van Herkles, uwen man, te bitter tranen schreyen;
Doch kunt ge toestaan, dat een dienstmaagd, uw slavin,
Haar hooggebore Vrouw vermane, vat mijn zin:
Wat baat de vruchtbaarheid en t jaarlijksch kindertelen,
Dewijl ge niemand zendt, om, volgens uw bevelen,
Zijn Heer en vader op te zoeken, kloek en trouw,
Een last, die Hyllns, meer dan iemand, voegen zou,
Indien hij zorg draagt voor zijn vaders heil en leven;
En nu komt dees van pas ten drempel innestreven.
Hieromme rade ik u, tenbeste, in dezen staat,
Gebruik hem, om uw man te zoeken: volg mijn raad.
DEJANIER.
Mijn zoon! een dienstmaagd, uit onedele geboren,
Spreekt dikwijl heerlijk, en dat waardig is te hooren;
Gelijk dees dienstmaagd nu, niet ijdel, met haar mond,
Maar edelmoedig spreekt en billijken gegrond.
HYLLUS.

Wat zegt ze, moeder? Zeg, Indien ik dit mag weten.

DEJANIER.

Zij zegt: t is schande, dat gij, ledig hier gezeten,
Niet gaat vernemen, waar Heer vader zich onthoudt.

HYLLUS.

Ik weet liet wel, indien t Vrouw moeder mij vertrouwt.

DEJANIER.

Wel, zoon! waar steekt hij, in wat oord, in wat landouwe?

HYLLUS.

Hij stond, voorleden jaar, een Lydiaansche vrouwe
Een lange wijl ten dienst.

DEJANIER.

                                        Een bo zal nu gewis.
Ons melden, wat hij hoort dat hem bejegend is.

HYLLUS.

Maar hoorde ik recht, hij heeft zich elders heen begeven.

DEJANIER.

Waar, zeggen ze, is hij nu, of dood of nog in t leven?

HYLLUS.

De stad van Enrytus zegt hij den oorlog aan,
In t vette Eubeesche land, of zal het korts bestaan.

DEJANIER.

Maar weet ge wel, mijn zoon! wat hij voorheen vertelde
Van dees landouwe, en uit gewisse antwoorden spelde?

HYLLUS.

Wat s dit, Vrouw moeder? Ik begrijp dees rede niet.

DEJANIER.

Dat hij daar sterven zal, of, al dit rijksgebied
Bemachtigende, heel gelukkig zijne jaren
Volendigen. Dewijl uw vader in gevaren
En s levens weegschaal hangt, zoudt gij niet henegaan,
Om uwen vader, als een noodhulp, bij te staan,
Nu ons behondenis en heil hangt aan zijn leven?
Want sterft hij op dien tocht, wij zullen t zamen sneven,
Of boven staan, zoo hij behouden blijve in t end.

HYLLUS.
Ik ga, Vrouw moeder! en voorwaar, was me eer bekend
Deze antwoord van de Gon, kwaar lang naar hem getogen.
Nu wil t gewone lot van vader niet gedoogen,
Dat wij te veel bezorgd en al te schrikkig zijn.
Dit wetende eischt de ren, dat Ik me nu verpijn
Om naar te sporen, hoe t hiermede zij gelegen.
DEJANIER.

Ga hene, zoon! want nu gij kennis hebt gekregen,
Is t oorbaar, dat ge u kwijt, al scheelt het aan den tijd.

REI VAN TRACHINISCHE VROUWEN.
Ie. KEER.

Ik roep de zou aan, voor wiens klaarheid
    De starrelichte nacht
Vertrokken moet, met Zijne naarheid,
    En wordt in slaap gebracht.
Ik roep de zon aan, dat ze ontvouwe,
    Waar zich Alkmenes zoon
Versteekt, in zeeklippe o[ landouwe?
O zon! die t al ten toon
    Kunt stellen en ons openbaren,
Zeg op: waar is hij heen gevaren?

Ie TEGENKEER.

Wij hooren Dejanier verlangen
    Naar heuren trouwen man,
Als t gloos vogelkijn, bevangen
    Met rouw, niet rusten kan.
Zij schreit bekommerd en, gedachtig
    Aan t afzijn van dien Heer,
Zit gloos in haar kamer klachtig
    En vreest. Een vrouw is ter,
Gedurig angstig, vol bezwaren,
    Voor onheil en aanstaande maren.

IIe KEER.

Gelijk in zee de holle baren
    Dan op- dan onder-gaan,
Als Zuid en Noord in strijd vergren,
    En ongedurig staan;
Zoo wordt ook Hercules gesmeten,
    Gesold door zwarighen,
Gelijk de woeste zee van Kreten;
    Maar altijd handhaaft een,
Een Godheid, hem in doodsgevaren;
    Dus overleeft de held zijn jaren.

IIe TEGENKEER.

Waarom ik u met ren beschuldig.
    Luidt dit onaangenaam,
t Verkwikt u, hoort ge dit geduldig.
    Bezwijk om roep noch faam;
D alheerschende Jupijn schenkt gaven
    Niet zonder arrebeid;
De schade en blijachap voor de braven,
    Gemengd door t hoog beleid.
Zou wordt het avontuur verheven,
    Als op een kloot rondom gedreven.

TOEZANG.

De starrelichte nacht vliegt henen:
    Geluk en rijkdom houden stand
Een oogenblik, en links verdwenen;
    Dees erft en lacht, die derft zijn pand.
O, koningin! zijt niet nerslachtig,
    Maar hoopt, en zijt dees les gedachtig;
Want wie Jupijn ten raadsman koos,
    Bleef nooit in rampen hulpeloos.

DEJANIER.

Gij staat, gelijk het blijkt, nu hier aan mijne zijde
En hoort mijn droefheid, maar wat hartewee ik lijde,
Verstaat noch voelt ge niet; dewijl de jeugd krioelt,
En, weidende in haar veld, geen vier van liefde voelt,
Noch regen nochte wind. Zij sljt verheugd heur jaren,
Ontlast van zwarighen, tot dat ze komt te paren,
En, deelende in de zorg van t huwelijksgespan,
Zich s nachts bekommert met de kindren en den man.
Dan vindt ze een voorbeeld aan haar eige zwarigheden,
En voelt van hoeveel leeds ik daaglijks word bestreden.
k Bezuurde veel verdriets, een wijl voorheen geduld,
Nu dreigt me een grooter ramp, gelijk ge hooren zult:
Toen koning Herkles lest ten oorlog wer ging streven,
Liet bijeen handboek thuis, van binnen dicht beschreven
Met eenig erfbericht, hetwelk hij, onbezwaard
Ten oorlog trekkende, ons nooit had geopenbaard;
Want zijn gewoonte was te trekken met zijn knechten,
Niet om te sterven, maar iet dappers uit te rechten.
Nu trok hij hene, als een die veeg was, van zijn vrouw,
En zei, wat huwlijksgoed en erf ik deelen zou,
Wat deel van vaders rijk de kinders zouden erven;
Hij zette een tijd, dat hem was toegelegd te sterven,
Juist vijftien maanden na den optocht uit het land;
Of hiel na dezen tijd zijn leven langer stand,
Dat bij in weelde dan zijn jaren zou verbreeden.
t Besluit der Goden hadde Alcides dapperheden
Dit perk gesteld; gelijk het Dodoneesche woud,
Door duiven sprekende, den sterfdag hem ontvouwt.
De zekerheid van dees voorspellinge en hare orden
Is juist voorhanden, en moet nu voltrokken worden.
Vriendinnen! dit s de ren, dat ik niet slapen kan,
Uit doodschrik voor t verlies van zulk een braven man.

REI.

Schep moed, een man brengt stof van juichen en verblijding;
De krans bekranst zijn hoofd. Hij brengt een blijde tijding.

BODE.
O, Dejanier, Mevrouw! ik, d eerste bo van al,
Ontsla uw hart van rouwe en schrik voor ongeval:
Nog leeft Alkmenes zoon; hij won den strijd alreede,
En brengt inlandschen Gon zijne eerstelingen mede.
DEJANIER.
Wat zegt ge, o oude man? Wat tijding brengt ge mij?
BODE.
Dat uw grootdadig man hier daadlijk, frisch en blij,
Zal wezen, met een macht van zegenrijke scharen.
DEJANIER.

Uit wien verstondt ge dit? uit burgren of barbaren?

BODE.
Ik hoorde het in t veld uit Lichas, den herout,
En spoedde herwaart aan, opdat gij t weten zoudt,
Om loon en teffens gunst bij u, Mevrouw! te halen.
DEJANIER.

Zoo Lichas welvaar, hij moet komen zonder dralen.

BODE.
Dat valt bezwaarlijk, en Mevrouw begrijpt dit licht,
Al t Melinzer volk belet hem zijnen plicht,
In t spoeden herwaart aan. Elk loopt den bode om dooren,
Om dees gewenschte maar van s lands triomf te hooren;
Hij toeft onwillig opgehouden van de lin,
En nadert meer en meer: Gij zult hem daadlijk zien.
DEJANIER.

Jovis, bewoner van den ta nooit geschoren,
Gij laat me, al komt ze spade, een blijde tijding hooren.
Nu zingt, o vrouwen! die in t hof of buiten staat;
Dees maar verheugt mijn hart en geest, al komt ze laat.

KEER.
REI.

