Woordenlijst 3e bedrijf Jeptha of Offerbelofte Joost van den Vondel (1587-1679)

Exodus 2:3 Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin, en legde het in de biezen, aan den oever der rivier.
Exodus 2:4 En zijn zuster stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou worden.
Exodus 2:5 En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen.
Exodus 2:6 Toen zij het open deed, zo zag zij dat knechtje; en ziet, het jongsken weende; en zij werd met
barmhartigheid bewogen over hetzelve, en zij zeide: Dit is een van de knechtjes der Hebreen!
Exodus 2:7 Toen zeide zijn zuster tot Faraos dochter: Zal ik heengaan, en u een voedstervrouw uit de Hebreinnen roepen, die dat knechtje voor u zoge?
Exodus 2:8 En de dochter van Farao zeide tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging, en riep des knechtjes
moeder.
Exodus 2:9 Toen zeide Faraos dochter tot haar: Neem dit knechtje heen, en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het.
Exodus 2:10 En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Faraos dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.
Exodus 2:11 En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broederen, en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwsen man uit zijn broederen sloeg.

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001