Joost van den Vondel (1587-1679)

JEPTHA OF OFFERBELOFTE.

HET EERSTE BEDRIJF.

HOFMEESTER. FILOPAIE.

HOFMEESTER.

De tijding van uw  heer vooruitgevlogen
Jaeght u voopr den dagh ten bedde uit, en uwe oogen
Gaen op, eer t licht den hemel open sluit.
Al t hof krioelt, de blyschap moet er uyt.
Men rust zich toe, om zegenrijck te pralen
En Jeptha wer met staetsie in te haelen.

FILOPAIE.

t Heb jaeren lang geworstelt en gestren
Met rampen: noit waeide een buy alleen
Mij over t hooft, of dandre stont er neffens;
Maer nu, Godt lof, komt mijn geluck al teffens
My thuis. k Verwacht mijn dochter thuis van daegh
Van t hoogh geberghte en hoor de nederlaegh
Van Efram. Godt zegende s lants hoeder.
Hoe weeligh valt de dochter haere moeder,
De brave helt zijn blijde bedtgenoot
In darmen, als een dau in s aerdrijck schoot!
Hoe vrolijck zal ickze alle bey bejegenen!
Geen vloecken schaen, als Godt dit hof wil zegenen.

HOFMEESTER.

Toen Godt dit hof wou zegenen, verdween,
Verstoof het hier van Ammon en al scheen
Ons Efram verre over t hooft gewassen,
Een hooger maght kon hem ontharrenassen.

FILOPAIE.

Indien oit vrou van blyschap sterven kon,
Is t wonder, dat ick levendigh de zon
Verwacht; zoo had de blyschap al de geesten
Van t hart gezet
, toen ick, op deer der feesten,
Mijn lief in zijn triomfe, na den slagh
En Ammons val, verwellekomde en zagh
Hem heerlijck hier te Masfe t hof opvaeren
Door al den drang en toevloet van de schaeren.
Ick zeegh, op dat gezicht, ter aarde in t stof.
De hofstoet droegh my, als een lijck, op t hof,
Totdat mijn hart bequam, natuur zich redde.
Mijn dochter stont bekreeten voor het bedde
En steende en kermde en zuchte in zulck een noot.
De vader sprack: nu moeder is niet doot;
Zij krijght haar verf. Toen kusteze mijn wangen
En bleecken mont, uit hartelijck verlangen.
Ick quam, gelijck de zon uit eene wolck,
Te voorschijn, toegejuicht van t hof en volck.
Nu wort die vreught verdubbelt, want wy hooren,
Dat Efram den veltslagh heeft verloren,
Voor Jeptha vlught naar doevers der Jordaen.
Zoo moeten al Godts vyanden vergaen.

HOFMEESTER.

Mevrouw, t is kunst de blyschap in te toomen,
Zoo wel als rouw te maetigen. Wy koomen
In beide wel te kort. De weerelt gaet
Door druck en vreught bij beurte. Wie de maet
En regel treft is wijs. De kanssen keeren.
Men spiegle zich aen Jeptha, om te leeren
t Verandren van elcks lot, dan droef, dan bly.
De zwaertzy zet hem hoogh, de spillezy
Vernert hem door donwettighhet in t erven;
Dies hy, geschupt van zijne broers, most zwerven,
Zich eerst in Tob geneeren op den roof,
Daer hy den bloet van t Heidensch ongeloof,
Gelijck een dam, behinderde in te breecken.
Wat heeft zijn deught ons menigmael gebleken!
Het heiloos heir van Ammon quam in t velt
Hereischen al wat Juda met gewelt
Zijn Gon ontruckte, als Isax erfgenaemen
Eerst herwaert uit Egypten over quamen,
Schoon t Ammon niet, maar t hooft der Amorreen
Ontruckt, by ons dry eeuwen achtereen
Bezeten was in pais. Men zat verlegen.
Gasch Galad zocht troost aan Jepthaes degen,
Verhier hierom s lants balling tot s lants hooft,
En over t heir. Op dit verdragh belooft
Hij hun zijn trou, en strijt, als s volcks verweerder,
Win twintig sten, wort hier als triomfeerder,
Te Masfa, na dien zwaeren slagh, begroet.

FILOPAIE.

Mijn dochter juicht hem vrolijck in t gemoet,
Groet vader voor de hofpoort met tamboeren
En reien; maar dit scheen zyn hart tontroeren.
Docht doirzaeck kon ick noit uit hem verstaen.
Daer schuilt iet, my te duister om te raen.

HOFMEESTER.