Nu vrolijk binnen t hof gezongen,
    Om daankomst van den bruidegom!
Laat mannen mede hunne tongen
    Hieronder mengelen alom.
Zingt I Pean, en gedichten
    Voor God Apollo, fiksch op schichten.

TEGENKEER

Gij, maagden! zingt nu lofgezangen,
    D Ortygische Diaan ten prijs,
Verlichtster, tuk op hartevangen;
    Looft baren nabuurrei! Geen wijs
Noch fluit ontbreke. Ik schijn te zweven,
    Van God Apollos geest gedreven.

TOEZANG

O, Evo! gij roert mijn zinnen;
    Ik zwaai de groene wyngerdspeer,
Met s Wijngods dronke zangerinnen.
    k Zing I Pan, en braveer.
Mevrouw! gij dorst geen zege hopen,
    Dits nu gelukkig afgeloopen.

DEJANIER.
Beminde, vrouwen! k zie nu wakker uit mijne oogen
Dien sterken drom van ver hier komen aangetogen,
En wensch den brenger van dees onverwachte maar
Geluk, verkundschapt hij geluk en geen gevaar.
LICHAS.

Mevrouw! het gaat voor wind. Wij boodschappen u zege:
En vreugd en voorspoed, recht gelijk het is gelegen.

DEJANIER.
O jongeling! ontdek ons daadlijk eerst vooral,
Of Herkles levendig zijn vrouw thuis komen zal.
LICHAS.
Ik liet hem levendig, gezond, en vrij van rouwe.
DEJANIER.
In t vaderland, of in barbarische landouwe?
LICHAS.
Hij bouwt altaren bij d Eubeesche kaap aan zee,
Ten dienst van Jupiter te Ceneus, slacht er vee
En offerande, en wijdt hem wijn en korenschoven.
DEJANIER.

Uit kracht van kerkbelofte, of raad der Gon van boven?

LICHAS.
Belofteshalve, sla een verwinner van het land
Der vrouwen, die gij ziet, gevangen met zijn hand.
DEJANIER.
Bij Jupiter! van waar? Wie zijn deze onbekenden?
Indien
we recht zien, zij beschreyen hare elenden.
LICHAS.
Hij streek ze tot zijn buit, ten offer voor de Gon,
Verdelgende Eurytus gebied en stad en troon.
DEJANIER.

Maat hij, om deze stad te winnen en verpletten,
Zijn wederreis naar huis zoo lang ter zijde zetten?

LICHAS.

Geensins. Den meesten tijd, al viel de tijd u lang,
Heeft hy in Lydi gesleten door bedwang,
Niet vrij, maar als verkocht, lijfeigen daar ter stede.
Mevrouw! versteur u niet om znlk een harde rede,
Jupijn alleen is zelf hier eenige oorzaak af;
Hij was aan Omfale verkocht, tot zijne straf,
En sleet er t gansche jaar, gelijk we van hem hoorden.
Dus veel versmaadhen uw gemaal zoo vreeslijk stoorden,
Dat hij met eede zwoer, den stichter van dit kwaad
Met kinderen en vrouwe, uit iugekropten haat,
In slavernije weg te voeren uit den lande.
Dees eed was niet vergeefs; wat hij, door offerande
Gelouterd, worf een heer en vloog, bezweet van stof,
Naar Eurytus gebied en stad; naardien dit hof
Een eenige oorzaak was van zulk een bitter lijden;
Want Herkles in zijn hof ontvangen, na lang strijden,
Gelijk men naar gewoonte onthaal t een ouden gast,
Werd met veel schimp en smaad getergd, en aangetast
Heel forsch op deze wijs: hij zou t geweer genieten,
Dat onontvluchtbaar was, en evenwel met schieten
Verwonnen worden, in t hanteeren van den boog,
Door zijne kinders, en, gelijk een slaaf, in t oog
Van alleman, geplaagd, veel leed en smaad verdragen;
In t eind dorst Eurytus hem van de maaltijd jagen,
En dronken, elk ten schimp, wegstooten uit de poort.
Om dien geleden hoon verbitterd en gestoord,
(Toen Ifitos, de zoon, in der Tirynthren hoeken,
Zijn paarden, afgedwaald van anderen, kwam zoeken)
Grijpt hij dien vijand aan, verbijsterd van verstand,
En ploft hem van den trans des torens in het zand.
Jovis, de koning van de Gon, hierom ontsteken,
Verstiet, verkocht hem, die, door list en loze streken,
Nooit mensch dan Ifitus alleen hadde omgebrocht;
Want zoo hij, voor de vuist, zijn wraak hadde uitgewrocht,
Jovis zon billijk een gerechte wraak verschoonen;
Want Godhen nimmer spijt beminnen. Maar de zonen
Van Eurytus, te trotsch en bits en los van mond,
Gevoelen hunne straf, gedoemd in Plutos grond.
De burgerij komt hier in slavernij gedreven,
En deze, die gij ziet, vervielen, uit een leven
Vol voorspoed, in elende, en komen hier door last,
Van uwen Heere en man. k Heb nu, gelijk het past,
Mijn plicht voltrokken. Gij zult Herkles komst verwachten,
Zoodra de zuivring en het dankbaar offeralachten
Gewijd is aan Jupijn, den God van dat gebied,
Voor t winnen van de stad; want, wat gij hoort of niet,
Zijn wederkomst is t liefst, dat uw gemoed kan streelen.

REI.

O, koningin! uw hart verkwikt in alle deelen,
Door deze tijding en de vrouwen, die gij ziet.

DEJANIER.
t Is billijk, dat me dit tot blijschap na verdriet
Gedij, dewijl mijn man zijn wraaklust nu volkomen
Met recht heeft uitgevoerd; maar echter staat te schromen,
Indien men t overweeg, dat dien manhaften heer
Een onheil wedervaar; want mijn gemoed, heel ter,
Werd van medoogenheid bestreden, o vriendinnen!
Toen ik dees vreemden zag, eerst vrij, gelijk slavinnen,
Van huis en ouderen en t lieve vaderland
Verstooten, sukkelen in dien bedroefden stand.
Jovis, behoeder van elende en droeve dingen!
k Wensch, dat ge nimmer met mijn zaad dus om moogt springen,
Ten minste, lust het u, geensins terwijl ik leef;
Want deze ziende, is t vreemd, dat hier mijn hart om beef?
Rampzalig kind! wie zijt ge, een maagd of een getrouwde
Of moeder? Want wat uw natuur belangt, ik houde
U een onnoozle, die uw onheil niet verstaat,
Maar edel zijt van aard. O, Lichas! uit wat zaad
Is deze uitheemsche maagd? Wie was het, die haar teelde?
Wie was de moeder? wie de vader, eerst in weelde?
Al, zeg me dit; want k heb medoogen eerst met haar
Die wel de wijste schijnt aan opzicht en gebaar.
LICHAS.

Wat weet ik t? Z is misschien uit slechten niet gesproten.

DEJANIER.

Es zij van Eurytus niet een van s konings loten?

LICHAS.
Z is me onbekend; k heb haar zoo scherp niet ondervraagd.
DEJANIER.
Heeft geene reisgeuoot van haren man gewaagd?
LICHAS.

In t minste niet; want ik verrecht mijn werk met zwijgen.

DEJANIER.
Nu zeg me, elendige! spreek zelf, om licht te krijgen;
Want dit s ook jammer, dat men niet zijn herkomst kent.
LICHAS.
Zij breidelt hare tong, en is doorgaans gewend
Niet laag te spreken, noch op stam en staat te stoffen,
Maar droef te klagen om d elenden, die haar troffen,
En schreide, sedert zij het vaderland verliet.
Het avontuur, dat haar zou jammerlijk verstiet,
Valt lastig en vereischt, dat wij dien rouw verschoonen.
DEJANIER.

Ontsla ze dan. Zij ga bij haar die binnen wonen,
Of waar t heur lust. k Wil niet, dat iemand ramp op ramp
En onheil, bij mijn schuld, op d andre elenden klamp.
Zij leed alre genoeg. Nu tren we t zamen binnen;
Bestel al wat ge wilt. Ik zal, om tijd te winnen,
ln t hof bestellen al wat noodig wordt geacht.

BODE.
Ai, blijf een poos alleen. laat deze gaan, en wacht
Tot dat ik melde tgeen u nimmer kwam ter ooren,
En wie gij inhaalt, en wat noodig zij te hooren.
DEJANIER.

Waarom verlet ge mij?

BODE.
                                   Ho stand een korte stond:
Gij hebt niet vruchteloos gehoord, uit mijnen mond,
Al wat ik u verhaalde, en nu nog zal ontvouwen.
DEJANIER.

Begeert ge, dat de mans het hooren, of de vrouwen,
Of alle beide dit uit uwen mond verstaan?

BODE.
Laat vrouwen buiten, en de mannen binnen gaan.
DEJANIER.
Zij gaan alreede heen. Wij luisteren nu garen
Naar tgeen u raadzaam dunkt ons wijder t openbaren.
BODE.
Dees knaap verhaalde u niet warachtigs in der daad;
Hij brocht u flus niet goeds of brengt u enkel kwaad.
DEJANIER.

Hoe spreekt ge zoo bedekt? Gij dient het uit te leggen.

