Joost van den Vondel (1587-1679)

HIPPOLYTUS

of

RAMPSALIGE KUYSHEYD.

HET VIERDE BEDRIJF.

THESEUS. BODE.

BODE.

O lot der dienstbaerheyd, hoe lastigh valt uw juck?
Wat maecktghe my ten bood van ít schendigh ongeluck?

THESEUS.

De neerlaegh niet ontsie vrypostigh te verbreeden:
ík Verwacht niet onbereyd den slagh der swaerigheden.

BODE.

De tong ontseyt uw leet te melden en uw kruys.

THESEUS.

Seg op, wat ramp beswaert ons aengevochten huys?

BODE.

Helaes! uw Hippolyt quam jammerlijck te sneven.

THESEUS.

O vader, ík wist al dat hy was geraeckt om ít leven:
De schaecker leydtíer toe. Hoe quam hy aen sijní dood?

BODE.

Na dat hy met gevaer verbaest ter stad wt vlood,
En reckte sijnen pad met snelheyd door vertsaegen,
Hy hooge kleppers flucx heeft in ít garreel geslagen,
En toomde hunní monden met het leuterend gebit:
Doen momplend allerleys, dan dat, dan weder dit,
Verfoeyende den boŰm des vaderlands, veelvuldigh
Hy om sijní vader roept, en streng en ongduldigh
Der rossen toomen schud, en hun de breydel viert
Wan ras de woeste zee van wt den afgrond tiert,
En swelt en groeyt, en gaet tot aen de starren bruyschen.
Geen wind blaest over ít sout? de lucht is vry van ruysschen.
ít Gepaye vlack beroert word van syn eygen weer,
Geen zuydewind ontstelt soo fel ít Sicanisch meer,
Geení zee en rijst soo hoogh door baeren aen het woeden,
Wan Corus meester is, en rotsen door de vloeden
Aen ít davren raecken, en het grijse en siedend schuym
Leucates toppen beuckt, op ít grondeloose ruym.
Eení hoogh gebulte zee verrijst. De vloed geswollen
Komt met een zeegedroght na sand en strand toe rollen:
Doch dreyght soo groot eení smet geenssins der schepen boord,
Maer ít land. Geen lichte stroom de baeren wentelt voort:
ík En weet niet wat de golf, veel grooter dan veelí golven,
Magh houden in haerí opgehoopten schoot gedolven:
Wat aerde een nieu gebroed wil toonen ís hemels slot.
Een eyland komtíer op; en Epidaurus God,
En de Scironides, steenrotsen van den volcke
Bekent door Scrions straf, gaen schuyl in waterwolcke:
Oock ít land genepen van twee barrenende zeen.
Terwijlwe dit verbaest beklaegen met gesteen,
Soo loeyt het gantsche vlack, en alle klippen kraecken
Van allen kanten, en haerí toppen dauwen braecken
En schuymen by gebeurt; vermits de zee sich rept
Gelijck de wallevisch, die gierigh water schept,
Het welck hy weder loost door pijpen wijd van monden (*)
Daer hy in ít ontdiep swemt de Oceaensche gronden.
De waterkloot in ít end barst yslijck door den stoot,
En strandwaert voert de plaegh, door vreese ruym soo groot.
De zee haer ondier volght, en swallept op het drooge.
De schrick mijní beenen schud.

THESEUS.

                                                 Maer hoe was in uw ooge
Dat woeste lijf van leest. (*)

BODE.