Niet duister, want het is terstont gebleken,
Hoe Efram den kam quam op te steecken,
By duizenden den zegenrijcken helt
Het voorhooft bin en daegen in het velt,
Daer dallerhoogste uw wapenrecht verdaedight.

FILOPAIE.

De hemel heeft ons weder begenadight.
Zoo schijnt de vorst een Godt, geen sterflijck mensch,
Wien t lot niet dient, het rolt naer mijnen wensch.

HOFMEESTER.

Een teere vrou spat uit, al te ongelaetigh,
In weelde en druck; een manshart draeght zich maetigh
In beide en kent het weifelende lot;
Dat rolt elck toe naer t wijs beleit van Godt.
Niets staet hier stil. Geen blyschap is volkomen.
Geen druck mist troost, en tusschen hoop en schroomen
Verslijt de tijt des levens. Quaet en goet,
Elck heeft zijn tijt en beurte, als eb en vloet.

FILOPAIE.

Ons erfgenaeme en dochter dorst ons vergen,
Of zy een wijl zich eenzaem op de bergen
Verquicken mogth met haeren trouwen rey.
De vader gaf haer vrolijck het geley.
Zij scheide, en nu zijn net, naer dat ick reecken,
Twee maenden, dat my lastigh viel, verstreecken.

HOFMEESTER.

Men zalze haest ten hove weder zien.

FILOPAIE.

k Zal haer met vreught omhelzen, zoo misschien
Geen ongeval, Godt keer t, haer stuit in t keeren.
Een moeder kon misschien haer hart ontbeeren,
Haer eenigh kroost geensins; een kint, nu rijp
En huwbaer, meer dan menschelijk begrijp
Kan vatten, met vernuft verciert en gaven.
Men ziet om t hof de jonge heeren draven
En vlammen op der maeghden bloem; zoo schoon.
Godvruchtigheit spant in het hart de kroon,
Al t elste, daer de hemel haer me zegent.
Gelukkigh die zoo schoon een roos bejegent,
Geluckigher dieze afpluckt, met zijn hant.
Zoo t vrystont zulck een perle, een diamant
Te hechten aen een kroon, t zou Memfis passen:
Maar neen, zis voor geen Heiden opgewassen,
Geen koning, die noch vremt van Moses wet,
Onwaerdigh is dees schoone in t heiloos bedt
Tomhelzen, schoon zijn kroon in top moght steigeren.
Al eyschte haer een koning, k zouze weigeren.
Hofmeester, is t niet recht, bestraf mijn roem.

HOFMEESTER.

Mevrouw, gy noemde uw dochter flus een bloem.

FILOPAIE.

Met ren; is t vreemt, dat ick haer schoonheit prijze?
Een bloem gelijcke?

HOFMEESTER.

                               Ick straf het geener wijze.
Maer zaeghtge noit des morgens bloemen staen.
En vontze voor den avontstont vergaen,
Van brant gezengt, van hagelsteen geslagen,
Of afgemaeit? Wat kan een bloem verdraegen,
Een buye ter genade in ope lucht!

FILOPAIE.

Wat zeghtge? quam u eenigh droef gerucht
Ter ooren?

HOFMEESTER.

                  Neen, ick heb niet quaets vernomen,
Prijs schoonheit, als een gaef, van Godt gekomen,
Maer stelle alleen t verwelcken bij de verf
Der schoonste bloem
. Godt laetze vader erf
Bezitten. k Wensch, dat gy in haer moogt leven
En haere vrucht.

FILOPAIE.

                           Dit wil de hemel geven,
Die, onder tien gebon van Moses wet,
Wie douders eert in zulck een waerde zet,
Dat hij haer heil belooft en blijde jaeren.
Op zulk een wensch wil u de hemel spaeren.

HOFMEESTER.

Dat zy, van t land, de vader, uit den slagh,
U, elck om t blyste, in darmen vallen magh,
Is al mijn wensch; het kan niet lang vertrecken.

FILOPAIE.

Ick hoop, mijnheer zal zelf de bo verstrekken.
Daer, duncktme, hoort men s lants bazuin in t velt.
Ay, zie eens uit.

HOFMEESTER.

                         Verwellekom den helt.
De slotvooght komt, bestuwt met krijghsstandaerden.
Men hoort alre het pruischen van de paerden.

SLOTVOOGHT. FILOPAIE. HOFMEESTER.

SLOTVOOGHT

Ter goeder tijd vinde ick mevrouw gezont.

FILOPAIE.

Hoe staet het? is mijnheer noch ongewont?

SLOTVOOGHT.