BODE.
Ik hoorde dezen gast bij veel getuigen zeggen,
Dat Hercules, uw man, het sterke chalia
En t hof van Eurytus verdelgde, om zulk een g
Te winnen; maar alleen de liefde van de Goden
Hem henedreven, door bedwang van hun geboden,
In dienst van Omfale; naardien hij t onverwacht
Den zoon van Eurytus door list hadde omgebracht,
En van den torentrans geslingerd naar beneden.
Nu loochent hij t ronduit, verdraayende de reden,
Waarom hij Eurytus verdelgde in rijk in stad;
Toen dees hem Ile, zijn telg, geweigerd had,
Bestreed bij s konings land, benam den vader t leven,
En nu komt Herkles met dees dochter herwaart streven,
En zendt ze u hier in t hof, geensins gelijk slavin, -
Maar overmids hij blaakt en brandt van hare min.
Mevrouw! mij docht geran, vrijpostig u te melden
Al tgeen Trachiners op het marktveld elk vertelden,
Een overtuiging des geveinsden door de faam;
Dit s waar, al klinkt het in uw oor onaangenaam.
DEJANIER.

Wee mij, elendige! waar ben, wat doe ik langer?
Van welk een huispest gaat dit Hof nu heimlijk zwanger!
Och, ongelukkige! dees namelooze spruit
Ziet Eurytus gedaante en aard ten oogen uit,
Al zwoer de leidsman, met een hoogen eed, vermeten,
Geensins te konnen ran, hoe deze werd geheeten,
Noch min, dat Ilee de naam was dien ze droeg.

REI.

Och, of de plaag, met recht, niet alle onvromen sloeg,
Maar die, geveinsd van aard, den vromen lagen leggen?

DEJANIER.

Helaas! wat gaat ons aan? Wat zal men doen of zeggen?
Hoe staan we door dees maar verslagen en ontsteld!

REI.

Ga hene, en ondervraag. Hij zal u, met geweld
Geperst, de waarheid van de zake naakt ontkleeden.

DEJANIER.
Wij gaan dan hene; want gij spreekt niet buiten reden.
REI.

Wij toeven hier een wijl, ten dienst van uw gezag.

DEJANIER.

Houdt stand; de knaap komt ongedagvaard voor den dag
 En uit den huize tren.

LICHAS.

                                    Mevrouw! wat s uw begeeren,
Dat ik verkundschappe aan uw man, in t wederkeeren?

DEJANIER.

Gij zult niet licht van hier uit Trachin henegaan,
Tenzij we ons onderling gesprek, van voorafaan,
Hervatten op een nieuw.

LICHAS.
                                      Begeert ge iet meer te hooren,
Hier ben ik; vraag, Mevrouw!
DEJANIER.
                                                Zult ge ook de waarheid smoren?
LICHAS.
Geensins, dat weet Jovis; is t mij slechts wel bewust.
DEJANIER.

Wat voor een vronwmensch brengt gij mede op deze kust?

LICHAS.
Een rechte Eubeesche vrouw, doch k weet niet wie heur baarde.
DEJANIER.

Ziet herwaart: weet ge niet, noch kent ge niet de waarde
Van mij, die met u spreek?

LICHAS.
                                         Wat s oorzaak van dees vraag?
DEJANIER.

Zeg op, zoo gij verstaat wat antwoord mij behaag.

LICHAS.
Ik spreek met neus bloed, een koninginne, een groote,
Zoo mijn gezicht niet dwaalt, met Herkles bedgenoote,
Mevrouwe Dejanier.
DEJANIER.
                                Dit woude ik weten, of
Gij mij ook kent voor Vrouwe en koningin van t Hof?
LICHAS.
Met reden.
DEJANIER.

                  Zeg, wat straf verdient ge, zijt ge waardig,
Bevindt men, dat ge haar bejegent dus boosaardig
En valsch?

LICHAS.
                 Hoe dus, Mevrouw? wat boosheid? hoe dus wars?
Hoe uitert ge u zoo vreemd, in t vragen al te dwars?
DEJANIER.

Niet ik, maar gij valt dwars.

LICHAS.
                                            Mevrouw, ik ga dan hene,
En ben te dwaas, zou k u mijne Ooren langer leene.
DEJANIER.
Gij zult niet henegaan, tenzij men eerst, beleefd,
Op mijne vraag een klare en billijk antwoord geeft.
LICHAS.
Wel vraag, wat u belieft, dewijl u lust te spreken.
DEJANIER.

Gij brengt hier een slavin, wie is zij? uit wat streken?

LICHAS.

Ik zeg: wat vraagt ge mij?

DEJANIER.

                                         Bekent ge zelf niet vrij,
Dat Ilee, deze onbekende, in slavernij
Gevoerd, de dochter is van Eurytus? Laat hooren.

LICHAS.
Maar hij wat lieden? wat geinig heeft met zijne ooren,
Dees rede uit mijnen mond gehoord en opgevat?
DEJANIER.

Bij vele burgers, op het ruime merktveld, dat
Een groote troep het hoorde.

LICHAS.

                                             En schoon zij durven zeggen
Dat dit gehoord wierd, t ie, Indien men t uit wil leggen,
Wat anders hooren slechts in schijn, wat anders is t
Een zaak te boodschappen. Dit misverstand baart twist.

DEJANIER.

Wat s zeggen slechts in schijn? Bezwoert ge niet met eede,
Gij brocht voor Hercules dees bedgenoote mede?

LICHAS.
Een bedgenoote voor uw Herkles? Bij Jupijn,
Mevrouw! wat gast geeft hier mijn rede zulk een schijn?
DEJANIER.

Hier staat hij, die u hoorde ontvouwen bij de scharen,
Dat hij, ter liefde van dees dochter, jong van jaren,
De gansche stad verdelgde, en geensins om de trouw
En groote liefde tot de Lydiaansche vrouw2,
Dit s kenbaar, heeft verwoest.

LICHAS.
                                                Laat dezen man vertrekken
Want s is geen wijsheid, bij een krankhoofd iet t ontdekken
DEJANIER.

Bij God Jupijn! wiens vier en bliksem op t gebergt,
Van ta werlicht, k wil, dewijl t u wordt gevergd,
Dat gij dit niet verzwijgt. Gij zult het niet verklaren
Aan een gestoorde vrouw, of een, die onervaren
Zich luttel op t beloop van t wereldsdom verstaat,
Of niet begrijpt, hoe ver de vrouweliefde gaat;
Want hij waar onwijs, die, als met een opgeheven
En sterken arm in t perk, de min zou wederstreven,
Dewijl ze, naar henr lust, de Gon beheerscht, ook mij
Waarom zou Hercules een andre vrouw, wie t zij,
Beminnen meer dan mij? Weshalve waar t onzinnig
En dwaas, zon k mijnen man, verslingerd en aanminnig,
Beschuldigde, of dees vrouw, die geensins mij verdriet
Of leed benokkeude. Neen zeker, iie zon niet;
Indien zijn valsch berecht u steef en sterkte in logen,
Zoo hebt ge uit s meesters borst geen goede leer gezogen,
En leeraart, onder schijn van goed en deugd, het kwaad.
Zou blijkt uw ondeugd. Spreek dan waarheid in der daad;
Want wat luid schendiger, dan dat een vrijgeboren
Op logens wordt betrapt? Dus beeld u, wilt ge hooren,
Niet in, dat logentaal voor mij verborgen blijf;
Want die het zelfs uit u verstonden, zullen t stijf
En sterk bevestigen voor mij. Wat wilt ge schromen,
Dewijl t meer kwetsen zal, begint het uit te komen?
En hooren wij t, dat strekt tot niemands harteleed.
Heeft Hercules zich niet aan velen uitbesteed,
En iemand hierom leed van mij gelen vr dezen,
Of wederwaardigheid, of hoeft er voor te vreezen,
Hoewel hij hierom, krank van minne, kwijnen gaat?
Ik zelf heb deernis haar t aanschouwen in dien staat,
Naardien de schoonheid stof tot haar bederf bestelde,
Toen hij het land bedorf, de poorten nedervelde,
Hoe zwaar het viel, en haar vervoerde in slavernij.
Dit spreke ik rustig hene, opdat ge tegens mij
De waarheid spreekt, en dit bij audren weet te kleeden.

REI.

Ai, luister naar Mevrouw; zij spreekt met goede reden;
De tijd zal t loven, ik u gunstig zijn hier voor,

LICHAS.
Lofwaardige Mevrouw terwijl ik zie en hoor
Dat gij een mensch zijt, en in menschelijken wandel
Niet onbescheiden, wil ik u den ganschen handel
Ontdekken; want het is alle ene gelijk hij zet:
Alcides, dus op haar verslingerd en misleid,
Bestreed chalie, en bestond haar stad te schennen,
En, om nu rond te gaan, verbood nooit dit t ontkennen;
Doch ik, bekommerd bij mij zelven, waardste Vrouw!
Dat mijn oprecht verhaal u smart aanbrengen zou,
Vergreep me, indien ge dit een misgreep wilt verklaren.
Dewijl we u al de zaak nu rustig openbaren,
Betoon, dat gij dees vrouw om uwen man alleen
En u bemint, en breng uw woorden overeen
Met d openbare daad, aangaande uw medelijden
Met dees bedrukte vrouw; want Herkles, die in t strijden
Alle andren overwon, legt onder haar geweld
Door liefde t haarwaart, die zijn kracht en sterkheid smelt.
DEJANIER.

k Versta genoeg, dat mij dit lijdzaam staat te lijden,
En wil in dit geval niet tegens Goden strijden,
Noch mij verpijnigen. Maar laat ons binnengaan,
Opdat ge mijnen heer verkundschapt, wat voortaan
Ik u beveel, met een hem levert mijne gaven,
Tot eene erkenning der schenkagin, van dien braven
Mij toegestuurd door u, want t is in dezen staat
Niet billijk, dat ge bloot en ledig hene gaat,
Naardien ge herwaart kwaamt met zulk een zegestaatsie.

