Joost van den Vondel (1587-1679)

IFIGENIE IN TAUREN

A. 1666

IFIGENIE.
De koning Pelops, zoon van Tantalus, gedragen
Te Pize, in t renperk, met den oversnellen wagen,
Trouwde nomas spruit, brocht Atreus voort, en hij
Vorst Menelas en ook Agamemnon. Wij,
Geheeten Ifigene (uit hem en d echtgenoote
Vrouw Klytemnestre, een telg van Tyndar, voortgesproten)
Zijn, zoo Heer vader waant, geofferd voor Diaan,
Daar d engte Euripus schuurt gestadig af en aan,
Met ebbe en vloed, den hals des inhams en de randen
Van t rustloos Alius. Hier vergarden op de stranden,
Door Agamemnons last, der Grieken Legerheer,
Wel duizend schepen, om, tot Menelas eer,
Helene, hem ontschaakt, uit Troje met den degen
Te voeren, met de kroon van vollen oorlogszegen;
Maar toen er zwarigheid, voor d uitgereede kiel
En zeilgereede vloot, om zee te kiezen viel,
De wind ongunstig bleef, begon hij raad te geven
Met wichlerije uit vier. Tolk Kalchas, wel bedreven,
Sprak Agamemnon aan: o, hoofd der Grieksche vloot!
Men kan de haven niet met eenen ruimen schoot
Uitzeilen, eer ge uw kind en dochter lfigene
Opoffert aan Diaan; naardien ge zwoert voorhene,
De schoonste vrucht van t jaar de stralende Godin
Te wijden. Klytemnestre, uw vrouw en koningin,
Brocht toen een dochter voort (met dezen naam beteekent
Hij ons, de schoonste vrucht van t jaar hij hem gerekend);
Dees moet gij offren. Maar Ulysses voert me ontronw,
In schijn alsof ik held Achilles trouwen zou,
Met moeder hene; en toen ik t Aulis was gekomen,
En op t altaarhout knielde, en wachtte vast met schromen
Den doodsteek van het zwaard, vervoerde me Diaan,
Die eene hinde liet in mijne plaatse slaan,
Door d ope lucht hier in der Tauritanen oorden,
Daar d Ongriek Thoas heerscht met zijnen staf in t Noorden.
Die, vlugger dan een valk, den naam van Snelvoet draagt.
Hij stelt me in deze kerk, gewijd tot offermaagd;
Daar zijn Godin Diaan gediend is met de wetten
Van een schijnheilig feest, in t midden van de smetten,
Die k uit eerbiedigheid veel liever zwijgen zal;
Want ik ten offer slacht (naardien de stad dit al
Van ouds gewoon is) wie hier landt uit vreemde steden;
Ik wichle uit d offerande, en laat de schendigheden
Der bloedige offren, in Dianas kerk geslacht,
Aan andren over. k Wil verbalen, wat te nacht
Ons in de lucht verscheen, of dit te pas mocht komen:
k Was t Argos uit dit land gevaren in mijn droomen,
Eu sliep in t midden van de maagden. De aarde scheen
Te daveren, en ik te vluchten ergens heen.
Ik stand van buiten, en zag hof en dak van boven,
En posten, overhoop gevallen en geschoven,
Ter aarde storten; maar een eenig hofpilaar
Van vaders huis scheen stand te houden in t gevaar.
Een blonde haarlok kwam op s pijlers kruin uitbreken,
En sloeg, gelijk een mensch, geluid en scheen te spreken.
Ik, die de gasten doode, on hier mijn ampt bekle,
Wiesch deze hofkolom, en zuchtte, omdat ze me
De dood was toegedoemd. Dees nare droom beteekent
Orestes dood, voorheen bij mij al dood gerekend.
De hofpilaar bediedt de mannelijke vrucht.
De gasten sterven hier, als ik hen wassche en zuchtte.
Doch zulk een droom slaat niet op vrienden; want te voren
Was Strofius geen zoon, toen vader storf, geboren.
k Wil broeders uitvaart, of hij tegenwoordig waar,
In zijn afwezen, hier gaan houden bij t altaar.
Ik kan t uitvoeren met mijn dienstbon, Grieksche vrouwen
Van koning Thoas mij gegund, op goed vertrouwen.
Zij zijn om ren nog niet gekomen hier ter ste,
In deze kerk, daar ik mijn offerampt bekle.
ORESTES.
Zie toe, sla gade, dat geen mensch ons hier betrappe.
PYLADES.
k Bespiede en zie rondom voorzichtig, waar ik stappe.
ORESTES.
Zie, Pylades! schijnt dit Dianas tempel niet,
Daar t schip van Argos hier aan strand belandde en stiet?
PYLADES.
Orest! het schijnt me toe; k geloof, het dunkt u mede.
ORESTES.

En t outer druipt van bloed, vergoten hier ter stede.

PYLADES.

De kerk is nat van bloed en rood van moord voor t oog.

ORESTES.
De wapenroof hangt aan het kerkgewelf omhoog.
PYLADES.

Als eerstelingen der geslachte vreemdelingen.

ORESTES.

Men zie dan wakker heen en wer, eer ze ons bespringen.
Apollo! waar vervoert uw antwoord mij wet kracht
Nu weder in dit net? Na mijne moederslacht,
Tot wraak van vaders moord, verdreven Razernijen
s Lands ballingen! uitheemsch rondom, aan alle zijen,
Gedurig heen en wer, onrustig en alom;
En toen ik u om raad vraagde in uw Heiligdom,
Op welk een wijs men best mocht raken aan een ende
Van lees bezetenheid en jammerlijke elende,
In t ommezwerven door gansch Griekenhand gelen,
Geboodt ge wij, door zee naar t Noordsche Tauren heen
Te streven (daar Diaan, uw zuster, op altaren
Gediend wordt), om haar beeld, van over vele jaren
Gavallen uit de lucht, te schaken uit de kerk,
Met list of zoo het valle, en dit geheiligd merk,
Gehaald door veel gevaars, t Athene in t licht te stellen,
Om lucht te scheppen van benauwdhen, die mij knellen
Eu schriklijk pijnigen; een middel, u bewust,
En t eenig om te staan naar een volkome rust.
Ik kome, op uwen raad, dan herwaart aan ten leste
In t vreemde en onbekende, ongastvrij landgeweste.
Nu, Pylades! gij zijt mijn halsvriend, wijs en trouw,
Wat vangen wij bst aan? Gij ziet dit kerkgebuuw,
Dees hooge muren. Zal men best naar boven stijgen,
Langs deze ladder, en aftrende een venster krijgen,
Of breken t ijzren slot met boomen en geweld,
Niet wetende, hoe t hier van binnen is gesteld?
Ontsluiten we de poort, en worden we genomen
Als beeldestormers, dan is t het ons omgekomen.
Doch eer we sneven, laat ons haastig vlin aan strand
Naar ons galei, waarmed wij roiaden naar dit land.

PYLADES.

Het vlin is ongeran. Wij zijn geen vlucht gewone;
Het is niet billijk, dat de vrees Gods antwoord hone.
Laat ons afwijken van de kerk, en stil in vre
Ons bergen in een hol, waarop de Zwarte Zee
Haar golven breekt, heel wijd van t schip, dat geene lieden
Het merken, en terstond den koning ons verspieden,
Aanbrengen, en met kracht aangrijpen bij den hels.
Maar als de donkre nacht, die alle dingen valsch
En zonder verwe ziet, komt vallen, dan, als mannen,
Met alle middelen en krachten aangespannen,
En t zuiver kerkbeeld stil geschackt uit d oude kerk.
Zie, hoe men langs den muur bij t ronde pijlerwerk
Afglijden moet. Een dappre ontziet geen zwarigheden.
De bloode suffer zwicht, staat stijf, en rept geen leden.

ORESTES.

Wij roeiden vruchteloos veel wijlen herwaart aan,
En moeten keeren langs het spoor derzelve baan;
Weshalve gij spreekt recht, men dient Gods raad te hooren.
Nu ga een schuilhoek en een doodsche plaats opsporen;
Want valt Apollos raad en antwoord kwalijk uit,
Men wijte onze eige schuld noch God, noch Gods besluit.
Het moet gewaagd ziju. Leat gevaar u niet verbluffen;
Het past geen jonge maats in zwarighen te suffen.

IFIGENIE.
Hoort toe, inwoners! op de twee
Steenrotsen van d Euxijnsche zee,
Te zamenklinkende, gestegen;
O, maagd Diktin, langs berg en wegen
En streken, rennende op de jacht,
Latonas dochter, hoog geacht,
Ik uwe dienstmaagd, koorkostresse
En kerkgewijde priesteresse,
Zet mijn gdwijden maagdevoet
Naar uw gestichten, heet van gloed,
Naar uwe goude heiligdommen,
Gecierd met blinkende kolommen.
k Verliet Europe en vaders hof,
En Grieken, trotsch op oorlogslof,
Zijn torens en boschrijke beemden,
Eu slijt mijn dagen bij de vreemden.
REI VAN GRIEKSCHE VROUWEN.
Hier ben ik. Zeg, hoe gaat het nu?
Wat zorg, wat angst bekommert u?
Waarom, waarom woudt ge, afgescheiden
Van andren, mij ter kerke leiden?
O, telg van s Konings hoogen stam,
Die moedig naar de vesten kwam
Van Troje ontelbre krijgalin slepen,
Met eene vloot van duizend schepen!
IFIGENIE.
O dienstbon! och, helaaas! hoe slijt
Ik jammerklachtig mijnen tijd,
Eu klaag luidruchtig ieders ooren
Mijn leed, onaaugenaam te hooren!
Helaas! hoe lange steke ik vast
In huisverdriet en list op last,
Betreurende, hier omgezworven,
Mijn broeder, ach, nu afgestorven!
Wat zag ik voor een nachtgezicht,
Een nevel, schuw van hemelsch licht
t Is uit met mij: t is omgekomen
Met vaders huis, ik heb t vernomen.
Helaas, wat s t Argo niet gelen
Och, noodlot! laat ge mij alleen?
Berooft ge mij van mijnen broeder,
Mijn troost en eenigen behoeder,
En zendt ge hem ter zielen heen,
Wiens uitvaart ik wet rouw beween,
En storte dees lijkofferdranken
Ter aarde, met bedroefde klanken,
Dien jammerkelk, vol offerbloed
Van kalven, op gebergt gevoed,
En offerwijn en honig mede,
Zoenoffers, tot der zielen vrede?
Reik hier het gouden offervat,
Des overledens zoen geschat:
Och, Agamemnons telg! wij geven
Dit u, gescheiden uit het leven.
Ontvang dees blonde haarvlecht toch,
Op dezen grafzerk u tot nog
Niet aangebon. Het kan niet baten,
Mijn tranen over u te laten;
Wij beide zijn nu van der hand,
Te verre van ons vaderland,
Daar elk mij schat in dat geweste
Geslacht, het vaderhand ten beste.
REI.

Mevrouw! k zal, op ziju ongrieksch, nu
Met Aziaansche wijzen u
Antwoorden, en treurzangen zingen,
Gelijk voor s lands verstorvelingen
God Pluto zingt op deze stof.

IFIGENIE.

