Joost van den Vondel (1587-1679)

IFIGENIE IN TAUREN

Aļ. 1666

DEN WELEDELEN EN GROOTACHTBAREN HEERE

JOAN HUIDEKOOPER,

HEERE VAN MAARSEVEEN, NEERDIJK ENZ.,
VOORZITTEND SCHEPEN EN RAAD Tí AMSTERDAM.

Aristoteles, de vorst der overoude wijzen, ontvouwt zijnen leerlingen, wat de volkomenheid der dichtkunste en in haar het treurspel vereischt, gelijk Horatius Flaccus hem hierin beknopt navolgt. Onder onsterfelijke heldendichters draven Homeer en Virgilius, dí een bij de Grieken, dí ander bij de Latijnen, gelijk vorsten, vooruit en zonder wedergade; nader Grieksche tooneeldichters, Sofokles en Euripides. De nijdigheid des tijds, ons zoo veel heerlijke tooneelwerken misgunnende, spaarde geene Latijnschen dan alleen het overschot der treurspelen, in den afgang der Roomsche tale, bij verscheide vernuften gedicht, en op den naam van Seneca den nakomelingen ter hand gekomen. De keurmeestere der tooneelpoŽzy strijden onderling, of Sofokles of Euripides den prijs in deze renbane toekomt, en elks deugd, van wederzijde, overwogen en aan den toetsteen van hun oordeel getoetst, zoo staan ze met onderscheid beide de kroon toe, Sofokles in onnavolgbare hoogdravenheid van stijl en woorden, de statigheid des treurspels wonderbaar passende; Euripides in het bewegen der hartstochten, en veel andere uitstekendheden, van geene mindere waardij; en indien men zich houden wil aan dí uitspraak van Apollo te Delfi, zoo zal Euripides Sofokles in wijsheid overtreffen: bij welke uitspraak men mocht voegen het oordeel van den doorluchtigen ridder en drost Hooft, na het doorzien en overwegen van dezen dichter, zooveel langer steigerende en hem uitroepende voor den wijsten, die ooit pen op papier zette. Het gaat zeker, dat het een eige deugd des treurspel is hartstochten te verwekken, en nader de hartstochtcn schrik en nedelijden (niettegenstaande de StoÔsche wijzen zich hier vreemd van houden); ook zulks, dat bij Aristoteles dit deel boven de welsprekendieid (waarin Sofoklesí hoogste eer bestaat) gesteld wordt. Men houdt ∆schylus voor den eersten grondlegger der treurspelen, door Sofokles en Euripides voltrokken. Krantor schat Homeer en Euripides boven alle dichters. Archelaus, koning van MacedoniŽ, en Dionijs, tyran in SiciliŽ, onthaalden Euripides menigmaal ten Hove. Alexander de Groote hadde, in het opdagen der jeugd, zijne verzen doorgaans in den mond, gelijk ook de gedichten van Homeer, op het aanraden van Aristoteles, om uit hun den krijgshandel te leeren, en koninkrijken en volken bestieren. Euripidesí faam was zoo hoog gestegen, dat de gezanten van Athene kwamen zijn rijk verzoeken, om het in zijn vaderland te laten rusten; doch hun verzoek afgeslagen, zoo word het te Polla, koning Fillippusí geboortestad, met eene heerlijke lijkstaatsie begraven. Twee doorluchtige Hollanders, een Rotterdammer en Delvenaar, Desiderius Erasmus en Hugo de Groot, gezant van Kristine, koningin van Zweden, elk een fenix der welsprekendheid en letterwijsheid hunner eeuwe, rekenden het zich tot eere, Euripidesí PoŽzy in Latijn te vertalen. Erasmus zocht Hecuba en Ifigenie in Aulus uit; De Groot koos, beneffens sndere, de Fenissen, als de morgenstar der overgeschote werken van Euripides, die zegenrijk vijfmaal den prijs der tooneelspelen won; want hij leerde de natuurkennis van Anaxagoras, de zedekunst van Sokrates, te Delfi met den titel van den wijsten der Grieken vereerd. Deze noemden Euripides den tooneelwijze. Quintiliaan noemt hem den spreukrijken en zedemeester, op het spoor van Cicero, die elk tooneelvers van Euripides voor eene merkwaardige getuigenisse van wijsheid aanneemt. Zoo gebruiken ook Plato, Aristoteles, Plutarchus, en, anderde heilge oudvaders, Klemens-Alexandrijner dezen tooneeldichter, om hunne zetrede te bezegelen. Ik, om de Nederduitsche tooneeldichteren met eenig proefstuk van Euripides te dienen, oordeelde niet ongeraden Ifigenie in Tauren te verduitschen, een werkstuk niet misdeeld van deugden en sieraden, in een volkomen treurspel vereischt; want schoon de gedachte weledele heer De Groot de Fenissen in top van alle Euripidesí treurspelen verheft, nog moet bij zelf belijden, dat dí onderlinge herkennis van lflgenie en Orestes, hare kracht barende, aan zijne Fenissen ontbreekt. De heer gezant wacht hier niet ongevoegelijk bijvoegen de katastrofe of uitgang des treurspels, waaraan dí ommezwaai van ongeluk tot geluk vast hangt, door het verschijning van Minerve, genoemd Deus e machina of hemelval. Deze beide hoofdcieraden munten hier uit, behalve dat vier zaken, tot een volkomen treurspel noodig, hierin volstaan, namelijk het gebouw der verzieringe, de zeden der tooneelisten, de zin der dingen, en uitspraak der woorden, alle vier breeder tí ontvouwen, indien we niet liever dit wilden voorbijstreven, alleen aanteekenende dat, volgens Aristotelesí lessen, de treurrol binnen zonneschijn afrolt, het tooneel voor Thoasí hof en Dianaís kerke gedurig onverzet en pal staat, en zoo veel werks kunstig met acht personagien, de reyen voor eene enkele gerekend, onverminkt wordt uitgevoerd.