REI.
KEER.

    De Godheid van de min
Is zulk een kracht gegeven,
    Dat ze altijd overwinn;
Want, om voorbij te streven,
    Hoe geestig zij voorheen
Met Gon hebbe omgesprongen,
    Verzwijge ik nu om ren,
Hoe Jupiter gedwongen
    Verschalkt wierd door haar vond,
Ook Pluto, diep gedoken
    In s Afgronds duistren grond;
En hoe ze dorst bestoken
    Neptuun, die daarde schokt
Met zijne vork van onder;
    Veel andren (loos verlokt,
Bekoord van min, byzonder
    Om schoone Dejanier,
Eer zij met Herkles trouwde,
    In t vechtperk trotsch en fier,
Daar ieder het aanschouwde),
    Zich kweten, heet op lof,
    Bezweet en vuil van stof.

TEGENKEER.
    Hier kwam nu d olir
De Stroomgod me, vol tooren,
    Viervoetig, als een stier,
Gewapend met den horen,
    Dat s Achelos, lust
U zijnen naam te weten;
    Zijn tegenstrijder rust
Zich toe, om dien vermeten
    T ontmoeten in den strijd,
Verlaat.Thebaansche reyen,
    God Bacchus toegewijd.
Hij weet de knods te zweyen,
    Is boog en speer gewoon
Te handlen tegens grooten,
    Zoo braaf, gelijk een zoon
Uit Jupiter gesproten.
    Zij worstlen beide fel,
Om deze bruid te winnen.
    In t midden van dit spel
Zat Venus, die het minnen
    De wet stelt. Deze zet
    Den kampren ook een wat.
TEGENZANG.
    Men hoort de vuisten treffen,
En t ramlen van den boog
    Zich in de lucht verheffen;
Het grimmig stiershoofd vloog,
    En stiet met zijnen horen.
Dus worstlen ze ondereen,
    Schuimbekkende van tooren.
De slagen kraken been
    En bekkeneel. Zij stenen
Op elken fellen slag.
    De dochters oogen weenen;
De schoone en tere zag
    Dien strijd aan, op den oever
Gezeten, flauw van rouw,
    Verwachtende, altijd droever,
Met wien ze huwen zou.
    Ik klaag dit, als haar moeder,
Die t aanzag en verstand.
    Elk vocht om t eerst verwoeder.
De maagd, van schrik gewond,
    Zit treurig en verbeidt,
Als t kalf, dat, vet geweid,
    Van zijne moeder scheidt.
DEJANIER.

Vriendinnen! nu de gast in t hof gevange vrouwen
En maagden, eer hij gaat, alleen zoekt t onderhouwen,
Kome ik u heimlijk hier voor t hof, niet onbedocht,
Ontvouwen, wat mijn hand vr dezen heeft gewrocht,
Opdat ge mijn verdriet beklagen helpt met rouwe;
Want k hebbe een maagd, geen maagd, maar een gehuwde vrouwe,
Zoo schat ik t, binnen s huis ontvangen, twelk mij stoort;
Gelijk een zeeman, die een pak neemt binnen boord,
Een koopmanschap, die hem tot schade zal gedijen.
Nu staat ons anders niet met groot geduld te lijen,
Dan dat we beide, van n deken toegedekt,
En man omhelzen, die onze oogen luikt en wekt.
Die Hercules, befaamd voor vroom en eenen braven
Vereert zijn gemalin met zulke fraaye gaven,
Tot een vergelding, dat, terwijl bij reist en vaart,
Zij zulk een langen tijd den drempel heeft bewaard
Doch k wil me, al hinkt mijn man gedurig aan dit evel
Niet storen, neen, geensins, noch wenschen, dat bij snevel
Maar zeg me toch: wat vrouw zou dragen zulk een kruis,
Dat deze vreemde vrouw bewoue een zelve huis,
Een zelve ledekant gebruike zonder hindren?
Wamt k zie haar schoonheid eerst opluiken, mijne mindren
Hij kust de rozen van haar levens morgenstond,
En walgt van mij een kus te geven mond aan mond.
Dus spijt me een gemalin van Hercules te heeten,
Terwijl hij van de min der jeugdige is bezeten,
Doch, als ik zeide, het betaamt niet, dat een vrouw,
Die wijs en rustig is, zich hierom storen zou.
Maar hoort vriendinnen (neemt mijn rede nu ter harte!)
Wat raad mij overschiet, tot heeling van dees smarte:
k Heb nog een oud geschenk van t grijze Menschepaard,
Dus lang zorgvuldig in een kopre bus bewaard,
k Ontving het, nog heel jong, van Nessus, ruig van haren,
Den veerman, doodelijk gewond, in t overvaren
Van den diepgrondigen Eunus, daar hij, zeil
Noch riem gebruikende, zijn veergeld won, doch geil
Mij (Herkles gemalin, gesterkt met huisgenooten,
In t volgen van mijn man) met onbeschofte pooten
Betasten woude, recht in t midden van den vliet
Gedragen op zijn hals. Ik schreeuwde. Herkles schiet
Hem daadlijk in de borst ter longe in, dat het rnischte;
Het ondier stervende, als een geile en onbesuiste,
Sprak minzaam: o mijn kind t gij telg uit neus stam,
Zult, omdat ik u lest uit liefde in d armen nam
En overvoerde, dit geschenk ten loon ontvangen,
Indien ge luistren wilt: wordt Hercules bevangen
Met iemands min, gebruik mijn dik geronnen bloed,
Dat uit dees wonde vloeit, daar Herkles pijl, verwoed
En giftig, eer in t lek van Lerne diep gedompeld,
Mijn zij me trof; hij zal, van minzucht overrompeld,
Geen ander vrouwebeeld beminnen boven u.
Ik, overdenkende dat jongste woord, heb nu
Dien rok besmeerd met bloed, dus lang in huis gescholen,
Gelijk die veege ried, en zoude ongaarne dolen,
In kwaad te leeren, min iet reukeloos bestaan,
Naardien ik boosheid haat. Men poge Herkles aan
Te lokken met gevlei, de maagd met minnedranken;
Doch dunkt dees middel u niet raadzaam om de kranken
Te heelen, k zal het liefst nalaten uit ontzag.

REI.

Indien men op zijn werk betrouwen stellen mag,
Zoo dunkt ons, zijt ge hier niet kwalijk in beraden.

DEJANIER.

Wij houden t zoo, hoewel we in t werk voorheen nooit traden

REI.

Gij moet uw werk verstaan, en geensins onbedocht
Aanemen voor bekend, hetgeen gij nooit bezocht.

DEJANIER.

Men zal t haast weten; k zie hem hier ten huize uitkomen,
En spoeden; wacht u, dat dit geensins wordt vernomen;
Want wie in t heimelijk een strafbaar werk bestaat,
Vervalt niet licht in sch, schandaal, en schande en smaad.

LICHAS.
O neus dochter t zeg mij nu, wat s u begeereu?
Ik toefde lang in t hof, en moet nu wederkeeren.
DEJANIER.

Het is alre beschikt, terwijl ge alleen in t hof
De vrouwen onderhieldt. Schenk Herkles, groot van lof,
Dit rijk gewrocht gewaad, het handwerk van mijn handen;
Vermaan hem, dat hij toch geen mensch met deze panden
Bekleede, noch de zon, noch haard- noch outer-vier
Dien rok beschijne, eer t mes den witten offerstier
De keel afsteke, en hij zich statig voor de Goden
Vertoone, volgens mijn belofte en hun geboden,
Die luiden, dat ik hem in t nieuwe altaargewaad
Moet eeren, daar hij, een nieuw priester, t offer slaat
In t aanzien van de Gon; en opdat hij zich regel
Naar mijn bevel, zoo sterk het met dit pand, daar t zegel
Van hem hierop gedrukt, ook daadlijk wordt gekend.
Ga, lever hem dees doos; en nu men u verzendt,
Bestel niets noodeloos, hetwelk wij konnen derven,
En kwijt u zoo, dat wij zijn dubble gunst verwerven.

LICHAS.
Voltrek ik mijnen plicht, als een die henereist,
k Zal niet verzuimen tgeen uw dienst naar reden eischt
Dees doos hem offeren, en, naar Mevrouws behagen,
Getronw aan uwen Heer dees boodschap overdragen.
DEJANIER.
Ga heen, die weet hoe gij het hier geschapen vondt.
LICHAS.

Ik weet het wel, en zal hem melden, hoe t hier stond.

DEJANIER.

Gij weet het, zeg hoe ik dees vreemde wellekoomde.

LICHAS.
Zoo minzaam, dat ik nauw mijn vreugd en blijschap toomde.
DEJANIER.

Wat zult ge boven dit nog zeggen? want ik vrees
Dat gij mijn liefde ontdekt, onkundig, of hij dees
Of mij in t harte plant.

REI.
Ie KEER.

O baden, warme zeerotsstoven,
    En die om Etna zette uw stoel,
    Of midden in Melidas poel,
Of op Dianas strand geschoven,
    Daar Grieken om het merkveld zwarmt,
    En t bergbad s menschenlen verwarmt;

Ie TEGENKEER.