Gelijck hy trock om Efram t ontmoeten,
Wiens heirbanier ick offere aan uw voeten
Eerbidigh door t gebodt van uwen heer.
Ontfang dit punt van zege. Godt zy d eer.
Ontfang dien stier, uit louter gout gegoten.
Die stoots was, heeft de horens afgestooten.

FILOPAIE.

Wat zienwe? vreught! gelooft, gelooft zy Godt.
Men steeck dit woort ter tinne uit van het slot.
Opdat het blijck, hoe wy het velt behielen.
Aldus moet Godt de vyanden vernielen,
Die Jeptha en zijn hoogheit wederstaen.

SLOTVOOGHT.

De vyant vlucht aen d oevers der Jordaen;
Gansch Efram zwicht voor Manasses degen.

HOFMEESTER.

Dat Godt voortaen Manasses afkomst zegen.

FILOPAIE.

Verhael den strijt: het zekerste bescheit
Weet gy op t naust. Verhael het wijs beleit.
Mijn yver volghde uw optoght met gebeden
En vasten. Godt heeft zelf voor ons gestreden.
Een post vooruit verkuntschapte ons t geluck
Des strijts in t gros; maer t lust me stuck voor stuck
Te hooren, hoe t zich toedroegh onder t stryen.
t Verhael moet Gode alleen ten prijs gedyen.

SLOTVOOGHT.

Gewelt en haet en nijt zijn uitgebroet
In t Heidensch nest. Een ander heil en spoet
Misgunnen en den bondgenoot bespringen,
Zijn wettigh recht onwettigh hem t ontwringen,
Voeght onbesnen en Filistynschen aert.
Een afgodist, die minst Godts wet bewaert.
Doch Efram niet vry van zulcke vlecken,
Ontziet zich niet oproerigh op te trecken,
Aen dees zy der Jordaene en t vrye veer,
Manasse uit trots te daegen voor de speer,
Toen, Ammon en zyne ysre krijghsgeleden
Getrappelt, wij al teffens twintigh steden
Verlichtten van het juck der slaverny,
Van afgon, zwart van roock en smoockery,
Zoo verre t lant bepaelt wort van vier streecken:
De bergen, en Jordean, en bey de beecken,
Als Arrenon en Jabok, die gelijck
Uitloopen in den stroom van t heiligh rijck.
Wy pooghden t pleit door middelaers te slechten,
t Geschil met ren en geen rappier te rechten,
En hielden t staen vier weecken, eer men vocht.
Elck spant zijn tent van wederzy. Elck broght
Zijn reden in wat hem ten oorlogh porde;
Maer Efram bleef wreveligh en morde.
Geen dreigement ontbrack er naer zijn aert,
Het basterthuis en lant met vier en zwaert
Te dempen, stam en tack en al verdelgen.
O Jakob, zie eens op, hoe uwe telgen
Verbasteren. Zoo hebt gy Esau niet
Bejegent, die u dreigende verstiet.
Men hadde hen niet eens als bondgenooten
Gekent en van den wapenroof verstooten
Op Ammons toght; een ongegront beklagh:
Want toen men trock, getroost om Ammon slagh
Te leveren en aenhielt, datze ons steven,
Ontzeiden zy t. Men trock (het golt ons leven
En eer en staat), den vyant in t gemoet.
Men greep hem aen en zette voet by voet.
Nu had men t Gode en Jepthaes vuist te dancken,
Dat Ammon zwichte. Och, geene artsny kon krancken
Genezen, die des artsens raet versman.
Zij wrockten vast en niemant liet zich ran.
Men rust dan toe om hantgemeen te worden.
Men stelt met kracht de standers in slaghorden.
De morgenzon, die met den heldren dagh
Den wapenoogst der wetgebroedren zagh,
En hun gereet, een nederlaegh te baeren,
Scheen drymael, dootsch van schrick, te rugh te vaeren.
Uw man, in t hart der heirkracht, tuight in t kort
Voor Abrams Godt, dat hy onschuldigh wort
Tot slaen geperst, daer t bloet der wetgenooten,
Gelijck een zee, zal werden uitgegoten.
Hij kent zich vry van wraeck en broederslaght,
Waer door Godts naem ontwijt wort en veracht;
Verblijft het aen Manasse, zijnen broeder,
En Jozefs zoon, van eene zelve moeder
Gebaert als hy; wil trecken ne lijn,
Oock tegens al die Josef vyant zijn.
Dats verre van met zwaert en spiets te deeren,
Die Kanan voor t heidendom verweeren.

FILOPAIE.