Och, Atreus huis! och, vaders hof!
Het licht der kronen is verdwenen;
Der Grieken macht, lang uitgeschenen,
De schuld met rijks vorsten boet;
Het eene jammer t ander broedt.
De zon verbergt haar blijde glansen,
Eu wijkt te rugge aan s hemels transen
Met een bewolkt gespan alre.
Het eene volgt op t ander wee,
En moord op moord, en slag op slageu.
De straf treft Tantaals bloed en magen,
Voorheen geplaagd. Een Helsche geest
Slaat voort, en plaagt u allermeest.
Het noodlot van mijn moeder huwelijk
En hare bruiloft trof me gruwelijk
In t eerste, en een wreed noodlot let
Mij, van t begin der zwarigheid,
Van mijn geboorte voor mijne oogen,
En waarom ik werd opgetogen,
Die van den Griek was aangezocht
Ten echte, om hunnen oorlogstocht
Te spoeden. Ik, al t ongelukkig,
Een kind van Ledas dochter drukkig,
Ben al te welig opgevoed,
Om opgeofferd vroeg mijn bloed
Te storten, weggevoerd te wagen
Naar Aulis, daar de legers lagen,
Gelijk een bruid, een schoone bruid
Van Thetis zoon. Ik, jonge spruit,
Och, och! in Pontus nergezeten,
Ongastvrij Pontus, woon vergeten
In t gure en barre Noordsche land,
Versteken van het huwlijkspand,
Van kindren, maagden, en Myceene,
En Junos dienst, geloofd voorhene,
Al wevende, door Pallas gunst,
De zonnebeelden naar de kunst.
Ik ben een priesterin bij vreemden,
Van bloed geverfd in dorre beemden,
Ee doop de Vloedgodin in bloed,
Ook d outers bloedrood en verwoed,
Op deerlijk jammeren en klagen
Der schreyenden, ter ner geslagen.
k Herdenke t leed, van ouds gelen,
En klage om broeder, te Myceen
Gestorven, mijn Orest, geboren
Ter krone, dien ik het verhoren,
Een teder kind en zuigeling,
Dat nog aan moeders borsten hing.

REI.
Hier komt een herder van het zeestrand aangestooten;
Gewis, hij brengt wat nieuws.
HERDER.
                                                O, dochter van den grooten
Vorst Agamemnon, spruit van Klytemnestre! hoor:
Ik brenge een nieuwe maar, die vreemd klinkt in uw oor,
IFIGENIE.

Wet schrikmaar brengt ge ons nu?

HERDER.
                                                      Twee jongelingen kwamen
Naar t Cyaneesche land te schepe hier te zamen
Gevlon, een aangenaam slachtoffer voor Diaan.
Wilt gij het waschbad en d inwijdinge en het slaan
Niet spoeden maar den eisch?
IFIGENIE.

Wat zijn dat voor gezellen?
Hoe heet hum lamdgewest? Kunt gij dien lamdaard mellen?

HERDER.
t Zijn Grieken, dats het al en meer niet, met n woord.
IFIGENIE.

Hoe heeten ze? hebt gij hun namen niet gehoord?

HERDER.
D een noemde Pylades zijn reisgenoot.
IFIGENIE.

                                                                Zeg, hoe men
Nu Pylades werom dien reisgenoot hoort noemen.

HERDER.

Dit s onbekend tot nog; wij hoordeu t van gen lin.

IFIGENIE.

Zeg op, hoe vingt ge hen? hoe kwaamt ge hen te zien?

HERDER.
In eene holle rots, aan d ongastvrije stranden
Van Pontus.
IFIGENIE.

                    En wat zoekt gij, herders! die de randen
Der zee niet bouwt, aan zee?

HERDER.
                                              Wij kwamen t offervee
En d ossen spoelen en afwasschen in de zee.
HERDER.

Koom herwaart. Zeg me nu: hoe kreegt ge hen gevangen,
En op wat wijs? k Wensch het te hooren met verlangen.
Zij kamen spade hier. Geen Griek heeft, naar ons wet,
Het outer van Diaan ooit met zijn bloed besmet.

HERDER.
Nadat wij, herders, een drift ossen derwaarts dreven,
Daar t water van de ze komt door twee rotsen streven,
En eene rotsspelonk de borst voorover steekt,
Waarop met woest gedruisch de golf gedurig breekt,
En in wiens hol gewelf de purpervisschers doken,
Verneemt een herder van ons volk, eer wij het roken,
Twee jongelingen. Hij deist schichtig achterwaart
Op zijne tenen, zegt: och! ziet ge niet een aard
Van geesten zitten? Een van d onzen, opgetogen,
Vouwt met eerbiedigheid zijn handen, slaat zijne oogen
Ter aarde, en bidt hem aan, oodmoodig en gedwee:
O God Palemon, zoon van onze Leukothe!
Schipredder, help ons toch; hetzij gij be te gader
Op strand zweeft, tzij gij t kroost zijt van dem sterksten vader
God Nereus, die een rei van vijftig dochtners teelt.
Een ander los gezel en godloos, wien t verveelt,
Beschimpte zijn geben, en ze, dat dees gestranden,
Na schipbreuk in het hol gedoken, onze handen
Uit schrik ontwijken, om t ontgaan den offermoord
En t menschenslachten, op hunne aankomst eerst gehoord.
De meesten dochten, dit was recht en wel gesproken,
En stemden ze aan te slaan, om voor Diaan te smoken,
Naar s lands gebruik en wet; maar midlerwijl verlaat
Een van dees twee de laagte, en stijgt, tot dat bij staat
In top der steenrotse, en begint den heen en weder
Het hoofd te schudden, en te zwaayen op en neder,
En kermde al bevend, sloeg de armen overal,
En raasde harseloos, en schreeuwde, als uit een dal
De .jager op de jacht: o Pylades! zie deze;
Maar ziet ge niet, hoe dees drakin, des Afgronds vreeze,
Mij wil verslinden, en, met adderengebroed
Gewapend inde vuist, mij aanrandt zoo verwoed?
Een andre blaast vast vier en vlam uit hare kleren,
Stookt moord, en, streevende op de zwarte drakeveren,
Houdt moeder in den arm, om in dit steenen graf
Mijn lijf te dompelen. Och, och! zij valt me straf,
En wil me moorden. Waar gevlon uit doods gevaren?
Men zag hem razen, niet met eenerlei misbaren,
Maar op veel wijzen; want hij bulkte of baste fel,
Gelijk een kalf of hond, of rees, als uit de Hel
Een helsche Razernij in t licht komt opgerezen.
Wij zaten stom van schrik en als ter dood verwezen.
Hij rukte een zwaard uit, viel de kalvers op het lijf,
En dreef hun t lemmer in de darmen, fel en stijf;
Gelijk een wreede leeuw, als een die, heet verbolgen,
De Razernij waant aan te tasten en vervolgen,
Zoodat.het bloed in zee zich mengde met het schuim;
Toen al de herders, nu vergaderd op het ruim,
De nerlaag van hun vee en offerossen zagen,
Den horen bliezen, dat er t land af mocht gewagen,
Om alle huislin fluks te helpen op de been,
Dewijl ze hunne macht oordeelden veel te kleen,
Om t hoofd te bieden aan dees sterke vreemdelingen;
Zoo kwamen ze te hoop uit alle hoeken springen.
Maar datelijk bezweek de dolheid met dien gast.
Het schuim droop langs de kin. Toeu leed men weinig last,
En ieder poogt met kracht den overlast te keeren
Met slaan en worpen. En het onheil of te weren
Sloeg Pylades hem gade, en vaagde mond en kin
Van spog en schuim, en vlijde en dekte uit trouwe min
Zorgvuldig t kleed om t lijf, en paste aan alle zijden
Hem voor de steenen en voor wonden te bevrijden,
Als een gedienstig vriend, die zijnen plicht bewaart.
Maar als de dolle zijn verstand krijgt en bedaart,
En schichtig oprijst van zijn val, ziet bij met schromen
Een schriklijk ouwer van een vijand nader komen,
En dreigen met gevaar. Hij zucht. Wij varen voort
Met steenenworpen, elk om t felste uit zijnenn oord.
Wij hoooren fluks, hoe d een den andren maant heel deerlijk:
Wij moeten sterven; doch, vriend Pylades! om eerlijk
Te sterven, volg mijn zwaard, en pas nu weer te bin.
Wij, als zij moedig dus de sabel zwaayen, vlin
Ten bosch op t voorgeborgte. In t vluchten van den eenen
En t staan van anderen, zoo rust men niet met steenen
Te treffen, dat ze in t end bezwijken. Men liet af
Van worpen, toen men zag, hoe elk zich overgaf.
t Is ongeloofelijk en wonder vreemd, dat, onder
Al dien ontelbren hoop van handvolk, in t byzonder
Niet n den offer den Godinne veilig kon
Aangrijpen; evenwel t geschiedde. Men verwon
En kreeg ze, toen we schier te noodeloos veraardden.
Men sloot ze in eenen ring, en wrong met kracht de zwaarden
Uit hunne sterkn vuist. Zij vielen, flauw en mat
Van worstlen, op hun knin. Wij brengeu ze aangevat
Den koning toe, die ziet ze, en, zonder lang te wachten,
Verzendt ze aan u, om hen te wasschen en te slachten.
Nu hebt ge, o priesterin! hetgeen uw hart begeert:
Twee vreemdeliugen, ten brandoffer u vereerd.
Het gansche Grieken zal rechtvaardig endlijk moeten
Den nederlaag, aan u begaan in Aulis, boeten.
REI.

Het zij wie t wil, gij hebt wat wonders ons verhaald
Van dezen Griek, dus wijd om Pontus kust verdwaald.

IFIGENIE.

t Gaat wel. Nu ga vrij hene, en breng me dees gezellen;
Wij willen onzen plicht aan hen te werke stellen.
O wee mijn hart gij waart voorhene wel gerust,
Eu toonde u tegens elk, die landde aan deze kust,
Medoogende, gewoon te schreyen om de zielen
Der vreemde gasten, die in uwe handen vielen;
Nu zult ge, wie gij zijt, gevoelen onzen haat,
Ontsteken door den droom, die op Orestes slaat,
Nu dood gerekend. Dit verstoort mijn hart van binnen.
Dit s zeker. Waarde rei, trouwhartige vriendinnen!
Ik word gepijnigd; want wie ongelukkig leeft,
Valt wreevlig tegens hem, wien t het gezegend heeft.
Nooit liet Jupijn een wind uit Grieken herwaart ruischen.
Nooit schip voerde ooit Holeen, mijn schennis, door het bruisen
Der Cyaneesche rots, met Menalas hier,
Opdat ik wraak aan hen mocht nemen trotsch en fier,
En offreu ze op dit strand, gelijk ze voor hun schepen
Mij, als eeu jonge vaars, op Aulis zeekust grepen
En slachtten. Vader zelf verstrekte d offerman;
Een gruwelstuk, dat ik nog niet vergeten kan.
k Viel vader om den hals, en knielde en kreet te gruwelijk
O vader! gij besteedt me, och, och! een schendig huwelijk.
Mijn moeder te Myceen, terwijl ge mij vermoordt,
Verwekt den bruiloftsgalm met zang en fluit, gehoord
In t hofgewelf. Gij velt mij met uwe eige handen.
De bruigom, mij beloofd, in t voeren naar de stranden
Van Alius te karos, met eenen lozen toon..
Ten moordfeest, was geensins Achilles, Peleus zoon,
Maar Pluto. k Zag, Helaas! Heer broeder wergekomen
Door eenen sluyer; k heb hem in den arm genomen, (*)
Die nu al dood is, en schoon ik Orest bestond,
Als zuster, k mijdde hem te kussen mond aan mond,
Uit eerbre schaamte, als een die Peleus hof zou eeren,
En staakte t groeten, tot ik t Argos wer mocht keeren.
Rampzaalge Orestes! gij zijt dood. Wat ongeval
Heeft u, die vader volgde in deugden boven al,
Vernield? k Versm de list der Godheid, die wij eeren,
Eu, als een smet, een man via t outer af durf keeren,
Zoo hij een nederslag met zijne hand beging,
Of een dood lichaam raakte of versch geboreling,
Naardien ze schept vermaak en lust in offeranden
Van vreemdelingen, die op deze kust belanden.
Latone, gemalin van Jovis majesteit,
Heeft geenerwijs geleerd dees blinde onwetenheid;
En k hou het dischgerecht, de Godhen aangeboden
Vat. Tantalus, verzierd. Geen Godheid laat zich nooden
Op zulk een spijs, noch vond ooit smaak in kinderspier;
Neen zeker, ik geloof dat d ingezeten hier,
Moorddadig uit den aard, dees smet op Goden schoven;
Want geene boosheid hecht op t Godendom daar boven.

REI.
Ie KEER.