Nu speelt de fluit u blijde wijzen,
    Op stemmen van de Zanggodin;
    Men haalt Alkmenes afkomst in
En Jovis zoon, wel waard te prijzen:
    Hij brengt in t eind, van over zee,
    Den roof van alle deugden me.

IIe KEER.

Men wachtte op hem wel vijftig weken,
    Terwijl hij dwaalt van kust tot kust;
    Zijn gemalin zat, onbewust
Van hem, zoo lang van rouw bezweken.
    Dees krijgsheld heeft, dus lang verbeid,
    Dien zwaren krijgstocht afgeled,

IIe TEGENKEER.

Hij keere. Laat het schip niet rusten,
    Vr dat het van het eiland sche,
    En spoedig lande aan deze kei,
Van daar hij offert op de kusten,
    Bekleed met dit altaargewaad,
    Hem toegestuurd door Nessus raad.

DEJANIER.

O, vrouwen! k vreeze, dat ik blind, mij zelf ten laste,
Een reukloos stuk bestond, en erger dan het paste.

REI.

Hoe nu, Mevrouw! wat s dit?

DEJANIER.

                                                Ik weet het niet. Mij kwelt,
Dat weldoens halve iet kwaads in t werk mocht zijn gesteld,
Uit hope van wat goeds.

REI.

                                       Hoe? spreekt ge van de giften,
Aan Hercules gestuurd?

DEJANIER.

                                      Dat is het. Mijne driften
Bestonden niemand ooit te raden, werk te spon
In eene onzekre zaak.

REI.

                                  Indien ik t mag bevron
En weten, zeg me dan, wat port u dus te schromen?

DEJANIER.

Och, vrouwen t hoort me toch, hoe dit is toegekomen,
Een wonderbare zaak en nooit voorheen gedacht:
De wol, geschoren van een witte schapevacht,
Daar ik mijn schoonen rok me streek, is gansch verdwenen,
Van niemands hand geroerd, en droop op koude steenen;
Maar, om t ontvouwen, hoe de zaak is toegegaan,
Zal ik t wijdloopender u geven te verstaan;
Al wat het menschenpaard, dat zijnen tijd zag enden,
Met eeuen scherpen schicht geschoten in de landen,
Mij leerde, heb ik niet geslagen in den wind,
Maar nauw en stip bewaard, als eene wet, geprint
In eene kopre plaat, gelijk het dier voorzede,
Mij radende, dat ik d artsnij voorzichtig lede,
Bedekt voor vier en zon, in een verborgen hoek,
Tot dat men t smeren zoude op stof of eenig doek;
Dit s al besteld, gelijk de tijd het scheen te leeren.
k Bestond het, binnen s huis, al heimelijk te smeren,
Gebruikende hiertoe de wol, van eene vacht
Getrokken. k Heb dat kleed gevouwen, en gewacht
Voor vier en zonneschijn, in eene doos gesloten,
Hem tot een gaaf besteld; dit weet ge, o reisgenooten!
Nu, komende in den hof, verneem ik daar, met rouw,
Iet schrikkelijks, en dat geen mensch vermoeden zou:
De wol, waarme t gewaad besmeerd was en bestreken,
Gesmeten op den vloer, wordt van de zon ontsteken,
Vervloeit verteerd op d aarde, onzeker om wat ren;
Gelijk het zagemeel, van eenig hout gesnen,
Zoo lag het ook op d arde, en kookte en raakte aan t smoken,
Recht als bij herrefsttijd de most begint te koken.
Ik, arme elendige, weet nauwlijks, noch begrijp
Wat mij te denken sta, en schrik voor mijn onrijp
En zorgelijk bestaan. Het dier, geraakt om t leven,
Om Dejanier, zou dit uit gunste een gave geven?
Dit schijnt geen waarheid; maar het woude, in stervens nood
Mij listig vleyende, zelf d oorzaak van zijn dood
Uit wraakzucht moorden; en dit schiet (helaas, te spade!)
In mijn gedachten. k Zal rampzalig mijne gade,
Tenzij de gissing miss.verliezen; want ik weet,
Hoe Herkles, al die hij met zijnen pijl bestreed,
Ook Chiron, doodlijk trof, en elk die schoouhen vrijde.
Het zwarte bloed, dat uit s gewonden Nessus zijde
Kwam springen, is besmet van gruwzaam moordvenijn;
Hoe kan t hem anders dan ten hoogste doodlijk zijn?
Aldus begrijp ik t, en besluit, van rouw gedreven,
Zoo hem iet kwaads gebeur, te scheiden uit dit leven,
Op eenen oogenblik; want een doorluchte haat
Te leven in schandaal, elk een ten schimp en smaad.

REI.
t Is billijk, dat men schrik voor eiselijke stukken;
Doch laat voor d uitkomste u door wanhoop niet verrukken,
Noch oordeel vr den tijd.
DEJANIER.

                                            In kwaden raadslag geldt
Noch valt geen troost of hoop, die ons gemoed herstelt.

REI.
Maar in bedroefden, die met opzet niet misdreven,
Is minder knaginge, en dit moet ge u zelf vergeven.
DEJANIER.

Zoo spreke niet die schuld aan eene misdaad heeft,
Maar binnen s huis geen stof tot zulk een onheil geeft.

REI.

Het voegt Mevrouw haar krop een luttel in te houwen,
Ten waar zij t haren zoon wouw melden en ontvouwen;
Hier komt hij aan, die flus naar zijnen vader ging.

HYLLUS.
Och, moeder! k wenschte u van drie dingen slechts n ding:
Of dat ge dood waart, f, gebergd door een behoeder,
Den naam mocht dragen van een anders echte moeder,
Of elders voorgeteld van eenen andren aard.
DEJANIER.

O zoon! hoe ben ik zulk een vloek en laster waard?

HYLLUS.
Gij hebt mijn vader en uw man van daag verslagen.
DEJANIER.

Och, zoon! van welk een stuk hoore ik u nu gewagen?

HYLLUS.
Dat u onmooglijk is te keeren en verhon;
Want niemand kan, wat eens gedaan is, wer ontdoen.
DEJANIER.

Wat zegt ge, zoon? Wie was de bode die vertelde,
Dat ik een lasterstuk, zon snood, te werke stelde?

HYLLUS.
k Zag, met mijne oogen, zelf Heer vaders lijden aan,
En heb dees droeve smart uit zijnen mond verstaan.
DEJANIER.

Waar hebt ge hem gemoet, in wat gewest gevonden?

HYLLUS.
k Zal u de gansche zaak, opdat gij t weet, verkonden:
Toch hij verreizen zou, daar Eurytus paleis
En wijdbefaamde stad verdelgd lag, en op reis
De zegeteekens en de roofschat medeslepen,
Had held Alcides, op d Eubeesche kaap, begrepen,
Jupijn te Ceneus toe te wijden een altaar
Een heilig kerkwoud. k Zag, hoe hij kerkplechtig, daar
Ter stede, eerst dankbaar zijn slachtofferande inwijdde.
Hier kwam ook Lichas, uw hofdienaar aan, heel blijde,
Van huis, als een herout, met uwe fraaye gift,
t Venijnig kleed. Uw man schoot daatlijk, met een drift,
Het op uw woord aan t lijf, en slachtte zes paar stieren,
Alle eerstelingen van den vrijbuit, vette dieren,
Nog tieuwerf tien stuk vaes, van allerhande slag,
Dat al de wereld vreugd in s offraars oogen zag;
Zoo scheen hij door t gewaad verkwikt van geest en wezen,
In t storten der geben. Maar toen de vlammen rezen,
Ontsteken aan het vet der offerande en t hout,
Begon het zweet hem uit te breken, zilt en zout,
De rok te kleven aan de leden en de lenden,
Zoo taai gelijk het lijm, te scheuren en te schenden
De zenuw, vel, en been, te rukken van het lijf;
Het bloedige venijn ging weiden, sterk en stijf,
Als adderen-vergift. Hij jammert ongeduldig,
Roept uwen Lichas, aan dit lasterstuk onschuldig,
En vraagt hem, door wiens list hij dit besmet gewaad
Hem toebrocht. Dees, geensins bewust van eenig kwaad,
Zegt daatlijk, dat gij hem dit kleed geboodt te geven;
Toen Hercules dit hoorde, en dol wierd aangedreven,
Te jammerlijk verrukt van smart in t ingewand,
Greep hij den knaap bij t been, en klonk hem, aan het strand,
Op een scherpe rots het bekkeneel te pletter.
Daar spatten brein en bloed, gemengd met haar en etter.
Al t volk schreeuwt jammerlijk om s helds krankzinnigheid,
En Lichas droeve dood; maar niemand onderlet~
Hem eens t ontmoeten. Hij zijgt vlak ter aarde neder,
En wentelt zich rondom; dan rijst hij schichtig weder,
Al schreeuwende overluid, dat al d Eubeesche kust,
Geboord met rotsen, galmt. Toen nu, de kracht gebluscht,
De moed met een bezweek, wierp hij zich ner ter aarde,
Niet eens, maar reis op reis, en gilde en huilde en baarde,
Verlasterende uw echt, te smertelijk bezuurd,
En neus bruiloftslot, een pest, hem toegestuurd
Tot s levens ondergang. In t einde, aldus aan t kwijnen,
Draait hij zijn bang gezicht eens om, en, mat van pijnen,
Ziet mij staan schreyen, in het midden van de schaar,
En roept me fluks, en zegt: o zoon! al valt het zwaar,
Genaak, en laat me in nood uw aan spreek toch niet derven
En troost, al moet ge ook met uw vader teffens sterven,
En breng me dadelijk uit s volks gezicht, daar spie
Noch eenig mensch, wie t zij, mij langer hoore of zie!
Ontfermt ge u over mij, zoo breng me van dees werve
Hoe eer hoe liever weg, opdat ik hier niet sterve.
Zoodra hij dit beval, bestelde ik met mijn hand
Den veegen in een boot, en brocht hem hier op t land;
Gij zult hem daatlijk dood of levende aan zien komen.
O moeder! zulk een stuk, uw raad, ter hand genomen,
Help vader dus om hals, uw brave wederg;
Dies bidde ik, voegt het mij, dat u de donder sla,
De wraak u straffe, en dit gebed zal mij niet rouwen:
Gij moordt hem, wiens gelijk gij nimmer zult aanschouwen.
REI.

