Joost van den Vondel (1587-1679)

INLEIDING TOT JEPTHA OF OFFERBELOFTE.

Brandt vervolgt na verteld te hebben hoe Vondel door voorspraak van Anna van Hoorn bij de Bank van Leening werd aangesteld (zie aant. Anna van Hoorn, Opdracht): „Hier door was hy wel bewaart voor armoede, maar vondt zich verplicht den ganschen dagh op de bank te passen, de Heeren, die daar van stadts weeghen ’t beleidt en opzicht hadden, met ontdekten hoofde ten dienste te staan: en zyne kunstpen, gewoon den hooghen tooneelstyl te schryven, en verheve gedachten op papier te brengen, most zich hier vernederen, (dewyl hy Boekhouder van de beleenbank was) om de panden, daar men d’ arme of verlegene luiden geldt op leende, te boek te zetten: ’t welk dien hooghvliegenden geest haast verdroot. Ook begon hy, als er maar weinig tydts overschoot, die uuren aan de Poezy te besteden, en allengs, het Lombaardtwerk meer en meer moede, den dienst, hem opgeleidt, te verzuimen, en in plaats van panden vaarzen te schryven. Daar vielen wel eenige klaghten over dit verzuym; maar de Heeren van de Bank zaagen zyn doen en laaten heuschelyk door de vingers, en leidden ’t op zynen ouderdom. Dit duurde tot in ’t jaar MDCLXVIII Toen hebben de heeren Burgermeesters, weetende hoe weinig dienst de bank van hem trok, hem van zyne bedieninge ontslaagen, mits behoudende zyn wedde: ’t welk meest door voorspraak van den Heer van Polsbroek. Kornelis de Graaf, den Burgemeester Lambert Reinst, en de gunst des Heeren van Vlooswyk werdt uitgewerkt. De Heer van Oudtshooren gaf hem en al was zyne inkomst niet groot, hy hieldt zich met luttel te vreede, versleet de rest van zyn daagen gerustelyk met genoegen, en leefde noch byna elf jaaren.

Geduurende zyn verblyf in de bank van leeninge dichtte hy noch verscheide treurspeelen en andre werken van meer belang. In den jaare MDCLIX braght hy zyn’ Jeptha, of Offerbelofte, in ’t licht, aan de Vrou van Vlooswijk, tot een teeken van dankbaarheit, toege-eigent. Een treurspel uitneemend in allen deele: zulks geschikt, dat het, gelyk hy in ’t Berecht na d’opdraght aanwyst, alle de tooneelwetten der ouden, met naamen van Aristoteles, zyns oordeels voldeelde.

Wij wijzen ten aanzien van Vondels „Berecht dat latere uitleggers van Aristoteles’ geschrift onder peripetia niet staetveranderinge of lotswisseling verstaan maar eerder „onverwachte wending . Ook het woord agnitio wordt anders opgevat: Vondel vat het op als het tot inzicht komen van eigen schuld, maar blijkbaar heeft Aristoteles hier aan de veel bij de Grieken voorkomende ontknooping gedacht, waarin op het eind van het stuk de hoofdpersonen elkaar plotseling als bloedverwanten herkennen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001