O, blauwe toevloed van het meer,
Dat stroomende langs Argos heen,
Met kracht doordringen kwam weleer
In grondelooze Euxijnsche zen,
Op Aziaanschen grond, zoo wijd
Gedwaald uit vliet Eurotas bed;
Wat gasten (scheidende met vlijt
Van Lacedemons vloed, bezet
Met riet, eu Dirces heiligen stroom)
Verschenen herwaart in dit land,
Den vreemdelingen vloek en schroom,
Daar eene maagd brandoffers brandt,
En voor de kerk het outer voedt,
Besmet, en verft met menschenbloed?

Ie TEGENKEER.

Of roeiden ze door zee dus vrij,
Met riemen van abeelen-hout,
Slaghoudende van wederzij,
En zeilden zo voor wind heel stout,
On huis en hof met geld en goed
Te proppen? Want de hoop op geld
Is ouverzadelijk en zoet
En zorgelijk. Mee streeft door t veld
Den zee naar alle uitheemsche sten,
Uit ijdele ingebeelde waan
Der menschen, vol begeerlijkhen,
Niet rustende near winst te stain.
Gewinzucht prikkelt, naar hart en zin,
Den eenen meer, den andren min.

IIe KEER.

Hoe rukten ze, door t luid geklots
Van Fineus ongeruste klip?
En tegens een aanslaande rots,
Langs t zeestrand met hun hobblend schip,
Daar Nereus dochters, vijftig sterk,
Gaan zingende aan den ronden rei?
Hoe stuurden ze in het waterperk,
Met Zuidewinden, hun galei
Naar t vogelrijke landgewest,
Daar t krijtstrand van Achilles blank
Zich opdoet op het allerbest,
En helden met een snellen gang
Zich rustig spon, nooit strevens mo,
Tot aan t Euxijnsche Pontus toe?

IIe TEGENKEER.

Och! of, op t wenschen van Mevrouw,
Helene, Ledas waarde spruit,
Eens bij geval aan dees landouw
Van Troje kwam, dit hof ten buit,
Om haren hals en blonde vlecht
Te buigen voor Mejoffers bijl,
Ten dood gedoemd van t offerrecht,
Gestraft als zij, naar Griekschen stijl!
Kwam hier (wat waar t een blijde maar!)
Een Grieksche glei, en maakte een end
Van slavernij! Och, of men waar,
Gelijk ze droomde, uit dees elend
In s vaders hoofdstad te Myceen,
En zong tot blijschap van elk een!

IFIGENIE.
Maar deze beide, vast gebonden
En streng gevleugeld, komen gaan,
Nieuwe offeranden van Diaan.
Vriendinnen! zwijgt en houdt uw monden;
Went zij, den Grieken eerstelingen,
Genaken ons van dichte bij,
Opdat men hen ten offer wij,
Gelijk we uit s herders mond ontvingen.
REI.
Eerwaarde maagd (och, of de stad
Dien offerdienst u wo voegeven!)
Ontvang toch zonder wederstreven
Dien offer naar s lands wijs, geschat
Voor goddeloos in Grieksche steden.
IFIGENIE.
Mij staat eerst ga te slaan des tempels offerzedeu,
Opdat de Godsdienst der Godinne wel besla.
Ontbindt de handen van de vreemdelingen dra,
Opdat ze, aan God gewijd, ontslagen staan van banden.
Vertrekt gij naar de kerk, en zuiverende uw handen,
Bereidt al tgeene, wat u d offerwet gebiedt,
En nu ter zake dient. O wonder, wat men ziet!
Wie was uw moeder, wie uw vader? spreekt, laat hooren!
Hoe hiet uw zuster, was ooit zuster u geboren?
Wat mist de broederlooze aan zulk een troost en schat
Van jongelingen, zoo ze ooit lieve broeders had!
Wat mensch weet de uitkomst van gebeurelijke zaken,
Die, nog toekomende en op weg, van ver genaken?
Der Goden raadsbesluit is donker. Niemand weet,
Wat ramp hem boven t hoofd mag haugen ofte leed.
Het avontuur bedekt dit diep voor s menschen oogen.
O, arme gasten! uit wat land komt ge aangetogen?
Hoe verre zworft ge, eer gij belandde aan deze kust?
Hoe lang vin t vaderland, gedurig ongerust?
ORESTES.

Waarom bescheit ge dit zoo deerlijk? Om wat zaken
Betreurt ge, wie gij zijt, de wen, die ons genaken?
Ik reken hem niet wijs, die, veeg zijnde, uit ontzag
Voor sterven, deze vrees wil dempen met beklag,
En ook den klager, reed een ander te beschreyen,
Die, al verwezen, zich tot sterven moet bereyen,
En geene hoop van heil kan scheppen, naardemaal
Hij enkel leed verkeert in eene dubble kwaal.
De droefheid houdt hem dan door haar vermogen onder
Dan sterven ze alle beide, in ste van n byzonder.
Elk meet zijn avontuur uitharden. Hierom laat
Dit schreyen over ons; want wat hier ommegaat
In t offren, meldden ons de landlin, hier gezeten.

IFIGENIE.
Wie van in beide toch wordt Pylades geheeten?
Dat lust me uit uwen mond te hooren on verstaan.
ORESTES.

Dit is de man. Nu, wat vermaak brengt u dit aan?

IFIGENIE.
Waar werd hem t burgerrecht in Grieken aangeboren?
ORESTES.

Mevronw! wat beat het u, wanneer ge dit zult hooren?

IFIGENIE.
Zijt gij gebroeders, uit n moeders schoot gebaard?
ORESTES.

Gebroers, niet van geboort, maar vriendschap uit den aard.

IFIGENIE.
Hoe heet ge? Meld uw naam, indien men het mag weten,
ORESTES.
Men mocht ons beide wel met recht elendig heeten,
IFIGENIE.
Dat vraag ik niet. Wijdt dit fortuin en t hachlijk lot.
ORESTES.

En sterven we onbekend, wij sterven vrij van spot.

IFIGENIE.
Gevoelt ge dit naar uw groothartige gedachten?
ORESTES.

Gij zult mijn lichaam, niet mijn naan, ten offer slachten.

IFIGENIE.
Ontdekt ge niet den naam van uw geboortestad?
ORESTES.
Gij vraagt het; dit brengt mij, die sterf, geen voordeel me.
IFIGENIE.
Wat hindert het dus veel te melden, mij ten beste?
ORESTES.

Ik roeme op Argos, mijn Heer vaders land en veste.

IFIGENIE.

O Goden! Vreemdling, is daar uw geboortestad?

ORESTES.

Myceenen is t, voorheen zoo zegenrijk geschat.

IFIGENIE.

Vertrekt ge als balling, of van welk geval besprongen?

ORESTES.

Ik zworf, als balling s lands, vrijwillig en gedwongen.

IFIGENIE.
Wilt gij niet melden tgeen ik aan u vragen zal?
ORESTES.
Zoo t kan ter loop geschin, in zulk een ongeval.
IFIGENIE.

Gij komt uit Argos hier geland, naar mijn gebeden.

ORESTES.
Niet met mijn wil is t, u ten dienst, gij weet de reden.
IFIGENIE.

Misschien kent ge Ilium, alom ontzien met schroom?

ORESTES.

Och, kende ik Troje nooit, noch zag t ooit in mijn droom

IFIGENIE.
Men zegt, het let in d assche, uit allen menschen oogen.
ORESTES.

Het is zoo. Deze faam verkondschapte u geen logen.

IFIGENIE.

En keerde toen Helene in Menelas ste?

ORESTES.

Zij keerde wel, doch bracht geen heil den mijnen me.

IFIGENIE.

Waar is zij? Want zij trof voorhene mij met smarhte.

ORESTES.

Zij woont nu weder bij haar eersten man te Sparte.

IFIGENIE.
O, algemeene plaag, bij Griek en mij berucht!
ORESTES.
En uit haar bruiloft plukte ik ook een bittre vrucht.
IFIGENIE.

En keerde t Grieksche heer, gelijk men hoort gewagen?

ORESTES.
Gij vraagt me teffens veel, verwart me in al dit vragen.
IFIGENIE.

k Wil weten, eer ge sterft, hoe t daar gelegen zij.

ORESTES.

Vraag, wat u lust. Vraag stout; ik antwoord vrank en vrij.

IFIGENIE.

Is Kalchas, wichelaar van t heer, wer thuis verschenen?

ORESTES.

Men zegt, hij is vergaan met krijgsvolk uit Myceenen.

IFIGENIE.

Eerwaardste Godheid! Of Lartes zoon nog leeft?

ORESTES.
Hij keerde nog niet thuis. Men zegt, hij zwerft. en zweeft.
IFIGENIE.

Dat bij verga, en niet in t vaderhand vergader!

ORESTES.
Gij wenscht zoo slim niet, of zij gunnen t dien verrader.
IFIGENIE.

Leeft Thetis zoon Achil nu nog net lijf en ziel?

ORESTES.
Al dood, die t Aulis eer zoo vruchtloos bruiloft hiel.
IFIGENIE.

Bedrieglijk, zoo ze zegt, die t voelde dus verwaten.

ORESTES.
Wie zijt ge dan, die scherp doorzoekt de Grieksche staten?
IFIGENIE.

Ik ben van daar, en raakte, een maagd, ook vroeg van kant.

ORESTES.
Mevrouw! gij vraagt met ren, wat omging in dat land.
IFIGENIE.

Waar is de veldheer, in t getal den Gon geteekendt? (*)

ORESTES.

Wien meent ge? Dien ik kende is bij t geluk misrekend.

IFIGENIE.

Vorst Agamemnon, oir van Atreus rijksgebied.

ORESTES.
Ik weet het niet. Zwijg stil, en vraag dees vragen niet.
IFIGENIE.

Neen, bij Jupijn, zeg op! het kan mijn hart verblijden.

ORESTES.

Hij raakte droef om hals, en miste n in slim lijden. (*)

IFIGENIE.

Is hij al heeu? Hoe kwam hij aan zijn end? O we!

ORESTES.

Hoe zucht ge dus hierom, of raakt u dit al me?

IFIGENIE.

k Beklaag zijn eerste heil, volmaakt en vrij van rouwe.

ORESTES.
Hij raakte droof om hals, vermoord van zijne vronwe.
IFIGENIE.

Beklaaglijk lot! vermoord, en van zijn bedgenoot?

ORESTES.
Nu rust dan; vraag niet meer, en laat die dingen dood.
IFIGENIE.

Dus veel nog: leeft ze, die hem heeft dien slag gegeven?

ORESTES.

Zis dood; want dien ze baarde ontnam de moeder t leven.

IFIGENIE.

Verward paleis! Waarom holp hij de moeder voort?

ORESTES.

Hij koelde aan haar zijn moed, tot wraak van s vaders moord.

IFIGENIE.

Hij strafte zo, helaas! om zulk een stuk rechtvaardig.

ORESTES.
Met recht; en nochtans schat de Godheid hem strafwaardig.
IFIGENIE.

Liet Agamemnon dan geen erfgenaan in t Hof?

ORESTES.

Electre alleen, een maagd. befaamd en rijk van lof.

IFIGENIE.

Wie strooit de faam nu van de dochter, die hij slachtte?

ORESTES.

Dat ze uit dit leven scheidde, en smolt in elke gedachte.

IFIGENIE.

Zij was elendig, en de vader, die haar doodt.

ORESTES.
Om eene booze vrouw geraakte ze in dien nood.
IFIGENIE.

Leeft Agamemnons zoon nog t Argos, en in vrede?

ORESTES.

Dees droeve is nergens en alom, en houdt geen stede.

IFIGENIE.

O, valsche droomen! gij verdwijnt in ijdelhen;
En gij, o geesten! wijs geheeten om uw ren,
Zijt logenachtig en lichtvaardig, als de droomen.
In menschelijke en in Gods taken wordt vernomen
Een wargeest. Dit alleen blijft over, dat de zoon,
Die wijs was en gespeld te zitten op den troon;
Nu dood is, mag men hun betrouwen, dat zij t weten.

REI.
Helaas! wie weet ons naar de waarheid af te meten,
Of ons voorouders nog in wezen zijn, of neen?
IFIGENIE.