Wel, hoe vertrekt ge dus stilzwijgende? Gewis,
Wie op eene aanklacht zwijgt, meldt dat ze schuldig is.

HYLLUS.
Ai, laat ze henegaan, en stuiven uit mijne oogen
Voor wind, en ver genoeg! Wie zonder mededoogen
Die stukken aanrecht, is geen moeders-eere waard;
Zij geen voele, dat haar tzelfde wedervaart
Hetgeen ze vader braaf gespeeld heeft en geklaard.
REI.
Ie KEER.

Ai, kinders! zie Gods lang gemelde
Voorspelling blijken, die hem spelde,
    Dat Herkles, als hij, gansch vernoegd,
    Het land zag twalefmaal geploegd,
Zou rusten van zijn stiefmors kwelling;
Deze uitkomst stemt met d oude spelling.
    Hoe zou een held, die d oogen luikt,
    En s levens licht niet meer gebruikt,
Van zwarigheden aangedreven,
Nu nog in slavernije leven!

Ie TEGENKEER.

Want zoo, gelijk men daatlijk hoorde,
t Vergift van t Paardemensch hem moordde,
    En dus erglistig brocht ten val,
    Door drakespog en Lernas gal,
Met bloed gemengeld en gebrouwen;
Hoe kon hij langer t licht aanschouwen?
    t Geborsteld ondier Nessus knaagt
    En pijnigt hem, te fel geplaagd
Van brand en glonde prikkelingen;
Zoo komt de dood door d aders dringen.

IIe KEER.

Vrouw Dejanier, dus ongelukkig,
Zag, onverhoed verbaasd en drukkig,
    Dees boel, een schandvlek in het hof.
    Zij zocht uit Nessus raadslag stof;
Doch door een reukeloos verzinnen,
Om t hart van haren man te winnen;
    Nu schreit ze droef hare oogen uit.
    De dood genaakt hem vast. Zij spruit
Uit haren aanslag, blind besteken,
Het offerkleed, met bloed bestreken.

IIe TEGENKEER.

De tranen vloeyen naar beneden,
Gelijk een bron. Door alle leden
    Verspreidt zich t gruwelijk venijn;
    Nooit vijand trof met zulk een pijn
Dien grooten held ; beklagenswaardig
chalie, och t gij wendt te vaardig
    Ter ner geemeten voor Mevrouw!
    Van zulk een deerlijk naberouw
Is Venus oorzaak; want de liefde
Het hart der bedgenoote griefde.

REI.
Ik hoore, of t mist me, een hofgeschal
Eerst opgerezen. Och! wat zal
Ik hiertoe zeggen? Iemand steent
Daar binnen, jammert, huilt, en weent;
Wat nieuwe ontsteldheid mag dit zijn?
Wat oude komt in droeven schijn,
Helaas! zoo treurig en belan,
Met een bedrukte tijding aan?
VOSTER.

Och, dochter! wat schenkagi werd,
Een oorzaak van ons aller smert,
Gestuurd aan Herkles, al t ontrouw?

REI.
Wat tijding brengt ge ons, oude vrouw?
VOSTER.

Och, Dejanier is dood, is heen,
En heeft den jongsten tred getren.

REI.
Hoe, is zij dood?
VOSTER.
                            Gij hoorde t al.
REI.
Kwam dees rampzalige ten val?
VOSTER.
Z is dood en koud, nog eens gezed.
REI.
Och, arme! heeft zij t afgeleid?
Hoe kwam ze toch ten leste aan t end?
VOSTER.

Heel jammerlijk, dit s wel bekend.

REI.
Verhaal toch, hoe t is toegegaan.
VOSTER.
Zij heeft zich zelve droef verdaan.
REI.
Wat dolheid, welk een misverstand
Gaf haar het moordmes in de hand?
Hoe stapelt deze alleen, gestoord,
Den eenen op den andren moord?
VOSTER.

Met eenen dolk, op t hart gesteld.

REI.
Zaagt gij dat schrikkelijk geweld?
VOSTER.
En waarom niet? Ik stond er bij.
REI.
Wie was t? Hoe ging t? Och zeg het mij!
VOSTER.

Zij moordt zich met haar hand niet blo.
Wat zegt ge mij?

VOSTER.

                          Het is alzoo.

REI.

Dees bruid, eerst ingehaald dus blij,
Bracht haar tot zulk een razernij!

VOSTER.

Te bijster; maar Indien gij t onheil met uwe oogen
Aanschouwde, zeker t zonde u treffen met medoogen.

REI.

En dnrf een vrouw dit met haar eige hand begaan?

VOSTER.

Afgrijslijk! als gij t hoort, kunt ge een getuige staan
Hierover; want toen zij den zoon het bed zag spreiden,
Om zijnen vader wer t ontmoeten en geleiden,
Verstak ze zich, opdat haar niemand zoude zien
Beklagen (leggende voor t outer op de knin)
Den weduwlijken staat, en t scheiden van haar vruchten.
Men hoort ze t elkemaal weklagen en verzochten,
Zon dikwijls zij t geweer in hare handen nam,
Gelijk ze was gewoon. Dan wentelt ze zich gram
En droevig door de zaal, en ziet een van t gezinde,
Dien ze uit een grooten trek begunstigde en beminde,
Dan schreide ze en verdaagde een geest, beroofd van troost,
Beklaagde hofgezin en haar verlaten kroost.
k Zag haar, na deze klachte, in Herkles kamer streven,
En lette, hoe ze zat in eenen hoek gedreven
Heel duister, daar een vrouw gedienstig, met haar hand,
Alcides kleeders spreidde op eene ledekant.
Toen sprong ze op t bedde, en ging in t midden zitten schreyen
Zoo vele tranen, dat ze, als beken, zich verspreyen;
Ten leste sprak ze op t bedde: ik lag hier, als een bruid;
Vaarwel voor t allerlest! Mijn bijslaap heeft hier uit;
Geen nachtrust staat me meer op deze ste te hopen.
Zoo sprak ze, en rukte snel de borst en boezem open,
Ontgespt den gouden gesp, ontbloot de slinke zij.
Ik vliege. uit al mijn macht, naar heuren zoon hierbij,
Verkundschap hem, hoe zij zich aanstelt. Onderwijlen
Wij heen en weder voort toeschieten en ons ijlen,
Verneemt men, hoe ze zich, met een tweesnedig zwaard,
Den doodsteek gaf in t hart. De zoon, aan t huilen, baart
En ziet te sp, hoe zij, van t Menschepaard bedrogen,
Verrukt van toorne, zich verkortte, en dus bewogen
Haar oogmerk misschoot. Hij mistroostig smilt van rouw
In tranen, en beschreit het jammer van Mevrouw;
Bij lag er, mond aan mond, en borst aan borst, weemoedig,
En stortte bitter zijn weeklachten, heet en bloedig,
Dewijl hij, t onrecht haar betichtende, dus ras
Een vaderlooze en moederlooze weeze was.
Zoo staat het hier in t hof, waaruit men licht berekent,
Dat hij een dwaas is, die twee blijde dagen teekent
Of meer; want ons geluk voorbij geen morgen spoedt,
Maar zie, dat heden u geen zwarigheid gemoet.

REI.
Wat jammer zal ik nu betrenreu?
Of t onheil, dat men zag gebeuren,
En niet betaamde? Nauwlijks weet
Ik droeve, schoon ik t overmeet
Met oordeel, hou men dit zal achten.
Dit beurde in t hof; het ander wachten
Wij nog t aanschouwen. Ongeluk
Te voelen of aanstaanden druk
Te vreezen, is een zelve stuk.
KEER.
Och! of een voorwind op kwam steken,
Die mij vervoerde uit deze streken,
    Eer ik van doodschrik henesterf,
Alleen door Hercusles verschijnen,
Geplaagd met ongeneesbre pijnen;
    Men zegt de held genaakt dees werf.
TEGENKEER.

Hij is nabij, niet ver te halen;
Nu schreyen vreemde nachtegalen,
    Een vreemde schaar genaakt; en waar
Geleidt men hem? Men drage stillijk
Den kranken herwaart, dat is billijk:
    Hij sterft of slaapt in doodsgevaar.

HYLLUS.

Och, och! mijn vader t droeve vader!
Waar blijve ik nu? Wie is mijn rader?
Waar blijve ik nu? Och, och! och, och!

RAADSMAN.
Zwijg stil, mijn zoon t opdat ge toch
Uw lieven vaders bittre smart
Niet wekt. Nog leeft het kwijnend hart;
Bedwing uw tong!
HYLLUS.