Maar Ifegnie, aldus prachtig ingekleed, koninklijk uitgestreken, en vaardig ten tooneele te treden, hoort men alreede onwetende tooneeldichthaters mompelen: Ąwat komt men hier weder voor den dag met Heidensche droomen en gedichtselen der PoŽten? Laat kinders, laat oude wijven zich aan dusdanige ijdelbeden vergapen; wijlieden, wijzer, stemmiger, en ingetogen, stichtigc oefeningen hanteeren! Laat uwe ooren niet streelen met ratelende rijmen, en kinderachtige beuzelingen van stoffeerende PoeŽten.Ē Ja, zeker. Denken deze wel, dat de deftigste kerk- en hofredonaars dank en eer schuldig zijn aan Homerus, Virgilius, Ovidius, Horatius, Seneca, Terentius, en dergelijken, hunnen eersten en besten leermeesteren? Hoorden ze den overgeleerden heer Vossius, in zijn onderwijs der dichtkunste, den Grootmogenden Heeren Staten van Holland opgedragen, niet ontvouwen, hoe dí oude wijsheid van natuurkennisse, zeden, staatgeleerdheid, historiŽn, en andere geheimenissen, onder de bloem van kunstige verzieringen gescholen legt? Wordt Salomons wijsheid niet gesteld boven de wijsheid van ∆gypte, met de schorse van aardige gedachte bekleed? Weten de haters der dichtkunste wel, dat Paulus, de Kruisgezant, het uitgekoren vat, eenen godvruchtigen geur ontleent van Aratus, Epimenides, en Menander, en EpicureŽn, StoÔcijnen, en andere dwersdrijveren den mond stopt wet der dichteren goude spreuken, in zijne gewijde bladen, gelijk perlen en diamanten, uitstekende? Doch does ballon vol wind is voorheen, meer dan eenwerf, met een armstuk van bondige bewijsredenen rustig afgekaatst.

Weledele Heer van Maaraeveen! Ik neme de vrijmoedigheid, deze vertalinge Uwe Weled. op te dragen, om onder de schaduwe van Uwen naam de kunstbeminners meer en meer tí ontsteken in de liefde dor tooneelpoŽzy, zoo veel eeuwen in keizerdommen, koninkrijken, en vrije staten gehandhaafd; wenschende, ter loffelijke gedachtenisse van wijlen den Ridder, uwen Heer Vader, uit verplichte genegenheid, U iet waardigers toe te eigenen. Ondertusscben hope ik dí eer te genieten, dat dit kleene proefstuk uw bescheiden oordeel zal behagen, en ik blijven,

    Weledele en Grootachtbaar Heer,                              
Uwe Weled. en Grooteehtbaarheids                  
oodmoedige dienaar              

J. VAN VONDEL.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001