Hoort toe, gij gasten: wij zijn in gesprek getren
Heel ernstig, dat u me ten beste kan gedijen,
Inzonderheid aan wij, indien ge dit wilt lijen.
Wilt gij naar Argos gaan, indien ik u beschut,
Iet boodschappen aan mijn bloedvrienden, hun tot nut,
En brengen ze eenen brief, geschreven uit medoogen
Van een gevangen, die wel weet, dat wij niet pogen
Een mensch te slachten; want men doodt ze naar de wet
Van t laud, gelijk Diaan die zelf heeft ingezet.
k Had dus lang niemand om naar Argos heen te zendem,
En brieven wederom te brengen van bekenden.
Gij zijt een, die, zoo t schijnt, mij geensins hatig zijt,
En kent Myceene en hen, waaraan ik nu ter tijd
U af wil vaardigen. Men zal uw lijf verschoonen,
En om t bestellen van een brief dus rijk beloonen;
Maar d ander zal alleen, van u gescheiden, gaan
(Indien de stad hem eischt) ten offer van Diaan.

ORESTES.

Mevrouw! gij spreekt heel wel, dit eenige uitgesloten:
Hem offeren, dat zou mijn hartewee vergrooten.
Ik ben de stuurman van de reis naar deze wal.
Hij is mijn reisgenoot, mijn jammer ten geval.
Het waar onbillijk u te dienen met zijn lijden
En sterven, en mij zelf van jammer te bevrijden.
Doch t zal geschin, geef hem den brief, met uw bevel,
Dat hij dien t Argos brenge en uwen last bestell.
Laat iemand, wien het lust, mij slachten. Wie zijn kennis
En vrienden brengt in last, en zich houdt buiten schennis,
Is bijster boos van aard. Het is mijn reisgenoot:
k Zag hem zoo noode als mij opoffren aan de dood.

IFIGENIE.

O edelmoedige, uit een braven stam gesproten!
Oprechte halsvriend van uw vrienden en genooten!
Och, of mijn broeder, dien ik derf, zoodanig was!
Want ik, o vrienden! derf mijn broeder, op dit pas,
Alleen door t niet te zien. Wij zullen dezen zenden,
Dewijl gij t zoo begeert, met brieven aan bekenden;
Maar gij zult sterven, want gij dringt hier sterk op aan.

ORESTES.

Wie zal me slachten, en dit gruwelstuk bestaan?

IFIGENIE.

De zoendienst den Godinne is mij belast te plegen.

ORESTES.

O maagd! een schendig ampt bedient ge, en zonder zegen.

IFIGENIE.

k Bekle dit ampt door nood, die mij zoo verre bracht.

ORESTES.

Gij zijt een vrouw, en voert ge een zwaard, dat mannenslacht?

IFIGENIE.

Geensins, maar k zal mijn hand afwasschen aan uw vlechten.

ORESTES.

Zoo vragen vrij staat, zeg, wie zal me heden rechten?

IFIGENIE.
Zij zijn daar binnen, die het bloedrecht gadeslaan.
ORESTES.

Wat graf verwacht ik, als het beulerecht is voldaan?

IFIGENIE.
Het heilig lijkvier, en een grafspelonk naar waarde.
ORESTES.

Och! zal me zusters hand niet dompelen in d aarde?

IFIGENIE.

Och, arme mensch! gij wenscht al t ijdel, wie ge ook zijt;
Uw zuster woont van deze Ongrieksche kust te wijd,
Doch nu ge een Griek zijt, wil ik zelf, naar mijn vermogen,
U met dien lijkdienst trouw berechten uit medoogen:
k Zal t graf stoffeeren met cieraden naar uw staat,
En uw lijkstapel von met gelen honigraat,
Gezogen van de bij uit bloem van bergen dalen.
Maar k wil de brieven uit de Godskapelle halen;
Gevoel dan, dat ik u niet hate, bits en boos.
Gtj dienaars! slaat ge g, doch vrij en bandeloos.
Ik zal misschien, tot vreugd van mijnen welbekenden,
Op t boogst van mij bemind, een bo naar Argos zenden.
De brief zal hem tot vreugd eerlang boodschappen, dat
Zij leven, die men lang voor dood gerekend had.

REI.

k Beklage u, dien men nu zal brengen,
Om t zoenaltaar met bloed te sprengen.

ORESTES.
Uitheemsche vrouwen! vaart, ai vaart
Vrij voort; uit s geen ontfarmen waard.
REI.
O jongeling! wij eeren u
Om dit gelukkig lot, dat nu
U toeviel; want gij, vrank ten leste,
Zult keeren naar uw vaders veste.
PYLADES.

Dit is onwenschbaar voor een vriend,
Geensins met s halsvriends dood gediend.

REI.
Elendige offeranden,
Den vreemde uit vreemde handen
Tot zijn bederf! Och, ongeval!
Wie of van beide sterven zal?

Ik hang in twijfel, wie van be dier last moet dragen:
Zal ik u allereerst of uwen vriend beklagen?

ORESTES.

Ai zeg me, o Pylades! zijn we eens, en be vernoegd?

PYLADES.
Ik weet niet. Dits een vraag, waarop geen antwoord voegt.
ORESTES.

Wat maagd is dit? Hoe wijs wist deze op Grieksch te vragen,
En van de zwarighen, voor Ilium gedragen,
Ook van de wederkomst der Grieken en Gods tolk,
Waarzegger Kalchas, en Achilles, stut van t volk,
En Agamemnon, wiens elenden zij betreurde!
Zij vraagde, wat zijn vrouwe en kinderen gebeurde.
Dees jonkvrouw is eeu telg van Agos, hier geland.
Zij zoude zeker nu geen brief van hare hand
Heenzenden, noch zoo scherp die dingen onderzoeken,
Als of t haar mede trof, indien het in die hoeken
Van Argos en het rijk nog wel geschapen stond.

PYLADES.
Ik docht hetgeen gij zegt, en had het in den mond,
Behalve dit alleen; want ieder kan gewagen,
Wie tijdingziek is, van der vorsten nederlagen.
Doch, dit ter zij gezet, zij sprak er nog wat bij.
ORESTES.
Wat was dit? Leg het uit, opdat het klaarder zij.
PYLADES.
t Waar schandelijk, dat ik na uwe dood zou leven.
Wij reisden t zamen, t past, het wij te samen sneven;
Of t landschap Focis en gansch Argos zou niet valsch
Getuigen. welk een schande ik haalde op mijnen hals.
t Zal velen schijnen; want boosaardigen vermeeren,
Dat ik u hier verried, en self alleen te keeren.
Of u om hals holp, tot verdriet van al t geslacht,
Door looze lagen, om uw rijkskroon, groot van macht,
Uw zuster trouwende, en uw vaders erf te strijken.
Ik schaam mij des, on t hart van vreeze wil bezwijken.
Onmooglijk is t, dat ik niet met u sterven zou,
Mijn bloed stortte, en verbrandde, uit ongeveinsde trouw.
Ik blijve uw vriend, en zie dees vlek niet uit te vagen.
ORESTES.
Wat moogt ge strijden, t voegt mij zelf mijn last te dragen.
Een enkle droefheid is genoeg. Waartoe het leed
Verdubbeld en verzwaard? Want nu gij t schande beet
En droefheid, zou mij ook het zelve wedervaren,
Indien ik u, met mij in last en doods bezwaren,
Om t leven holp. Wat mij belangt, t gaat wel: Ik sterf.
Gelukkig, die, van God bezocht, het leven derf
Gij leeft gezegend en in zuivre en blijde hoven,
Ik bij godloozen. Laat u zuster trouw beloven,
En kinders winnen; want ik gaf ze u tot een vrouw.
Zoo blijft mijn naam in eere, en vaders huis van rouw
Bevrijd, niet kinderloos, ontbloot van erfgenamen.
Dies ga en beef, en bouw mijn vaders hof te zamen.
Belandt ge in Grieken en in Argos, d eedle stad,
k Bezwere u bij de hand, ernsthaftig aangevat,
Bestel me een graf, tot eeu gedachte van t voorleden,
Dat zuster mij beklage, en ga het graf bekleeden
Met eene haarvlecht, en verkundschap toch aan haar,
Hoe eene Grieksche vrouw mij slachtte op t zoenaltaar.
Verlaat mijn zuster niet; dat waar uw bloed versmaden,
Eu vaders hoogen stam en heerlijk hof verraden.
Vaarwel, mijn waardste vriend en trouwe jachtgenoot!
Gij hebt om mijnen wil geleden stoot op stoot.
Apollo heeft, sprekende te Delfi. ous bedrogen,
De logenkunst verjaagd uit Grieken, zoet op logen,
Waarzeggerij ten smaad, en t oude orakelkoor,
Toen ik ze al t miju betrouwde en, gevende gehoor,
Mijn moeder moordde, en nu dit boete met mijn leven.
PYLADES.

Uw graf gewordt u. k Zal uw zuster niet begeven
Noch onze trouw, en wil, als gij zijt overlen,
U nog veel vieriger beminnen dan voorhen.
Doch schoon de bittre dood gereed staat voor mijue oogen,
De Godspraak heeft hierom tot nog toe niet gelogen;
Want als d elende komt in top gestegen staan,
Dan plag ze menigmaal wel dapper om te slaan.

ORESTES.

Zwijg stil; k verwacht geeu troost van God Apollos drempel
Daar komt Mevrouw alre getreden uit den tempel

IFIGENIE.

Vertrekt gij lieden, en bereidt daar binnen, wat
Men tot den offerdienst en t slachten noodig schat.
Hier zijn de brieven, niet geschreven zonder tranen;
Voor u, o gasten! hoort wat ik u wil vermanen:
Geen drukkige is zich zelf gelijk, als hij, ontlast
Van vreeze, stout wordt en op geen beloften past;
Dies docht ik, dat hij, uit dit land bij zijn gezellen
Geraakt, verzuimen zal mijn brieven te bestellen,
Die dezen brief getrouw naar Argos brengen moet.

ORESTES.

Wat eischt ge? spreek rond uit. Waar wringt de laars uw voet?

IFIGENIE.

Hii zwere, dezen brief te leevren ons bekenden
En vrienden t Argos, daar wij hem om heuezenden.

ORESTES.

Znlt gij hem wederom trouw sweden met een eod?

IFIGENIE.

Om wat te doen of niet? Dit zeg me, opdat ik t weet.

ORESTES.

Dat gij hem geensins dood, maar vrij werom laat vareu.

IFIGENIE.

Met ren, zoo hij mijn wil aan vrienden openbaren.

ORESTES.
Maar zal de dwingeland dit lijden en verstaan?
IFIGENIE.

k Zal hem vroed maken, en dien vreemdling t scheep doen gaan.

ORESTES.

Zoo zweer dan heilig, dit te doen naar mijn behagen.

PYLADES.
Ik zweer het.
IFIGENIE.
                     Zeg dien brief te leveren mijn magen.
PYLADES.
k Zal zelf dees brieven aan uw vrienden dragen gaan.
IFIGENIE.
Ik u van t Cyaneesch steenrotsig strand ontslaau.
ORESTES.
Wat Godhen moemt ge tot getuigen van uwe eeden?
IFIGENIE.

Diane, wiens altaar en offer wij bekleeden.

PYLADES.

Ik zweer bij t hoofd der Gon, wiens eer daar boven blijkt.

IFIGENIE.

Indien ge uw eeden schent en mij verongelijkt?

PYLADES.
Zoo keere ik nimmer. Maar zoo gij uw trouw durft smetten?
IFIGENIE.

Zoo moete ik levend nooit mijn voet in Argos zetten.

PYLADES.

Nu luister, wat we nog te reukloos slaan voorbij.

IFIGENIE.

Wat wilt ge dan nag mer? laat hooreu, wat het zij.

PYLADES.

Bewillig dit beding, zoo t schip door storm mocht blijven,
De brief in zee vergaan, en ik aan land kwam drijven,
Dat gij me van dien eed in dit geval ontslaat.

IFIGENIE.

Hoort, wat ik doen wil; veel gebeurt er in elks staat!: (*)
k Wil t inhoud van dien brief bij monde u openbaren,
Opdat gij t altemaal mijn vrienden kunt verklaren,
Dan gaan we zeker; want indien ge niet vergaat,
Zoo spreekt de stomme brief al wat geschreven staat;
Vergaat de brief in zee, en komt ge aan land gedreven,
Behouden s lijfs, zoo kunt gij t hun te kennen geven.