                              Zou hij nog leven?
Zeg, raadsman!

RAADSMAN.
                        Staak, geluid te geven;
Verstoor hem in zijn ruste niet
En zware krankheid en verdriet.
HYLLUS.
Een molensteen van zwarigheden
En rampen legt mij op de leden.
HERCULES.
Jupijn! waar ben ik? In wat land,
Bij welke menschen, overmand,
Gepijnigd, en van smart bestreden?
De pijn, van boven tot beneden,
Verzwaart afgrijsijk. Wee! och, wee!
RAADSMAN.
Wel, wist ge niet door mijne be,
Dat ruste en stilte was geraden
Terwijl hij sliep, dus overladen
Van slaapzucht, en zijne oogen sloot?
HYLLUS.
Mijn tong borst los om vaders nood.
HERCULES.
O, Ceneus rotsstrand, nat van baren!
Waar zijn ons godgewijde altaren,
En wat gen gebeurt me? O God!
O, Jupiter! met welk een spot
Beloont ge mij? Och, och! ik lije
Van onverzoenbre razernije.
Had de ik ze nooit met mijn gezicht
Aanschouwd t Och, och t wat tooverdicht,
Wat arts (de Godheid uitgezonderd
Die uit de lucht, vol werlicht, dondert)
Geneest dees kwaal door zijne macht?
k Zou meenen, dat ik eene kracht
En wonder zag. Wee mij, ach arme!
Och, laat me leggen! Men ontfarmo
Zich over mij! Och, geene rust!
Och, laat me leggen naar mijn lust!
Wat rept ge mij? Och, och! wat stoort me?
Och, rept me niet! Gij moordt, gij moordt me.
Gij stoort me, daar ik stilte raap,
Gij stoort de krankheid haren slaap;
Zij gaat haar gang, gelijk te voren.
Waar blijft ge, onvromen, ingeboren
Van Grieken? Ik, die, keer op keer,
Uw zen en bosschen op en neer
Doordwaalde, en zuiverde van plagen,
Verga, elendig neergeslagen!
Nu vindt men niemand niet, die mij,
Ter dood toe krank van razernij,
Met vier of ijzer helpe om t leven;
Nu komt hier niemand herwaart streven,
Die mijn gebroken hoofd verplet,
En mij om t leven helpe en redt.
RAADSMAN.

O, zoon van dezen held! ai, help me; want warachtig,
Hier valt mijn kracht te zwak; ik ben het werk niet machtig.
Gij ziet nog wakker uit uwe oogen. Tast dan aan,
En help hem redden, die van onmacht niet kan staan.

HYLLUS.

Ik sla de hand aan t werk, maar kan hem, al t elendig,
Niet heelen van zijn smert, noch buiten, noch inwendig.

HERCULES.
Och, zoon! och, zoon! waar steekt ge, zoon?
Dus handelt God met ons, o hoon!
Vertil me, hef me! Och, wederspoeden!
De dolle krankheid, wer aan t woeden
En razen, treft me veel te bang.
De pijn, o Pallas! gaat haar gang;
Och, zoon! ontferm u over vader,
Dewijl mij geen van allegader
Voorthelpen wil. Snij af mijn strot,
En heel dees smart op mijn gebod,
Een smart, te lijden door de boosheid
Van uwe moeders goddeloosheid.
Och! zag ik haar in zulk een staat,
Gelijk ze mij ter neder slaat.
O, Jovis broeder, Pluto! help me
In slaap. Uw slaapdrank overstelp me!
Verlos me, och arme! in dezen nood,
En help me aan eene korte dood!
REI.
Vriendinnen! toen we fluks verstonden uit bekenden,
Hoe fel de koning, zulk een held, van veel elenden
Gedrukt wierd, schrikten we in het binnenst van ons hart.
HERCULES.

Och! wat bezure ik in mijn lichaam zulk een smart,
Een pijn, met geene tong t ontvouwen noch te melden!
k Most stiefmor Junos wrok zoo bitter niet ontgelden,
Noch ook Eurystheus drift berokkent zulk een leed,
Als neus eenige oir, die dolle, aan mij besteedt.
Ik ben onwetende in t venijnig net gevangen,
Dat aan mijn lenden kleeft en klagende blijft hangen,
En, als een kanker, long en ingewand bekruipt,
De geesten uitput, vleesch en bloed en merg verzuipt;
Hierom bezwijkeu lijf en leden, fel aan t kwijnen.
Dit pestig kleed vermoordt me, en mat me door veel pijnen.
Nooit had de sterkste vuist zoo groot een macht aan mij,
Nooit krenkte een reus, t gebroed der aardsche razernij,
Nooit Menschepaardsgedrocht, in schutgevaarte ervaren,
Dit scheutvrij lichaam, noch geen Grieken, geen Barbaren,
Geen volk aan t uiterste eind der wereld, waar ik toog
En wilden temde, met mijn knods en strengen boog;
Nu moet ik van een vrouw, van vrouwenhanden, sterven!
O, zoon! betoon, dat wij, wilt gij mijn zegen erven,
Veel dieper in uw hart dan moeders staan geplant.
Al, sleur ze herrewaart met uw godvrnchte hand!
Wie van ons beide schaft u lekkerder banketten?
Vaar voort, zoon! voort. Beschrei mijn jammerlijke smetten;
Ontferm u! Volk bij volk wil schreyen om mijn val.
Och! zal ik weenen, als een maagd, die sterven zal?
Ik, dien men nooit om ramp een traan, een zucht zag geven!
Zal een verwijfde deugd, dus nergeslagen, sneven?
Koom herwaart, zoon! beschouw uw vaders droef gekwel;
Beschouw altzamen uw geschenrden vaders vel
En ingewand gescheurd. O, Vader van de Goden!
Dat mij de donder sla, uw felle bliksems dooden.
De sterke draaying dempt mijn zinnen en verstand;
De glonde brand slaat voort. O, eertijds dappre hand!
O hart, o vrome borst! O armen, sterk van krachten,
Die den Nemeeschen leeuw, dien bruller, kondt versmachten,
Dat hij, schuimbekkende en knerstandende, verwoed
Den geest uitbraakte in t eind, gemengd met vier en bloed.
Dees rechte hand kon eer de felle Poelslang stikken,
Eti Lerne veiligen. Zij liet zicb niet verschrikken
Van eene troep, die met twee lijven vocht op t land;
Zij velde t wilde zwijn, in ,t bosch van Erymanth;
Zij sleepte Cerberus, afgrijselijk gebeten,
Uit Plutos hol, met zijn drie hoofden aan een keten,
Zij schoot den Draak, die zich in duizend krullen krult,
En t ooft bewaakt, dat in het West den hof verguldt.
Zij louterde overal de landen van hun kwalen,
En niemand kon ooit roof en prijs op ons behalen.
Ik, zoon van God Jupijn, gewonnen hij Alkmeen,
Gevoele een binnekoorts verschenren lijf en len,
En spelle u, schoon ik smilt: zij zal, die mij dit kuischte,
Mijn wraak gevoelen. Breng ze, en leer deze onbesistc
Verkundschappen, dat ik, een dood en levend man,
Geen booswicht sparen en de boosheid straffen kan.

REI.
Onzalig Grieken! wat verdriet staat elk te schromen,
Indien
u Hercules ontijdig wordt benomen!
HERCULES.

Heer vader! laat ge toe, dat ik u iet vermaan?
Dewijl ge krank zijt, hoor het stillezwijgende aan;
k Zal bidden om hetgeen ons t recht en ook de reden
Leert volgen. Gun me dit, en laat om mijn gebeden
Uw gramschap zwichten; want gij weet de reden niet.

HERCULES.
Zeg op, hetzij gij groeit of lijdt in mijn verdriet;
Zeg op, en zwijg terstond! k Vervalle, en legge aan t gijpen.
En ken uw duistre spraak niet vatten noch begrijpen.
HYLLUS.
Ik woude u melden, hoe het nu met moeder gaat,
Ook hoe ze uit misverstand u hrocht in dezen staat.
HERCULES.
O, booswicht! rept ge nog van t schendig vadermoorden,
En perst en plaagt ge mij met zulke lasterwoorden?
HYLLUS.
Z is nu in zulk een schijn, dat mij geen zwijgen past.
HERCULES.
Alsof ze eerst niet genoeg verrichtte, mij ten last?
HYLLUS.
Gij zult niet zeggen, dat ze iet aanrecht, waard gelasterd.
HERCULES.
Zeg op, doch wacht u, dat gij niet van aard verbastert.
HYLLUS.
k Zal melden, hoe ze sterf; want moeder is om hals.
HERCULES.
Door wien? Dit s wonderspraak, in zooveel ongevals.
HYLLUS.

Zij heeft zich zelf verdaan; geen mensch benam haar t leven.

HERCULES.
Och, had ik met mijn vuist haar dezen slag gegeven!
HYLLUS.

Gij staakte uw toorne, indien gij t klaarder hadt verstaan.

HERCULES.
Gij meldt een gruwelstuk. Hoe is dit toegegaan?
HYLLUS.
Zij dwaalde uit misverstand, en le niet toe op boosheid.
HERCULES.
O, booswicht! Zij vermoordt me. Is dit geen godeloosheid?
HYLLUS.
Zij brouwde een minnedrank, om in uw gunst te staan,
Doch dwaalde, om zich en t hof van uw boelin t ontslaan.
HERCULES.
Waar is in Trachin zulk een tooveres te vinden?
HYLLUS.
Maar Nessus, t Menschepaard, wo haar aldus verbinden,
In schijn, dat ze uwe min zou winnen door zijn bloed.
HERCULES.