Godt, die geen recht om gunst noch afgunst buight,
Hoort wat myn man in t openbaer betuight.

SLOTVOOGHT.

Terwijlze zich dus schrap in orden zetten,
Ging Efram den moedt der benden wetten,
Daer hy alom, vol moedts, in t midden reedt:
Nu houdt u aen dien eens gestaefden eedt,
Die u verbint dit bastertbloet te keeren,
Het welck den leeuw van Juda wil regeeren,
De stammen dwingt, alleen hem naar den mont
Te zien, ons part noch deel aan krijgsheer gont.
Schoon Ammon leght door t bastertbloet verslonnen,
Valt rustigh aen: wy zien den slagh gewonnen.
De krijghsbazuin klickt op van overal.
Zy stooten toe met schrickelijck geschal.
De bodem dreunt op t ysselijck ontmoeten.
Van zeissenradt en hoeve en paardevoeten.
Geschrey, gebriesch, de stofwolck, het gerucht,
t Geklickklack van het harnas, aen de lucht
Gestegen, mengt zich naer in duizent nooden
En jammeren van levenden en dooden.
Men strijt om strijt. Elck staet, gelijck een helt.
Het roode meer schuimt bruizende over t velt,
En winter velt door t openen der aderen,
Die roockende in een boezem hier vergaderen.
Men twijfelt ruim een uur wie t winnen zal.
Men keert zich noch aen dooden, noch getal
Van zielen, die hier sneuvelen; maer echter
Daeght Jeptha Godt, dat hy, de hooghste rechter
t Krakeel beslechte en geeft zich daer de strijt
Het bangste valt. Hij grijpt den bitsen nijt
In t hart aen, wort gevolght van al de braven.
Waer hem de haet opdondren ziet en draven,
Begint de moedt te zincken. Hy dringt door.
Wat hem bestuwt, volght op zijn bloedigh spoor.
Een hemelsch heir, van toorne en wraeck ontsteecken,
Scheen vlammende aen de wolcken door te breecken
Met wapenklanck en luidt bazuingeschal,
Dat vee en volck verschrickte en duin en dal.
De vyant flucks aen t spatten aller wegen;
De ruiters eerst. Het voetvolck stond verslegen,
Wert van de hoef getrappelt en getren.
Een springvloet, als hy doorbreeckt, ziet noch steen
Noch paelwerck aen, acht hooft, noch dam, noch dijcken
Maer gaet met vee en stal en menschen strijcken.
Ons bruizent heir vint nu geen tegenstant.
Uw vorst zit af, danckt Godt, die d overhant
Hem gunt. Hy laet het veer des strooms bezetten
En d overvlught der vyanden beletten;
Verbiet den haet, te kenbaer aen zijn spraeck,
Te spaeren, uit een goddelijcken wraeck.
Wat zag men na den slagh al mannen vellen!
Van duizenden zal t niemant navertellen.
Daer lagh langs t velt een veertighduizenttal.
Zoo gaet met recht de hooghmoedt voor den val.

FILOPAIE.

Hoe zijn wy voor die zege aen Godt gehouden!
Wat wijdt men hem, die alle zijn vertrouden
Beschut, verdelght wat Jeptha met zijn hof
En naem en bloet wou trappen in het stof!

SLOTVOOGHT.

De veltheer, door belofte aen Godt verbonden,
Wil offeren, en heeft my afgezonden,
Om u terstont te voeren, daer de maght
Van t danckbaer heir uw blijde komst verwacht.
Belieft het u, zit op; de hackeneien
En muil staen re. Wij zullen u geleien.

FILOPAIE.

k Zie Ifis van t geberghte in Galad
Alle oogenblick genaecken naer de stadt.
Kan ick mijn heer nu volgen en believen?

SLOTVOOGHT.

k Volgh meesters last en vreeze hem te grieven
Door uw vertreck. Ontschuldigh my, mevrouw.
Gy gaeft aen een soldaet uw hant en trouw.
Een krijghsmanshart kan smaet noch schip gedoogen.

FILOPAIE.

Ick min hem als den appel van mijne oogen.
My trecken man en kint, beide even sterck
Van wederzijde, als in een worstelperck.
Zal ick t ontbodt van mijnen heer misachten?
Of met de zon mijn dochter eerst verwachten?
Hier is geen tijt. Hofmeester, geef me raet.

HOFMEESTER.

Volgh eerst uw heer en zijn triomffeest. Laet
My hier ten hove uwe erfenaeme ontvangen.

SLOTVOOGHT.

Zit op, mevrouw: men wacht u met verlangen.

FILOPAIE.