PYLADES.
Dat s recht; zoo kan ik mij valdoen, den Gon vooral.
Nu zeg, wien ik den brief in Argos leevren zal,
En meld, wat gij beveelt aan uw geslacht t ontvouwen.
IFIGENIE.

Zeg: Ifigenie leeft, al wordt ze dood gehouwen
Bij Grieken, en voorhene in Aulis lang verbrand;
Zij zendt aan s konings zoon Orest dit schriftlijk pand.

ORESTES.

Waar woont zij? is ze van de dood dan wer verrezen?

IFIGENIE.

Gij ziet ze; wil me met geen woorden lastig wezen!
Zeg, broeder! breng me wer naar Argos, eer ik sterf,
Uit dit moorddadig land. Verlos me van dit erf
Eu t offren der Godinne, om wie ik t ambt beware
Van vreemdelingen heen te leiden ten altare.

ORESTES.
Wet zeg ik, Pylades? Waar staan we, en op wat grond?
IFIGENIE.
Orestes is zijn naam, dies noemde ik u terstond;
Vergeet het niet, en kwijt getrouw uw heilige eeden.
PYLADES.

O Goden!

IFIGENIE.

                Daagt ge God in dees gelegenheden?

PYLADES.
Gansch niet, vaar voort; ik stond versuft om t geen ik dacht,
k Zal vragende misschien iet viuden onverwacht.
IFIGENIE.

Ga, zeg Orest, Diaan bestelde, om ons te hoeden
Voor vaders zwaard, een hinde, en liet ze op t outer bloeden,
Toen vader waande, dat hij ons geofferd had.
Diane voerde ons hier. Dit s d inhoud van dit blad.

PYLADES.
Wat hebt ge mij nu met een lichten eed verbonden,
En braaf gezworen! Ik vertoef niet, maar gezonden
Van deze uwe zuster, geve, Orest, aan u dit pand,
Den brief, geschreven met uw zusters eige hand.
ORESTES.

k Aanvaarde, en hoeve geen verklaring van dees bladen;
k Gevoele geene vreugd van woorden, maar van daden.
O, liefste zuster! ik sta stom, och, och, och, och!
En schoon ik u omhels, k geloof het nauwlijks nog.
Wat zal t een wellust ziju, dit wederom te hooren!

REI.

O gasten! niet te ruig een priesterin, gekoren
Ten offer van Diaan, t omhelzen; draagt ontzag!
Ontwijdt den sluyer niet, dien niemand raken mag.

ORESTES.

O, Agamemnons telg, uit nen stam gesproten
En vader! keer u om, en wend eens onverschoten
Uw aangezicht naar nij, uw eigen broeder, dien
Ge nu omhelst, en docht uw leven nooit te zien.

IFIGENIE.

Noem ik u broeder? Rust gij niet van zoo te spreken?
Heel Argos spreekt van hem, en alle Eubeesche streken.

ORESTES.

Uw broeder is daar niet, elendige! voorwaar.

IFIGENIE.

Zijt gij geboren uit de dochter van Tyndaar?

ORESTES.

k Ben Agamemnons zoon, van Pelops voortgekomen.

IFIGENIE.

Wat zegt ge? toon me een blijk! Hoe hebt ge dit vernomen?

ORESTES.
k Heb zeker blijks genoeg getoond in vaders hof.
IFIGENIE.

Zeg op, ik luister toe, en lette op dese stof.

ORESTES.

k Zal t mellen. k Hoorde eerst uit Electre, hoe ginds tusschen
Thyest en Atreus een geschil rees, niet te blusschen.

IFIGENIE.

Ik boorde het gerucht van t gulden vlies, heel oud.

ORESTES.

En t heugt me wel, wat gtj hurdourde in slide en gond - 

IFIGENIE.

O allerliefste! dus wordt schier mijn hart bewogen.

ORESTES.

Een zon, schoon schijnende in gekleurde regenbogen.

IFIGENIE.

Ik breide en weefde dat net kostelijke dran.

ORESTES.

En wiesch uw moeder niet, toen gij zoudt t Aulis gaan?

IFIGENIE.

Ik weet het, om aldaar ten kwader uur te trouwen.

ORESTES.

Waarom zondt gij een vlecht aan moeder door getrouwen?

IFIGENIE.

Tot een gedachtenis van mijn begraven lijk.

ORESTES.

k Zal teekens toonen, daar gezien, tot waarheids blijk:
k Zag in de kamer van de maagden, nog verholen,
Een oude speer in t bof van Pelops, bang gescholen
Van Hippodamia, de maagd, te Pize in t zond,
Toen nomas viel, gezwaaid met hare hand.

IFIGENIE.
O allerliefste! want geen mensch bestaat mij nader,
Orest! k omhelze u, ver van A rgos hof en vader,
        Uit Argos hier beland,
        O, allerliefste pand!
ORESTES.

k Omhelse u, die wij lang al overleden wanen;
Nu mengt zich vreugd en druk, en onderlinge tranen
Bevochtigen de wang, van blijschap en van rouw.

IFIGENIE.

k Liet hem, een teder kind, bevolen aan de trouw
Van s vosters armen, in het hof, bebloed van moorden.
Nu kan ik mijn geluk en blijschap met geen woorden
Uitbeelden. Mijn gemoed, wat spreke ik afgetreurdl
Dit s meer dan wonder, en wie kan tgeen hier gebenrt
Ontvouwen met de tong, en klaar te kennen geven!

ORESTES.

Wij zullen beiden nu gelukkig t zamen leven,
Om t onderling geluk van wedersij verheugd.

IFIGENIE.

O, vrienden! mij gemoet een onverwachte vreugd;
Ik vreeze al, dat hij mag ontglippen uit mijn handen.
O, menscheneters hof, gebouwd op Noordsche stranden!
O, waardig vaderland, geboortestad Myceen!
k Begroete u, daar me t licht des levens eerst bescheen.
k Bedanke u, die mij voedde en mijneu waarden broeder,
Het licht van al t geslacht en mijnen tronwen hoeder.

ORESTES.

Wij beiden sproten wel uit hoogen stamme, maar
Gansch ongelukkig solt ons leven, van gevaar
En jammeren gepropt.

IFIGENIE.

                                  Dat voelde ik ongelukkig,
Toen vader t bloot zwaard uitrukte doodsch en drukkig,
En t koude lemmer mij wo drijven in het hart.

ORESTES.

Het schijnt me, afwezende, u daar ook te zien met smart.

IFIGENIE.
Och, broeder! toen hij mij met looze trekken leidde,
En zonder bruiloftstorts, terwijl een ieder schreide,
Naar held Achilles tent, daar tranen en misbaar
Zich mengden onder een, om t bloedig moordaltaar.
ORESTES.
Wat waschbad stond en, en het offer rein te baden?
IFIGENIE.

k Mocht vaders stout bestaan, te blind en onberaden,
Beklagen, en den moord, die geenen vader past.

ORESTES.

Het eene gruwelstuk hing aan het ander vast:
Elendige! hadt gij uw broeder moeten slachten
Door dwang van dees Godin, men zoude u schuldig achten
Aan zulk een broedermoord, te reukeloos begaan.

IFIGENIE.

Ik hebbe een schendig stuk bestaan,
Een schendig moordstuk voorgenomen!
Och, broeder! nauwlijks zijt ge ontkomen
Mijn onrechtvaardig moordgeweld,
Mijn moordmes, op uw keel gesteld.
Wie ziet dees zwarighen ten ende?
Wat avontuur helpt me uit elende?
Wat heilzaam middel vinde ik best,
Om u uit dit vervloekt gewest,
Dees stad, te helpen, vrij van rouwe,
In onze Argivische landouwe,
Eer ik mijn zwaard en handen moet
Besmetten met uw edel bloed?
Bedroefde ziel! t zal u betamen,
Een veilig middel te beramen,
Om snel te voet, te lande haast,
En niet ter zee, te vlin verbaasd
(De dood genaakt met wijde schreden)
Door vreemde volken, woest van zeden,
Door ongebaande wegen; want
Langs t Cyaneesch steenrotsig strand
Is t eng en bochtig. Zoo veel mijlen
Te schepe zou de vlucht verwijlen.
Elendige! Och, wat overleg
Rukt deze hinderpalen weg?
Wat God, wat mensch, eer wij t vermoeden,
Zal deze vlucht en noodreis spoeden,
En toonen Atreus overschot,
Ons beide, een end van t heilloos lot!

REI.

k Zag in dit wonderbaar geval tgeen met geen monden
Is uit te drukken, en ik hoorde en zal verkonden
Wat mijn gehoor vernam, miju oogen mochten zien.
Orest! t is billijk, dat oprechte vrienden, wien
t Gebeurde elkandere t ontmoeten, uit ontfarmen
En blijschap onderling van werzij zich omarmen.
Nu voegt het ga te slaan, de rouw ter zij gezet,
Hoe, na t bereiken van t gewenschte heil, wij, met
De minste nood, den grond van Tauren mogeu ruimen,
De wijze mannen geen gelegenheid verzuimen
Die voorvalt, opdat hun geluk nog verder ga.

ORESTES.

Dat s recht gezed; Fortuin verleene ons haar gen!
De macht van boven zal een grooter kracht bijzetten.

IFIGENIE.

Het kan mijn opzet noch gesprek met u beletten,
Indien ge eerst mij berecht, hoe t met Electre ging,
Wat lot haar toeviel. Dit behaagt me zonderling.

ORESTES.

Zij beeft, verloofd aan hem, gezegend en in weelde.

IFIGENIE.

Wat man is dit? Hoe hiet de vader, die hem teelde?

ORESTES.

Focenser Strofius. Begeert ge meer, zoo vraag.

IFIGENIE.

Is om Electre dan dees vriend zoo na mijn maag?

ORESTES.

Hij is ons zusterling, ten halsvriend mij beschoren.

IFIGENIE.

Hij was, toen vader mij wo slachten, mist geboren.

ORESTES.

Nog niet, want Strofius was toen nog kinderloos.

IFIGENIE.

Mijn eige zusters man! zijt welkom voor altoos!

ORESTES.

Hij is mij bloedvriend niet alleen, maar ook mijn hoeder.

IFIGENIE.

Hoe kont ge lijden zulk een schelmstuk van nw moeder?

ORESTES.

Ai, zwijg. Ik nam de wraak van haren mannemoord.

IFIGENIE.

En om wat reden holp zij uwen vader voort?

ORESTES.

Die klank luidt schendig; leer nw moeders schuld verzwijgen

IFIGENIE.

Ik zwijg. Myceene ziet u nu ten trone stijgen.

ORESTES.
Daar Menelas heerscht! wij zwerven buiten t land.
IFIGENIE.

Verdrnkt dan oom t geslacht, befaamd door schand?

ORESTES.

Geensins, de Razernij vervolgt me alom te vinnig.

IFIGENIE.

Dit bleek op strand. Men zegt, gij raasde daar krankzinnig.

ORESTES.

k Ben nu niet eerst om mijn bezetenheid verdacht.

IFIGENIE.

De Vloekgodin, zoo k hoor, bestraft uw moederslacht.

ORESTES.
Zij rijdt me nacht en dag, en weet mij in te toomen.
IFIGENIE.

Wat mogt ge aan deze kust, zoo hoog in t Noorden, komen?

ORESTES.

Door Delfis antwoord en Apollo, die het ried.

IFIGENIE.

Met welk een oogmerk? mog men t hooren ofte niet?