Helaas! ik ben om hals; t is uit met mij. Ik moet
En kan het hemelsch licht voortaan niet meer aanschouwen;
Nu blijkt, nu ziet men ons bederf en dood gebrouwen.
Ga hene, zoon! vertrek; gij gaat uw vader kwijt.
Ga, roep vrij al t geslacht, Alkmeen! vergeefs gewijd
Tot eens bedgenoot van Jupiter. Ga hene,
Opdat uit mijnen mond, terwijl een ieder weene,
Elkeen de spelling van de godspraak hoore en vatt,

HYLLUS.

Vrouw moeder is hier niet. Zij reisde uit uwe stad
Naar d oude zeekust van Tyrinthe, om daar te wonen,
En nam ook kinders mede. Een deel van uwe zonen
Bewoont nog Thebe. Wij, Heer vader! hier vergard,
Is t noodig, luistren wat uw leste wil verklaart.

HERCULES.
Hoor toe, het is nu tijd, en wil toch niet vergeten
Dat gij u manlijk draagt, en Hercles zoon moogt heeten;
Want Vader Jupiter mij spelde, dat voortaan
Geen levend mensch, wie t waar, de hand aan mij zou slaan,
Maar eene schim, die re ter Helle was gevaren:
Dit Menschepaard heeft mij, naar Vaders openbaren,
Na Zijne dood verdelgd; en k wil, opdat het blijk,
Een nieuwe spellinge, deze oude heel gelijk,
Verhalen: k Zou (wanneer ik t kerkwoud van de Sellen,
Waar ingetreden, om mijn lot te hooren spellen)
Ter aarde leggende, vernemen uit den tak,
God Jupiter gewijd, zoodra de boschduif sprak,
Hoe ik, tot dezen dag in t leven, zonder zwichten,
In t eind gevoelen zou mijn moeders hals verlichten
Van zulk een zwaren last, te streng ons opgelegd.
Toen scheen het, dat mij veel geluk was toegezegd;
Maar t meldde alleen mijn dood en t einde van mijn dagen,
Want dooden rusten stil, van allen last ontslagen.
Dewijl dit openbaar nu voorvalt, voegt het, zoon!
Dat ge uwen vader helpt en alle zijn gebon
En wet, in haren eisch, voltrekt, eer hij zich store.
HYLLUS.
O, vader! k vrees met u te twisten. Spreek, ik hoore,
Bereid, getrouw uw wil te volgen.
HERCULES.
                                                      Geef me uw hand!
HYLLUS.
Hoe eischt ge die dus streng?
HERCULES.

                                               Ontzegt ge mij dit pand,
En geeft ge daatlijk geen gehoor? Hoe is t gelegen?

HYLLUS.
Daar is, daar is mijn hand. Ik spreke u geensins tegen.
HERCULES.
Nu zweer me bij het hoofd van vader, God Jupijn!
HYLLUS.
Wat zal ik zweren, en waarin gehoorzaam zijn?
HERCULES.
Gij zult me zweren, in te volgen mijn begeeren.
HYLLUS.
Ik zwere u bij Jupijn, die kennis draagt van t zweren.
HERCULES.
Bedriegt ge mij, zoo treff de vaders vloek uw hoofd!
HYLLUS.
Dat treft me niet. k Bedrieg u niet, zoo gij t gelooft.
HERCULES.

Gij weet, waar ta rijst, gewijd Jovis ten prijze.

HYLLUS.
Heel wel, en offerde daar dikwijl, naar s lands wijze.
HERCULES.
Gij zult mijn lichaam daar heendragen, met uw hand
En hulp van vrienden, hier geroepen uit het land,
Dan van veel lijkhout, uit het eikenbosch gehouwen
En vet olijf hout, mij een hoogen stapel bouwen,;
Leg hier mijn lichaam op, getroost en onbelan,
En steek het lijkhout met de doodsche lijktortse aan,
Doch zonder eenen traan te laten en te schreyen,
Gelijk t mijn zoon betaamt, of k zal u, zonder beyen,
Opkomen, vloeken, om u waren bij den tast..
HYLLUS.
Wat zegt ge, vader! Och, wat legt ge uw zoon ten last?
HERCULES.
Hetgeen ge schuldig zijt; of weigert gij t vermeten,
Zoo zijt ge een anders zoon, niet waard mij u zoon te heeten.
HYLLUS.

Och, vader! k vraag nog eens, wat eischt ge, met een woord,
Dat ik me smette met een vuilen vadermoord?

HERCULES.
Gij zult geen vadermoord bedrijven onbescheiden,
Maar in mijn lijden mij een artsenij bereiden.
HYLLUS.
Hoe heel ik t lichaam, zoo t verbrande en ga tot niet?
HERCULES.
Bestel al t ander werk, Indien ge u dit ontziet.
HYLLUS.
Om t lijk te dragen, ik mijn doodplicht u niet weigre.
HERCULES.
Ontziet ge t lijkhout ook te staplen, dat het steigre?
HYLLUS.

Behoudens dat ik t met geen lijktoorts steke in brand;
In t ander staan we reeds en gaan u aan de hand.

HERCULES.
Het is genoeg, mijn zoon! Betoon den overleden
Dien kleenen dienst nog, na zooveel gedienstigheden.
HYLLUS.
Al waar t een zwaarder last, ik volg wat u behaagt.
HERCULES.
Gij kent de brave telg van Eurytus, een maagd.
HYLLUS.
Meent ge Ilee?
HERCULES.
                          Dat s recht. k Beveel ze u vr mijn sterven.
Zoo gij godvruchtig zijt en noode zoudt bederven,
Dewijl u d eed verbindt aan vaders liefde en trouw:
Aanvaard ze, na mijn dood, gewillig tot uw vrouw,
Opdat geen ander man haar, die aan mijne zije
Geslapen heeft, dan gij alleen, omhelze en vrije.
O, zoon! bewaar deze echt, en luister naar mijn ren;
Want gij stondt vader in gewichtiger voorheen
Ten dienst; en weigert ge in een kleener hem te hooren,
Zoo zult ge reukloos al uwe oude diensten smoren.
HYLLUS.
Het voegt niet, dat men een op zijn verscheiden stoor;
Maar zulk een streng gebod klinkt me al te hard in t oor.
HERCULES.
Gij spreekt, alsof ge ontzegt te volgen mijn behagen.
HYLLUS.

Wat mensch ter wereld zou haar lijden en verdragen,
Die vader brocht om hals en moeder hulp van kant,
Ten waar een zinneloos, beroofd van zijn verstand?
k Wil liever sterven dan met een vervloekte leven.

HERCULES.
Gij schijnt om vader, die vast zieltoogt, niet te geven;
Doch zijt verzekerd, dat, volhardt ge in dit geval,
Uw vaders vloek uw hoofd afgrijslijk treffen zal.
HYLLUS.
Wee mij! Het schijnt me, dat gij raaskalt zonder reden.
HERCULES.
Gij tergt me in mijnen slaap nog eens tot heftigheden.
HYLLUS.
Wat twijfelmoedigheid bestrijdt me in dezen staat!
HERCULES.
Acht gij t onbillijk in te volgen vaders raad?
HYLLUS.

O, vader! zal ik uit uw mond godloosheid leeren?

HERCULES.
t Is geen godloosheid, in te volgen mijn begeeren.
HYLLUS.
Is t billijk, tgeen ge mij dus streng ten laste legt?
HERCULES.
Laat Goden tuigen van mijn billijkheid en recht!
HYLLUS.
k Zal t volgen, nademaal de Goden dit getuigen,
En onder uw gebod mij zelve gaarne buigen;
Het kan niet kwaad zijn, zoo ik vaders wil voltrek.
HERCULES.
Dat is een braaf besluit. Nu hecht aan dit bestek
Deze ne weldaad: breng mijn lichaam daatlijk buiten,
Eer ik aan t razen sla van pijnen, niet te stuiten.
Valt aan, tast aan, hef me op! Dit is mijn leste wensch,
De rust van zwarighen, het einde van den mensch.
HYLLUS.

O, vader! zijt gerust, wij volgen uw begeeren;
Nu gij t beveelt, zal ons geen zaak ter wereld keeren.

HERCULES.
Vaar voort, eer ik verzwakt, beroofd word van verstand.
O, harde ziel! met welk een taayen ijzren hand
En strik, hangt gij gehecht aan t lichaam. Staak dit klagen.
HYLLUS.
Nu wordt ge, al valt het zwaar, gediend naar uw behagen.
HERCULES.
O makkers! draagt me heen. Vergeeft mijn ongednld!
Gij weet, hoe mij de Gon mishandlen, zonder schuld
Verlaten in dien nood, en hoe ze, die mij toomen,
En ik mijn vaders noem, mijn lijden vast zien komen.
En nog ziet niemand wat hier na op volgen zal;
Het tegenwoordige, een te deerlijk ongeval,
Gedijdt hen zelf ter schande, en bitterst valt het ende
Hem, die beproefd wordt van dees jammerlijke elende.
HYLLUS.
Bewaar zorgvuldig t hof van Hercules, o maagd
Die zooveel lijken van doorluchte mannen zaagt,
En alle jammeren, te zwaar in t wederstreven,
Waarvan Jupijn alleen de schuld wordt toegeschreven. (*)

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001