Hofmeester, ziet dat gy, tot dat ick keer,
Haer onderhoudt.

HOFMEESTER.

                            Hoe luttel, weet ze, heer,
Wat voor een lot haer heden schijnt beschoren.
Daer rijdtze heene en noopt den muil met sporen,
Godt geef, dat zij den huisheer, die haer mijt,
En herwaert draeft, niet onder d oogen rijdt.
Het waer genoegh om dit altaer t ondecken
En t offer, dat men heden wil voltrecken.
De dochter schijnt, uit eene wolck van stof,
Te spoedigen ten berge af naer het hof,
Of t mistme. Ick wil ter tinne uit zien van boven.
Een dunne mist, voor t rijzend licht geschoven,
Belet de zon te schijnen op het slot.
Zy rijdt bedeckt ter kimme uit. Goede Godt,
Gy zegentze al, die op uw goetheit hoopen!
Uw hant alleen vermoght den knop t ontknoopen,
Toen menschenraet te kleen viel en te kort.
De maeght genaeckt, tot zingen aengeport.
De zanglust noopt de trippelende voeten.
Men zal ze in t hof verwachten en gemoeten,
Dan melden, hoe Godt Efram vernert,
De vader wer in t harnas triomfeert.

REY VAN MAEGHDEN. IFIS.

REY VAN MAEGHDEN.
I.   ZANG.

         O Galad,
t Voorhooft kroont met palmen,
   En op zegepalmen
   De maeghden voert ten rey
         Voor Levijs stadt;
Ay, help ons triomfeeren
   Die nu wederkeeren
   Met bommen en schalmey.
Volgh de maeghdelijcke harten,
Die de doot in t aenzicht tarten;
   Volgh Jepthaes spruit.
   Zy noodt uw burgers uit.

I.   TEGENZANG.

         Toen Ammon prat,
Op zijne zeissenwagen
   Trots ten toon gedraegen,
   Wou dempen Jepthas hof,
         Zich zelf vermat,
Met bolpees en met slagen
   t Heiligh volck te plaegen,
   Te trappen in het stof,
Eeuwigh als verweze slaven,
Naer zijn zweep te leeren draven,
         Heeft Godt alleen
   Den hooghmoedt afgestren.

II.   ZANG.

         Godt heeft de sten
En sloten omgeworpen
   Heuvels, vlecken, dorpen
   Van afgon schoon geschuimt,
         En zijn Hebreen,
   Gedruckt in slavernye,
         Deerste heerschappye
         Genadigh ingeruimt.
Astaroth en Chamos vloden,
Idumeesche en Sidons goden
         De Heidens vlon
         Met hun beroockte gon.

II.   TEGENZANG.

         Abrahams zaet
Aenbidt nu, vry van smetten
   Naer daeloude wetten
   En Mozes zuivren stijl,
         Den toeverlaet
Der vroomen; volght hun zeden
         Na in alle steden.
         Al wat een lange wijl
Was verstroit van t heil der vadren,
Ziet men wederom vergadren
         Met vreught by een
         Ten schimp der onbesnen.

III.   ZANG.

         Drymael in t jaer
Verschijnen twalef stammen
   Daer men runders, rammen
   Te Silo Gode slaght, (*)
         Op t hoogh altaer,
De priesters wieroock zwaeien
   En de Godtheit paeien,
   Geduurigh op hun wacht;
Daer de bontkist, omgedraegen,
Antwoort op s aertspriesters vragen
         Orakels spreeckt,
   Wanneer hy bidt en smeeckt.

III.   TEGENZANG.

         Nu Ammon vlught,
Het Heidendom ter schande,
   Uit den gansche lande,
   Schroomt Ifis Gode niet,
         Uit eedle zucht
Een willige offerhande,
   Hier ten onderpande
   Na al t gelen verdriet,
En de prijs, behaelt in t strijden,
Lustigh rustigh toe te wijden.
         Of Jeptha quam:
   Hier is het offerlam

IFIS.

De roos van Jericho gaat open
   In t opgaen van de morgenstont.
Zy heeft de koelen dau gezopen.
   Het manne viel haer in den mont.
En Ifis hart luickt op van weelde
   En blyschap, nu zij dezen dagh
Het offer, datze zich verbeelde,
   Naer vaders eisch voltrecken magh.
Den vaderlande en t volck ten zegen,
   Ten prijs van Godt, den eigenaer
Van al, die door verborge wegen
   Zijn heiligen zoo wonderbaer
En boven hun begrijp kan leien:
   Tren we in, op bommen en schalmeien.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001