ORESTES.
k Zal t zeggen; dits t begin van mijne zwarigheden:
Nadat we moeder met ons handen...........(welke reden
Wij liever zwijgen dan verhalen) dreven knap
De Vloekgodinnse ons met kracht in ballingschap.
Ik trok op God Apollo gebod t Athene binmen,|
Om daar te pleiten voor onnoembre Vloekgodinnen;
Hier zit het heilig recht, van Jupiter gesteld
Voor Mars, die zijne vuist bevlekte door geweld,
En daar verschenen, wo mij geen der onderzaten
Huisvesting gunnen, als een mensch hij God verwaten
Maar die, hierom beschaamd, nog, aangepord door ren,
Mijn heil behartigden, bestelden mij alleen
Nooddruftig dischgerecht, in t eenzaam huis gezeten.
k Most zwijgen, en geen mensch te spreken mij vermeten
Noch nutten spijs en drank met iemand dischgemeen.
Elk dronk zijn schaal vol wijns, die langs de tafel heen
Omwandelde, terwijl men zong en kwinkeleerde.
Ik dorst die gasten niet bestraffen, schoon t mij deerde,
En treurde stom em stil, ontveinsde tgeen ik zag.
Ik znchtte zwijgende om Vronw moeders nederslag.
Nu, hoore ik, heeft mijn ramp Athene stof gegeven,
Een feest te vieren, nog hij hen in zwang gebleven,
En Pallas volk eert nog dien gouden offerkelk.
Nadat ik stond te recht op Mavors berg voor elk,
Besloeg ik eenen stoel, en t hoofd den Razernijen
Den andren stoel voor mij. Het ging en op een strijen.
k Verwere mijne zaak met ren, en Febus hoort
De wettige oorzaak van den droeven moedermoord,
En geeft getuignis van mijue onschuld. Pallas telde
Gelijke stemmen, dies de vierschaar vonnis velde,
En van de moederslacht mij vrij kende em ontsloeg.
Wat Vloekgodin hier zat en t vonnis overwoeg,
Bestemde dit besluit en schouwde mij gansch louter;
Maar andre Vloeken, dol en wetteloos en stouter,
Vervolgden, dreven mij, vol onrust, heen en wer,
Dies ik near t Heiligdom te Delfi wederkeer.
Daar legge ik voor de kerk gestrekt, eu vaste en wake,
En zweer de hand aan mij, uit opgezette wrake,
Te slaan, tenzij t Apollo, die mij verried, wil hon.
Ik hoorde Febus uit den gouden drievoet toen
Mij herwaart zenden, om Dianes beeld, gestegen
Van boven uit de lucht, te schaken door zijn zegen,
En ner te zetten op Athenes vrijen grond.
Nu help me trouw aan t heil, getoond door Febus mond!
Bestel me t beeld, opdat de Razernije scheye,
En k zal u in Myceen herstellen met miju gleye.
O waarde zuster, een der zustren! help me dan
En t vaderlijke huis; want zoo men t beeld, dat van
Den Hemel daalde, niet kan schaken uit uw kooren,
Zoo is de gansche stam en Pelops hal verloren,
REI.
Den Goden gramschap treft gednrig dan en dus,
De telgen van den stam en t zaad van Tantalus,
IFIGENIE.

O, broeder! eer ge kwaamt, was t eenige verlangen
Naar Argos, om uw mond te kussen en uw wangen.
Nu wil ik wat ge wilt, en wensche u naar mijn macht
Te vrijen van uw smart, en vaders droef geslacht
Te redden, en werom op vasten voet te stellen,
Em wil den dochtermoord niet wreken, noch vertellen.
k Wil mijne hand aan u niet slaan, maar t huis behon,
Doch vreeze, dees Godin of dwingland zal t vermon,
Als hij d altaarmis van het kerkbeeld vindt verlaten.
Hoe berge ik t leven best? Wat onschuld kan me baten
Doch kan men teffens dit beschikken, snel en stip,
Het kerkbeeld schaken, en mij bergen in een schip,
Dat waar gevaarlijk, doch een daad met recht lofwaardig
Maar wilt ge scheiden, mij hier laten, k ben wilvaardig.
Trek vrij behouden heen naar huis, en spo u voort;
Ik zwicht voor lijfsgevaar, noch dreigement, noch moord,
Zoo gij geborgen blijft. Men wenscht een vorst in t leven,
Den pijler van het huis. Wat s aan een vrouw bedreven!

ORESTES.
k Wil niet mijn hand aan u, gelijk aan moeder, slaan.
Al bloed genoeg gestort. Ik leef en sterf voortaan
Met u alleen, en wil een zelve lot genieten,
U medevoeren of hier t leven inneschieten,
En sterven aan uw zij. Hoar mijn gevoelen nog:
Zoo dit Diaan verdriet, hoe zoo me Febns toch
Bevelen t outerbeeld naar Pallas stad te schepen,
Uw aanschijn hier te zien? Want, dit bij een gegrepen
En overwogen, hoop ik t Argos weer te staan.
IFIGENIE.

Hoe kan t geschieden, dat wij beiden niet vergaan,
Terwijl we mikken op het wit van ons begeeren?
Bedenk het: t oogmerk is, alleen naar huis te keeren.

ORESTES.

En kan men dien tyran niet helpen aan den kant?

IFIGENIE.

Gevaarlijk, zoo hij wordt van vreemdan aangerand.

ORESTES.
Men waag het, raken wij aldus den nood te boven.
IFIGENIE.

Ik durf het niet, en moet uw moedig opzet loven.

ORESTES.
Of gij mij heimelijk verschuilde in deze kerk?
IFIGENIE.

Om in de duisternis te glippen uit dit perk?

ORESTES.
De nacht bedekt den dief; de waarheid zoekt de zonnen.
IFIGENIE.

Men zoo de tempelwacht niet licht bedriegen konnen.

ORESTES.
Helaas, wij zijn om hals! Hoe raakt men van dien grond?
IFIGENIE.

Mij dunkt, ik weet nog raad, en eenen nieuwen vond.

ORESTES.

Ontvouw mij uwen raad, of ik het ook verstond.

IFIGENIE.

k Gebruik met glimp, dat gij van spoken zijt bezeten.

ORESTES.
Wat treken vindt men, daar de vrouwen niet van weten?
IFIGENIE.

k Zal melden, hoe gij vluchtte om uwe moederslacht.

ORESTES.

Gebruik mijn onheil tot ons heil, naar ewe macht.

IFIGENIE.

k Zal zeggen, dat men u ten offer niet mag wijden.

ORESTES.

En met wat glimp en schijn? k Vermoede iet, in dit lijden.

IFIGENIE.

Gij zijt onzuiver, en moet eerst gelouterd zijn.

ORESTES.
Hoe kunt ge t kerkbeeld hun dan schaken met een schijn?
IFIGENIE.

Ik wil het zuiveren aan strand, in zoute stroomen.

ORESTES.
Is t kerkbeeld binnen, daar wij beide om herwaart komen.
IFIGENIE.

k Zeg t outerbeeld, van u bevlekt, eischt zuivering.

ORESTES.

En waar? zeg Zuidwaart, daar ons d inham eerst ontving.

IFIGENIE.

Daar t schip op anker legt, gemeerd om af te varen.

ORESTES.
Draagt iemand neffens u het kerkbeeld naar de haven?
IFIGENIE.
Ik zelve alleen mag dit aanraken, en niet ruw.
ORESTES.

Wat deel heeft Pylades aan dezen moord, zoo schuw?

IFIGENIE.

Men zegge, dat hij zich bezoedeld heeft aan u.

ORESTES.
Zult gij dit heimlijk of met s konings wil voltrekken?
IFIGENIE.

k Zet hem met woorden om; ik kan t niet anders dekken.

ORESTES.

De glei legt zeilreede, om te gaen op Gods genl.

IFIGENIE.

Bezorgt gij t overige, opdat d aanslag wel besla.

ORESTES.
Een eenig schort hier aan, dat d aanslag blijf verholen:
Bezweert dees vrouwen en vermaant ze, om niet te dolen,
Een vrouwetong verwekt medoogen in den mensch.
Ik hope, al t ander zal beslaan naar onzen wensch.
IFIGENIE.

O, waarde vrouwen! k heb mijn opzicht op u allen:
Mijn leven hangt aan u en hoe dit uit wil vallen,
Of wel, of kwalijk en versteken van mijn land
En waardsten broeder, en mijn waardsten bloedverwant.
Dit zij t begin dan van mijn rede, t overwegen,
Hoe alle vrouwen van nature zijn genegen
Tot onderlinge liefde, en, tot een toeverlaat,
De hand te houden aan den algemeenen staat.
Zwijgt stil, en helpt onz vlucht. Men looft getrouwe tongen.
Gedenkt, hoe hier een trits van vrienden, hard gedrongen,
Al teffens n gevaar geperst is uit te staan:
Te keeren in hun land al teffens hier vergaan.
Raak ik behouden, gij zult ook dien zegen erven;
k Zette u behouden en verheugd op Grieksche werven,
Weshalve bidde ik u, hij uwe rechte hand,
En u en u en u, met mond en kusverband,
Bij ue trouw en bij de liefste in uw geslachten,
Bij vader, moeder, en uw kinders: leert u wachten.
Wat zegt ge u hier toe? Hoe sterkt ge dit verzoek?
Wie kan het weigeren? Maakt ge u hierinne t zoek,
Dan is t voorwaar met mij en broeder omgekomen.

REI.

Mevrouw! schep goeden moed; volhard hij t voorgenomen.
Wat onS belangt, van ons wordt niet Een woord gerept
(Dat weet Jupijn!) van al wat gij geboden hebt.

IFIGENIE.

Het ga u wel om zulk een antwoord, rijp van reden.
Uw aller plicht vereischt terstond in t hof te treden;
De koning van dit land zal straks verschijnen, om
Hier t onderzoeken, of men voor het Heiligdom
De gasten heeft geslacht, gewijd tot offeranden.
Eerwaardigste Godin, die, t Aulis aan de strands;
Mij voor t moorddadig zwaard van vader hebt bevrijd,
Beho me en deze mede, in dezen bangen strijd,
Of Grieken zal om u, liegt d antwoord uit Gods kooren,
Nooit Delfi zoeken, om Apollos mond te hooren.
Maar nu verzoenbaar, sche uit dit verwaten land;
Trek heen naar Pallas stad, daar zij d olijven plant.
Het voegt u langer niet te blijven hij dien wreede,
Nu gij moogt wonen in een zegenrijke stede.

REI.
Ie KEER.

Halcyon, die, met rouw belan,
Om Pontus rotsstrand henen,
Uw droevig onheil zingt met stenen,
Een zang, bij wijzen slechts verstaan,
En uwen man doorgaans bekleegt,
Met golmende gezangen,
k Gelijke mij, van druk bevangen,
Bij u, waarvan het strand gewaagt.
Ik, hier een vogel, zonder schacht
En onvoorzien van pennen,
Verlang naar Griekenland te rennen,
Uit lust ten Godheid van de jacht,
Die op den berg van Cynthus vaart,
Met palmen, groen van bladen,
Laurieren en olijf geladen,
Latonas dochter lief en waard.
k Wensch zwanen, tot gezang geboren,
Aan t water daar met lust te hooren.

Ie TEGENKEER.

Het stond me op tranen, toen de stad
Ten ner plofte, ik most varen
Met vreemde roovers door de baren,
Om goud geveild en opgevat.
De spruit van Agamemnon moet,
De maagd, een priesterinne,
Ten dienst den wufte Jachtgodinne,
Een plengster van het hartebloed,
Hier dienen met een offerboet,
En schaffen offeranden
Van vee, om op t altaar te branden,
Met een doorgaans bedrukt gemoed.
Gij zijt de zwarighen gewend,
En hoeft ze niet te leeren
Verdragen; doch de kans kan keeren
Met eonen zwaai, na lange elend.
Na zacht gevlei van goede dagen,
Is t juk van rampspon zwaar te dragen.

