Joost van den Vondel (1587-1679)

JEPTHA OF OFFERBELOFTE.

INHOUDT.

Jeptha, Galaäds natuurlijcke zoon, wert, na zijn vaders doot, van zijne broederen, als onwettigh, uit het erfdeel gestooten. Hy, van nootdruftigheid aengeperst, geneerde zich by Heidenschen roof, en gaf treflijcke proeven van dapperheit; dies hem de bloetvrienden, en Hebreen, van d’Ammonners beoorloght, uit noot ten veltheere, lantvooght, en rechter kozen, om zich t’ontlasten van het afgodische juck der slavernye, achttien jaeren lang gedraegen. Hy hierop te velde  treckende, beloofde Gode, indien het heir d’overhant behielt, op te offeren wat hem eerst uit zijne poorte zoude bejegenen. Hier na zeeghaftig wedergekeert, gemoete hem Zijne eenige dochter, die zich gehoorzaem en gewilligh ten offer instelde, behoudens datze twee maenden haeren maeghdelijcken staet op de bergen moght beschreien, het welck de vader haer toestont. Middelerwijl stonden d’Efraïmmers uit haet en nijt tegens hem op, die hy in eenen veltslagh verdelghde: waer na de dochter van de bergen, de vader uit den slagh weder gekeert, haer Gode ten brantoffer opofferde.

Het tooneel is voor het hof te Masfa. Het treurs pel begint voor den opgang, en eindigt met den ondergang der zonne.

De stof is genomen uit het boeck der Reckteren.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001