                                         De groote pekelvar
Stack wt eení blaeuwen neck, en beurde eení groene star
Met opgeheven kam na boven. Bey sijne ooren
Die waeren borstigh, bont gekaekelt yeder hooren,
En soo van kleur, gelijck een stier die kudden temt,
En een die in de vloÍn geboren drijft en swemt. (*)
Hier blickert sijn gesicht: daer braeckt hy vier en voncken.
De vette neck, waerop de blaeuwe vlacken proncken,
Beurt grove spieren op. De neus heel wijd gegaet,
Al gaepend snuyft en snorckt. Groen klevend mosch cieraed
Aen borst en kossem geeft. Roo verwe sprengt de lenden.
Het achterlijf in visch en ondier sich gaet enden,
En ít overige deel van ít groot geschubde beest
Seleept endloos achteraen. Die walvisch word gevreest,
Als een die ít snelle schip verswelgt, en weer kan geven
Van ít onderste der zee. De waterkusten beven.
En het verbaesde vee langs díackers heenen vlied.
De harder volght wt schrick sijní koeyen langer niet.
ít Gedierte ít woud verloopt. De jaegers staen en kijcken,
Van vreese doods en stijf: noch sietmen niet beswijcken
Den moed van Hippolyt; die met den toomen kort
Sijní paerden ment en drijft, en die vervaert sijn, port
Met sijní bekende stem.  Een wegh, om licht te sneuvelen,
By Argos leyd, wat hoogh op de gebrokene heuvelen,
Heel dicht op ít naeste strand der aengelege zee,
Hier schrapt sich dat gevaert, en maeckt sijn gramschap ree.
Na dat het in sich self vergrimde, en dat de tooren
Sich zarde, en maeckte vast een veurspel van te vooren,
Soo vlieght het snellijck voort, met eení geswinden vaerd,
En raeckt met spoÍnden tred nau ít bovenste van díaerd,
En vreeslijk siende, houd stal voor zidderenden wagen
Uw soon hier tegens aen rijst op, en onverslagen
En fors van aengesicht luyd donderd, dreyght, en grauet:
Dees ydle schrick mijní moed in ít minste niet verflaeut:
Want, als mijn vader, weet ick raed tot stierentemmen.
De rossen wreveligh, die met geení breydel stemmen,
Heen rucken met de raÍn, en ree gedwaelt van ít pad,
Verbijstert vaeren voort, dat langs, daer vlug en rad
De rasery jun hun jaeght, en hollen door de rotsen.
Maer als een stuurman, wen in zee de baeren klotsen
De kiel wend slincx dan rechts, en nimmer dwars aen voert
De sijde na de vloÍn, die hy door stuurkunst loert;
Niet anders ment hy oock de spoeyende garreelen.
Nu druckt ít gebit den beck, met stijfgespanne zeelen:
Met dwarsse slagen tout hy reys aen reys den rug.
De staeghe meedgesel die volghtse al even vlug;
Nu glippende over ít ruym en ít effen: nu in ít wenden
Dwaelt ít ondier hun te moet, en jaeght van allen enden
Den beesten bangheyd aen, die verder niet en vlien;
Mits ít grousaem zeegedroght ít gehoorent hoofd laet sien,
Ontmoetend hun heel nors van toornigheyd geswollen.
De kleppers doen verbaest geraecken aen het hollen,
En luystren nocht na toom, na sweep, of voermans keel.
Sy worstelen om sich te vryen van ít garreel.
Verschoppende hunne vracht, met voeten opgeheven.
Uw soon voorover plat op ít aensicht komt te sneven,
En wickelt en verwart sijn lichaem in eení strick:
En hoe hy sich meer rept, te vaster word hij dick
Van volleghsaemen knoop beswachtelt door het woelen.
ít Bedreven schellumstuck de beesten ras gevoelen.
En vry van wagenaer, met ít glippen van de raÍn,
Waer hun de vreese jaeght daer rennen sy op aen:
En sulck een wagen was ít, die sijne vracht niet kende,
En vloeckende den dagh, dien ít valsche sonlicht mende,
Ten buytenbaensche banck wtschockte Phúbus soon.
Het veld word overwijd besprengt van ít bloed des doŰn
Het hoofd, gekraeckt, gekneust, op ít harde van de rotsen,
Men reys aen reys moght sien ophuppelen en botsen
De doorenheggen voort gaen strijcken met het hayr
En harde keysteen rijt ít schoon aenschijn gants en gaÍr.
ít Rampsaligh schoon komt door veelí wonden tí overlijen,
En over ít stervend lijck geswinde wielen glijen.
En halfgebrande pael, juyst mids by díeechnis,
In ít endís geslepen lijfs en romps verletter is.
Door ít hechten van den heer de wagen staet gebonden.
De rossen stuyten kort, mits ít haperen der wonden,
En breecken te gelijck het marren met hunní heer.
Doen snijden tacken den halfdooden meer en meer:
Soo doet het braembosch, scharp van doorens stekelheden,
En elcke stronck dit vat een deel van ís dooden leden.
De knechts, eení droeve schaer, die dwaelen al bedruckt
Omher de plaetse, daer uw soon van een geruckt
Wtteckent ít lange pad, met bloÍnde purperkleuren.
De honden op het spoor om ís meesters leden treuren.
De nyvrige arrebeyd der droeven met gesteen
Tot noch toe ít lichaem niet kon brengen gants by een.
Is ditte schoonheyds glans? die tíhans noch zoo vermetel,
Onfeylbaer erfgenaem van sijnes vaders setel,
En heerlijck rijcxgenoot der starren glans beschaemt,
Ter jongste staci dees ten lijcke word versaemt.