IIe KEER.
Be glei met vijftig riemen zal,
Befaamde maagd! u slingren
Naar Argos met den dans den vingren
Op Faunus fluit. Dat zoet geschal
Bestelt den roeyer kracht en moed.
Apollo spoedt het varen
Met zijne lier van zeven snaren,
En zingt en speelt u, door den vloed,
Aan t vruchtbre en vette Atheensche land.
De snelle riemen streven
Door zee; ik, eenzaam hier gebleven,
Sla mijn gezicht naar u van strand.
De winden vallen in het zeil
Van achter. Touwen rekken,
Terwijl de winden lustig trekken,
En t schip door zee bruist tot uw heil,
Op heesch klaroen en zeetrompetten,
Om recht Pirus in te zetten.
IIe TEGENKEER.
Och! kwam ik op de klare baan,
Daar t brandend vier der zonne,
Der hemellichten ar en bronne,
Gewoon is jaarlijks om te gaan;
k Zou, recht in top van t oude hof
Vol kamers, hangen blijven,
En op mijn taaye vleugels drijven
In t hart den reyen, daar met lof
Ik, maagd zijnde, in de bruiloft stond,
En voor mijn moeders voeten
Bevalligheden kwam ontmoeten,
En voerde ze ten danse in t rond.
k Was uitgestreken met de pracht
Van rijke feestgewaden,
En puik van allerlei cieraden,
Daar t al most volstaan in zijn kracht;
Haarlokken schaduwden mijn kaken,
Waar op de rozen schooner blaken.
THOAS.
Waar is, waar spreke ik nu de Grieksche kerkkosterin?
Heeft zij de gasten al gewijd voor onz Godin?
REI.

Hier is ze, o koning! die u ren geeft van haar werken.

THOAS.

Wel, Agamemnons kind! draagt ge uit Dianes kerken,
Dat ongeoorloofd is, dit kerkbeeld met uw hand?

IFIGENIE.

Ho stand, heer koning! Och, ho toch een luttel stand!

THOAS.
Wat recht ge nieuws aan? Zeg me, o Ifigeen! doe kennis.
IFIGENIE.

Ik, zuivere, antwoorde u: mij gruwt van zulk een schennis.

THOAS.
Wat brengt ge nieuws voor? spreek recht uit, beknopt en klaar!
IFIGENIE.

Gij vingt hier offers op, ten smette van t altaar.

THOAS.

Hoe west ge dit? Of spreekt ge slleen naar uwe meening?

IFIGENIE.

Het kerkbeeld keerde zich, daar t stond, om dees verkleening.

THOAS.

Van zelf? of keerde t door aardbeviug met een zwei?

IFIGENIE.

Van zelf, en onz Godin look d oogen alle be.

THOAS.

Wet s d oonzaak? zijn de vreemde ontzniverd door hun leven?

IFIGENIE.

Dat is t, en anders niet: mij schnikt, tgeen zij bedreven.

THOAS.

Vermoordden ze op hun kust een aangekomen gast?

IFIGENIE.

Zij kwamen herwaart aan, met huismoord zwaar belast.

THOAS.

Wat huismoord? t lust me, dit te hooren en te weten.

IFIGENIE.

Zij hebben be vervloekt hun moeder doodgesmeten.

THOAS.

O, God Apollo! dit s in t Noorden nooit gehoord.

IFIGENIE.

Heel Grieken dreef ze weg, en schupte ze uit de poort.

THOAS.

Zoo brengt ge t beeld hierom naar buiten van het outer?

IFIGENIE.

Om t af te wasschen, in dees lucht, heel rein en louter.

THOAS.

Hoe kreegt ge kennis van den vreemdelingen smet?

IFIGENIE.

Toen t kerkbeeld op t altaar gekeerd stand en verzet.

THOAS.
Gij vat het recht, als opgevoed bij Grieksche wijzen.
IFIGENIE.

Hun blijde tijding streelt mijn hart, dat d aders rijzen

THOAS.

Zoo brengen ze u wat goeds van Argos, uit de zee?

IFIGENIE.

Mijn eenig broer Orest leeft nog in rust en vre

THOAS.

Zoo wilt ge om deze maar hen sparen bij het leven?

IFIGENIE.

En vader is gezond en frisch tot nag gebleven.

THOAS.

Gij gingt, Diaan ten dienst, dan uit de kerk met ren?

IFIGENIE.

Als die gansch Grieken bate, om t onheil daar gelen.

THOAS.
Waar nu gebleven met dees vreemden uit de baren?
IFIGENIE.
Men moet d instelling van de kerkwet rein bewaren.
THOAS.

Hoe komen waschvat en uw degen van den band?

IFIGENIE.

Ik wil ze eerst zuiveren kerkplechtig op het strand.

THOAS.
Met eene bronar, of in zoute waterplassen?
IFIGENIE.

De zee is machtig, al de vlekken af te wasschen.

THOAS.
Het offer der Godin zal heilger bestaan.
IFIGENIE.

En mijne tempelplicht ook heiliger bestaan.

THOAS.
Komt hier de zeetong niet Dianas drempel likken?
IFIGENIE.

Wij hoeven eenzaamheid, en moeten meer beschikken.

THOAS.
Zoo breng hen, waar ge wilt; k wil geen geheimnis zien.
IFIGENIE.

Mij past, het outerbeeld in t loutren eer te bin.

THOAS.
Met ren; het is, bevlekt met moederslacht, te schromen.
IFIGENIE.
Ik had het anders uit den tempel niet genomen.
THOAS.
Godvruchtigheid, met vlijt gepaard, een ieder sticht.
IFIGENIE.
Hoor, wat me staat te doen.
THOAS.
                                            Dat meld me naar uw plicht.
IFIGENIE.
Men boei de gasten.
THOAS.
                                Hoe, opdat ze niet ontvlieden?
IFIGENIE.
Een Griek is trouweloos.
THOAS.
                                        Gij, dienaars! boeit henlieden.
IFIGENIE.
Men breng de gasten hier!
THOAS.
                                           Het zal terstond geschin.
IFIGENIE.
Men dekke d oogen, dat zij t zonnelicht niet zien.
Bestel me ook eenen stoet van uwe lijftrouwanten. (*)
THOAS.
En om wat ren?
IFIGENIE.
                          Om al dien hoop in stad te planten. (*)
THOAS.
Opdat er geen verschijne omtrent dien offerslacht?
IFIGENIE.
Dat waar een gruwelstuk.
THOAS.
                                        Ga heen, getrouwe wacht!
En zeg, dat niemand dit slachtoffer dicht genake.
IFIGENIE.
Geen van de vrienden hoedt de stad met zulk een wake.
THOAS.
Gij tuigt van mij hetgeen op u veel beter slaat,
Naardien het gansche om u verwonderd staat.
IFIGENIE.

Nu sta hier voor de kerk.

THOAS.

                                        Om wat te doen en leeren?

IFIGENIE.

De kerk te zuiveren met goud, opdat in t keeren
Gij haar gereinigd vindt, wanneer de gasten hier
Aankomen.

THOAS.
                  Wat verricht ik dan naar s kerks manier?
IFIGENIE.

Gij moet uwe oogen met een zijden sluyer dekken.

THOAS.
Om met geene offerslacht mijne oogen te bevlekken?
IFIGENIE.

En drale ik u te lang?

THOAS.
                                  Hoe treffe ik best de maat?
IFIGENIE.

Het geve u dan niet vreemd. (*)

THOAS.

                                            Beschik, wat hier toe staat.

IFIGENIE.

Och, of dees zuivering besloeg naar mijn gebeden!

THOAS.
Ik bidde desgelijks hetzelve uit rijpe reden.
IFIGENIE.
Ik zie de gasten nu aanstappen uit het buis,
De jongelingen, en het Heiligdom, heel kuisch,
Om dien vervloekten moord door offerslacht te vagen.
Ik zie de fakkels voor de gasten henedragen,
En tgeen de loutering van hun en t kerkbeeld eischt.
k Gebi den burger, dat hij vour dees znuvring deist:
Zoo eenige kostrin de hand wil rein bewaren,
Of hnwlijk sluiten, of in arbeid gaat van baren,
Vertrekt en wijkt, opdat gij smet ontvaugt noch hoon!
O, dochter van Jupijn en dochter van Latoon!
Wassche ik hun doodslag af, en offre hen ter stede
Daar t voegt, gij zult voortaan, in veiligheid en vrede,
Gerust een zuiver huis bewonen zonder vlek,
En wij gelnkkig zijn. Schoon ik nu niet ontdekk
Het ovrige aan de Gon, veelkundig en ervaren,
Nag lust mij, o Diaan! dus veel u t openbaren.

De tweeling van Latone
God Febus, met zijn gouden haar,
Verdient dat elk hem krone,
Om zijn vernuft en harpesnaar.
Diane, schoon van stralen,
Is fiksch op schieten afgerecht,
In Delos vruchtbre dahon.
De moeder van t stilstaande en slecht
Bronwater, toen zo scheidde
Van t eiland, overal befaamd
Door bun geboort, geleidde,
Droeg ze op de kruis Parnas genaamd,
Den Wijngod toegeschreven,
Daar een de draak, een aardsch gedrocht,
Den rug hadde opgeheven,
Vol spiklen van natuur gewrocht.
De muil zag rood en bloedig,
Vol kopre tanden. Zulk een dier
Bewaakt Gods antwoord moedig,
In schadnwe van lauwerier.
O, Febus! gij, nog teder!
En hupplende op uw moeders arm,
Schoot dien spelonkdraak neder,
Begost, op s vreemdelings gekerm,
Den vragende te paayen,
Gezeteu op den drievoettroon,
Heel schuw van t zaad te zaayen
Der logentaal, te koop om loon,
Daar lang Castaalje, in waarde,
Haar water uitgiet klaar en puur,
En t navelpunt der aarde
U kent voor zijnen uagebuur.
Maar Febus raadt in t ende
Vrouw Themis, telg van t aardrijk, aan,
Verstoot ze in droeve elende
Uit d antwoordkoorspelouk, die waan
Eu zinnepoppen baarde,
Ook velen t aanstaande en t verlen
Eu t voor de hand verklaarde,
Wat in den droom op t bed verscheen;
Want d Aarde, door t verspreken
Van t kroost den bitse nijdigheid, (*)
God Febus had versteken,
Eu hem s waarzeggers dienst ontzed.
De koning, snel van voeten,
Streeft naar den troon van God Jupijn,
En klaagt hem, na het groeten,
Hoe hij nu kwam, in armen schijn
Met lege handeu klagen,
Eu bad hem vierig, s aardrijks haat
En Delfis antwoord toch te jagen
Uit Febus kerke, nu versmaad.
Jupijn begost te lachen,
Naardien de zoon, zoo ras en snel,
Hem kwam om inkomst prachen
Eu winst voor zijn spelonkkapel.
Hij schudt het hoofd en weigert
Dees bede, schort het droomgenot,
Neemt wwg het hooggesteigerd
Bedrog, gedwougen met een slot,
Beschikt dus Febus waarde,
Beschikt den volken heilig dicht,
In eenen hoop vergarde.
Een ware spellinge, uit het licht
Van zijnen troon daar boven,
Een afscheid waard te loven!

BODE.

O, kosterinnen van altaar en kerk! waarheen
Is Koning Thoas, dien wij zoeken, nu getren?
Sluit op de hofpoort; roept terstond den landsheer buiten!

REI.
Wet s dit? Zei ik, hetgeen mij niet gebon is, uiten?
BODE.
Twee kuapen, door den raad van Agememnons kind,
Vervlogen uit dit land te water heel gezwind,
Met eene Grieksche glei, die zij ter sluik bevrachtten
Met ons Dianas beeld, hetwelk wij heilig achten.
REI.
Gij zegt hetgeeu men nauw gelooft dat kan geschin.
De koning van dit rijk, dien gij begeert te zien,
Ging haastig uit de kerk.
BODE.
                                        Waar ging hij henestreven?
De vorst moet weten, wat de vreemden hier bedreven.
REI.
Wij weten t niet; hierom, ga hene, jaag hem na,
Eu openbaar dit zelf den koning niet te sp.
BODE.
Ai, zie, hoe trouweloos zijn vrouwen! Zie haar nukken.
Gij zijt handdadigen aan haar lasterstukken.
REI.
Gij raast. Wij kreunen ons de vlucht der vreemden niet.
BODE.
Zult gij de hofpoort niet ontsluiten? Wacht u, ziet!
REI.
Niet, eer een tolk ons melde, of nu de koning binnen
Of buiten t hof ging.
BODE.
                                  Op, sluit op, om tijd te winnen!
Ik zegge nog: sluit op! Hofwachters, gaat terstond
En zegt den koning aan, uit mijnen eigen mond,
Dat hier de bode komt, met onverzierde maren
Van rampen, boodschappen hoe t heden is gevaren.
THOAS.
Wie raast en klopt dus voor de kerkdeur van Diaan,
Eu jaagt een doodschrik op het lijf die binnen staan?
BODE.
Dees logenachtigen mij van den tempel dreven,
Eu zeiden, gij waart uit, en zijt nog hier gebleven.
THOAS.
Wat winst verwachtten zij? wat zochten ze hier door?
BODE.
Dat melde ik u, o vorst! hier na; nu luister, hoor
Wat voor de hand is. Dees gewijde aan onze altaren,
Ifigenie, is uit den lande weggevareu,
Met deze gasten en het kerkbeeld, schoon van straal.
Haar offerlouteren is loutre logentaal.
THOAS.
Wat zegt ge? Van wat wind ten kwader uur gedreven?
BODE.
Geeft u dit vreemd? Zoo bergt ze Orestes en zijn leveu.
THOAS.

