Joost van den Vondel (1587-1679)

Hippolytus

of

RAMPSALIGE KUYSHEYD.

1628.

Van Hippolytus zegt Brandt: „Hij braght ook in dit jaar Senekaas Treurspel van Hippolytus, door hem in dicht vertaalt, aan den dagh. In dit werk werdt de groote voorganger gelukkig gevolght. ’T was den getrouwen Hollander, (een omschrijving daar de Heer Hugo de Groot, toen balling ’s landts, meê gemeent werdt) opgedraagen: maar men maakte zwaarigheit om den Hippolytus met d’ opdraght, een klinkdicht ’t welck van de Groot en Oldenbaerneveldt als van onschuldigen sprak, uit te geven. Men vreesde voor haaperinge, en vondt geraaden dat klinkdicht uit al de gedrukte bladen te snijden. Maar toen de tijdt wat veranderde werdt het in zijn Poëzye en ook bij den tweeden druk van ’t Treurspel in ’t licht gegeven.” Hippolytus werd in 1628 voltooid, het werd waarschijnlijk uitgegeven bij Blaeu. De reden waarom Vondel de vertaling van Seneca aan Hugo de Groot opdroeg, tracht Dr. Leendertsz te vinden. „Dit is de eerste gelegenheid, dat wij Vondel met De Groot in betrekking zien. Persoonlijken omgang hadden zij nooit gehad, en al had De Groot waarschijnlijk den Palamedes met veel instemming en genoegen gelezen, zoo was dat nog geene vrienden, hier te lande zullen zich ook wel gewacht hebben hem in aanraking te brengen met den veel besproken hekeldichter: dat kon de zaak van De Groot niet anders dan kwaad doen. Wat was dan de aanleiding tot deze opdracht?

De hoofgedachte van een goed klinkdicht wordt uitgedrukt in de laatste regels, dikwijls zelfs samengevat in den allerlaatsten. Vondel prijst hier De Groot, omdat hij door zijn woord vrede sticht en onschuldigen verdedigt. Dat kan alleen doelen op zijn werkzaamheid om schadevergoeding te krijgen van de Fransche regeering voor de Hollandsche schippers, wier schepen het vorige jaar op last van Richelieu in beslag genomen waren op ze te laten zinken en zoo de haven van La Rochelle te versperren. Politieke bedoelingen had Vondel dus met dit gedicht niet, maar het is wel eigenaardig, dat zijn eerste aanraking met De Groot haren grond vond in de belangen van den handel, en dat hierop de eernaam „Getrouwen Hollander” berust.” Het is natuurlijk niet geheel zeker, dat Vondel geen politieke bijbedoelingen had, de verklaring van Dr. Leendertsz schijnt ons echter in zijn geheel aannemelijk.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001