THESEUS.

Natuurkracht al te starck, met wat een groot vermogen
Verbindghe díouders, door den band des bloeds bewogen?
Hoe eeren wy u oock selfs tegens ons gemoed?
Mijn wil was ít, dat door straf sijní misdaed werd geboet:
ík Beween nu mijn verlies.

BODE.

                                        Die geen en schreyt niet eerlijck,
Die schreyt om ít geen hy wenschte.

THESEUS.

                                                        Ick acht voor al dit deerlijck,
En díallergrootste ramp, indien het ongeluck
ít Gewenschte afgrijslijck maeckt.

BODE.

                                                    En waerom druypt van druck
Uwí wange, indienghe hem haet?

THESEUS.

                                                   Ick schrey niet om ít verloren
Maer dat ick, vader, hem deede in sijn bloed versmooren.

REY.
Wijse: Het was een jonger held.

Hoe draeyt Fortuyn het al,
Door schendigh ongeval?
Min woede tegens kleene.
Wie sich niet hoogh verheft,
Gods had veel sachter treft,
En leeft bevrijd van peene.

Vergeten burger rust
Van tweedraght onbewust:
In hutten slaeptmen stiller.
Het hemelhoogh gesticht
Voor geene stormen swicht,
Nocht voor den regenspiller.

Het blixemend geschal
Schiet selden nedrigh dal.
Jupijn met donderslagen
Kan ít woud van Cybele
En Caucasus, in ít bree
En ít lange, schrick aenjaegen.

Jupijn pickt wt beducht
ít Geen hoogst rijst in de lucht.
ít Laegh dack des ongeachten
Geení groote ontsteltheyd lijd:
Geswind vervlieght te tijd,
Met twijffelbaere schachten.

Geen mensch vind heul nocht trou
By dese blinde vrou.
Hy, die de dood ontvlughte,
Des hemels starren sagh.
En ís levens heldren dagh,
Vind ít huys vol ongenughte:

En siet sijn vaders stoel
Bedruckter als de poel
Des jammers in het keeren.
Godin, die ít outer ciert,
Daer u Athenen viert,
Ghy kuysche, die die wy eeren:

Nu Teseus ís hemels troon
Aenschout en díoppergoŰn,
En komt van Stix opklimmen,
Ghy Pluto paeyt, en wyd
Hem weder Hippolyt:
De wreedaerd mist geení schimmen.

Wat klaeghelijck eení stem galmt van den hoogen daecken,
En wat wil Phśdra met gestroopte klinge maecken.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001