Wien bergt ze? Tyndars zoon, haar broeder? Tyndars zoon?

BODE.
Dien zij Diane toegewijd hadde om te don.
THOAS.

O, gruwelstuk! wat naam, wat vloek brengt gij niet mede?

BODE.
Hier denk niet aan, maar hoor, belieft het u, mijn rede
En overweegt de zaak en, na t verhalen, let
Met welk een troep gij hen op t spoor volgt en bezet.
THOAS.
Gij raadt me wel. Zij zijn heel diep in zee gesteken,
Opdat ze vluchteude mijn speer en schicht ontweken.
BODE.
Nadat we t bare strand genaakten, daar Orest
De roofglei mernde al stil in t bochtig strandgewest,
Zoo wenkte ons (die, van u tot wachters megezonden,
De gasten hielden wel zorgvuldig vastgebonden)
De koninklijke maagd, dat wij van haar een stuk
Afweken, opdat zij, op haren aanslag tuk,
t Geheime zuivervier ontsteken mocht en branden;
Maar zij hield hare hand geslagen aan de banden
Der vreemdelingen, dat ons in nadenken bracht.
Nog volgden we het spoor der bende naar onz macht.
Ten leste, opdat ze scheen wat anders aan te vangen,
Zoo stak ze een keel op. huilde, en zong bedroefde zangen
In t Grieksch, als die den moord wo spoeleu in den vloed.
Na lang stilzitten schoot ons in, of t uitheemsch bloed,
Van band geslaakt, haar hier mocht moorden, dan ontvlieden.
De vrees nochtans, om niet t aanachouwen t geen onslieden
Niet vrijstond, hield ons lang vast zitten, stom en stil.
Na t zitten sloten wij, met een gemeenen wil,
Te stappen derwaart zij bijeen gezeten waren,
Al zou men t ons verbin. Daar zien we, reed te varen,
Een Gnieksche glei, voorzien met riemen, schrap en vlug
Om zee te kiezen, als met vleuglen op den rug
Gehecht, en vijftig met de riem gereed te roeyen,
De gasten achter op, geslaakt van band en boeyen,
Aan t sturen met den boom; maar andren winden vast
Het anker voor den boeg. Een ander recht den mast,
Of vliegt de touwen op en redt ze, en spant de zeilen,
En laat mevrouw op strand. Wij, ziende deze onheilen
En loze treken van de maagd, bezweken niet,
Noch spaarden arrebeid, noch moeite, noch verdriet.
Wij houden t hoofdtouw vast, en rukken, eer ze spoeyen.
Met kracht de dollen uit. opdat ze ons niet ontroeyen.
Daar twisten we onderling: wat spoedt ge uw reis ter zee,
En voert de priesterin en t heilig kerkbeeld me?
Waarom verstout ge u een verkochte maagd te rooven
Hij antwoordt hun: Orest vervoert naar Argos haven
De lang geschaakte, die men weder hier bekwam,
Zijn zuster, eene telg uit Agamemnons stam.
Wij houden ze evenwel, om dit geweld te wereu,
En dwingen ze, om met ons naar u ten hoof te keeren,
Waanop zij schriklijk ons in t aanzicht randen aan.
Wij trokken geen geweer, noch zijlin ook, maar slaan
Met drooge vuisten toe, en be de jonglings raken
Ons op de borst en t hart, dat al de ribben kraken.
Wiu, dus geteisterd, vlin de rots op, heel geschend;
De leden, gansch vermoeid, bezwijken in het end.
De mond en tanden blon en d oogen en de wangen.
Wij vechten veiliger. daar we op de steenrots hangen;
En smijten steenen; maar de schutters in het schip
Beschieten ons van ver met pijlen op de klip.
Het slingrend schip wordt door de golf naar land gedreven;
Matrozen durven zich te water niet begeven.
Toen komt Orestes fluks nerstijgen in de zee;
Hij neemt zijn zuster op den arm en schonder me,
En, langs den valreep steil en schichtig opgevlogen,
Zet haar in t schip, waarop het beeld, uit s hemels bogen
Omlaag gedaald, begint te spreken op dees wijs:
O, Grieksche zeelin! valt aan t roeyen, elk om prijs,
Dat al het water schuimt. Wij hebben ze. Wij wonnen
Den schoonen buit, waarom men herwaart kwam geronnen,
Tot in d Euxijnsche zee, door t schrikkelijk geklots
Der Cyaneesche tegens een geklonke rots.
Zij streven, op dees stem, door t water dat ze stenen.
Het schip, zoo lang het in de haven is, spoedt henen,
Maar t elkemaal het uit de bocht des inhams vlng
Zou varen, smeet de gof en barning het terug;
Want bijster onwer, uit het Zuiden opgestoken,
De vaart belette. Zij, geleerd op alle streken
En buyen, streven vast hier tegens aan met macht.
De koningsdochter valt aan t bidden met dees klacht:
Latones spruit! beho me, uw tempelpriesterinne,
Dat ik, van dezen grond verlost, Athene winne;
Vergeef me t schaken van uw Heiligdom ; want gij
Bemint uw broeder ook. Gedenk, Godin! dat wij
Ons bloedverwanten me beminnen naar t betamen.
Matrozen hooren dit gebed, en roepen t zamen:
God wouds, ten goeder tijd! Zij manen op een rij
Elkandren rustig aan, en slaan van wederzij
De handen aan den riem; doch t schip, dat voortgang weigert,
Komt met den vloed allengs naar strand toe nergesteigerd.
Dees springt in zee, om t schip te zetten van het zand;
Die winden t anker voor den boeg gemeenerhand.
Men vaadigde mij af, als een der gauwste knapen,
Om u te melden, hoe het ginder staat geschapen.
Men ga dan hene, en haal de boeyen bij der band;
Bedaart de zee niet, k zie dien ganschen hoop gestrand.
De zorg des Zeegods heeft nog Troje niet vergeten;
Want hij, op Pelops stam en telgen fel gebeten,
Zal Agamemnons zoon den burgeren en u
Met recht nu leevren, en Orestes znster, schuw
Van Aulis in het eerste, om t offer voor de schepen.
Zoo wordt d ondankbre van de Kerkgodin gegrepen.
REI.
Rampzalige Ifigeen! nu raakt ge t onbedacht,
Met uwen bror Orest, nog eens in s konings macht.
THOAS.

Gij, burgers algelijk van deze ongrieksche kusten!
Welaan, wat sammelt ge, de paarden toe te rusten;
Te rennen strandewaart? Zult gij de Grieksche glei
Niet nemen, en met hulp van t goddelijk gelei,
Dees Goddeloozen, op de vlucht, met kracht aanrannen
De sommigen het schip heenstrevende vermannen,
Te water en te land, met macht van ridderschap.
Om hen te vatten en te slingren, fel en rap,
Van eene steenrotse, of, met eenen paal geslagen
Door t lichaam hene, zelk een sprong te leeren wagen?
Maar gij, o vrouwen, wel bewust van dit verraad.!
k Wil op zijn tijd u zulk een schendige euveldaad
Verleeren; nu gobiedt de tijd het werk te spoeyen,
Niet stil te zitten, eer de schelmen zeewaart roeyen.

MINERVE.

Waar heen, o koning? Waar vervolgt ge met dien troep?
De vluchtelingen? Sta, en hoor Minerves raad,
En staak dees najacht, staak t verdagen van uw bende!
Apollos antwoord stnurde Orestes, vol elende,
Om zicb, bereden van de Razernij, t ontslaan,
Zijn zuster t Argos thuis te voeren, zeewaart aan,
En t heilig outerbeeld op mijnen grond te planten.
Ik zelve ontvouwe u dit. Orest met zijn trouwanten,
Die gij wilt dooden, daar de zeestorm hen bezwaart,
Is van Neptuun, ten dienst van mij, in nood bewaard.
Hij roeit vast door de zee. Orest! hoor mijn geboden.
Gij hoort mijn stem omhoog, al zijt ge ver gevloden.
Aanvaard het kerkbeeld en uw zuster, en wanneer
Gij blij t Athene komt, gesticht tot Pallas eer,
Daar legt een plaats gewijd, in d Attikaansche palen;
Omtrent Karystus boord, bij t volk in groene dalen
Geheten Halss; bonw en wij daar eene kerk,
En plant het kerkbeeld van Diane, tot een merk
Van uwe zwarighen, genoemd Diane in t Noorden6,
En ter gedachtenis van t leed, uit t moedermoorden,
In t ommezwerven door gansch Griekenland gelen,
Door drift der Vloekgodinne in vlekken en in sten.
Men zal hierna het beeld van Tauren plechtig eeren:
Dan stel een kerkwet in voor die op t feest verkeeren,
En vieren het ontslaan van uwe moederslacht.
Men prikke met een zwaard een manshals week en zacht,
Dat die zijn bloed late, om de schuldige eer te geven
Om dees Godin; en gij, o Ifigeen! verheven
Ter kerkkosterinne, zult te Brauron voor Diaan
De tempeltrappen, haar geheiligd, gadeslaan.
Als gij begraveu legt, dan zal men, naar s lands zeden,
U nog gedenken, en opdragen zijde kleedeu
En sluyers, die de vrouw, in barens last en uood
Gestorveu, binneu t huis ontruimde met haar dood.
k Bevele u dezen rei Griekinuen, droef aan t schreyen,
Trouwhartig uit het land te helpen en geleyen;
Dewijl
ik u behoede en gij naar weusch, in t veld
Van Mars, met evental van stemmeu zijt hersteld;
En o Orest! Ik wil voortaan, dat, tot hun voordeel,
Den stemmen evental gedaagdeu berge in t oordeel.
O, Agamemnons zoon! voer zuster van dees kust;
En gij, o Thoas! toom uw gramschap in en rust.

THOAS.

Minerve, s Koningin! wie zou den wil der Goden
Niet volgen, nu dit wordt van hoogen hand geboden?
Gewis, hij waar niet vroed. Ik wil Orestes dan
Naeh zijne muster uiet vonvolgeu, schoou hij van
t Altaar het kerkbeeld scheekte, en vlood met zijn gezellen.
Het voegt niet, tegens uw vermogen zich te stellen.
Men laat ze varen met ons kerkbeeld naar uw land.
Het werde op uw altaar ten goeder tijd geplant!
k Wil deze vrouwen in t gezegend Grieken zenden,
Op uw gebod, en mijn gedaagde ridderbenden
Terugge houden van uitheemschen en hun schip.
Ik loof tgeen u gevalt, en rust hier stil en stip;
Want aller Gon begeerte en d uwe sta nu boven! (*)

MINERVE.
Matrozen! vaart vrij hene, en voert den lang verschoven
Orestes, braven zoon van Agamemnon, heen
Naar mijn Athene toe. k Gelei me, en wil met een
Mijn zusters Heiligdom voor smette en schendvlek hoeden.
Vaart heen, naar t Hemels wil en schikking, door de vloeden,
            En slijt, bevrijd van druk,
            Uw dageu met geluk!
REI.
Eerwaardigste onder Gon en menschen!
Wij volgen, Pallas! naar ons wenschen,
Op Uw gebod. Ik hoorde daar
Een onverwachte blijde maar,
Eerwaardige, overgroote zege.
t Is ren, dat ik dit overwege
Mijn leven lang, en zulk een kans
Bekranse met den lanwerkrans. (*)

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001