Joost van den Vondel (1587-1679)

JERUZALEM VERWOEST

DE EERSTE HANDEL.

JOSEPHUS.
De wrake Gods in t einde, als ze eens raakt op de beenen,
Ziet vuur noch water aan, noch ijzer, staal, noch steenen,
Maar wroet al voort, en vindt ter wereld niet zo zoet,
Als der godloozen merg, en t sno verbasterd bloed:
Vergeefs hij zich beschanst, die droomt haar uit te sluiten,
Te spade bolwerkt hij, die haar geweld wil stuiten,
Om zunst hij met een diept haar af te snijden tracht,
Die aarselt noch om schans, om bolwerk, noch om gracht:
Scherprechterse al te streng! wie zou, ja moet niet vreezen
De stramen van uw roede, uw zweep, en taaye pezen,
Waar me gij gaat te keer, en t vel stroopt van de rug
Des geens, die goddeloos den zonden welfde een brug.
Gij hebt, Jeruzalem! haar strengheid mogen voelen,
Als gij haars gramschaps gloed met t purper most verkoelen
Dat van uw lenden droop, en langs uw boezem zeep,
Als u van pijn en smerte een hertvang t hert beneep.
Ach, lijden! lijden, ach ik moet afdwan en droogen
Mijn aanzicht, steeds aan vocht van mijn bekreten oogen,
Wanneer me in t weeke brein een waassem dik opschiet,
Uit mijn beklemd gemoed geperst van groot verdriet,
Verdriet, dat voor n dood mij pijnt met duizend dooden,
Zoo vaak ik mij verbeeld het treurspel van de Joden.
     Verrijst, o Danil! en roert uw koud gebeent,
Die in uw ziel voor lang hebt onzen val beweend,
Als gij, man Gods! zou diep ging in d afgronden visschen,
En waden in de zee van Gods geheimenissen.
Komt, troost de ontschaakte maagd van Sion, afgetreurd.
Want zoo gij t hebt gespeld, zoo viel haar t lot te beurt:
Komt, wascht haar tranen af, want eislijk en wanschapen
Gaapt haar verwoesting nu, en dreigt te blijven gapen.
     Wij zijnder eens geweest, met Juda is t gedaan,
En Sions grondvest grijnst mismaakt den Hemel aan:
Des Heeren heiligdom (ach, ach! t gaat nee aan de zinnen!)
Ter Hellen nergezakt is met zijn hooge tinnen.
Helaas, Jeruzalem! gedoemd ten zwaarde en vier,
Uw hoogmoed is gedaald, uw zouden staan u dier,
Uw zuiden staan u dier, uw hoogmoed is gevallen,
En gij ligt onder t puin begraven van uw wallen.
     Had t avontuur van t lot doch te Jotapata
Mijn leven niet verschoond, als ik zoo na, zoo na
Stond op s doods oever, zoo gereed om te verdrenken,
En afgestren mijn ziel aan t vaderland te schenken;
Zoo luid ik niet gehoord, hoe hemel, aarde, en zee
Verzuchtte, als Jacobs huis beweegd wierd van zijn stad:
Fy! dat ik voor s doods schicht zou ang was en verschrokken,
Doen, in dat gapend hol, die zweerden uitgetrokken
Mij dreigden, als ik d een met smeeken nog ophiel,
En d ander aangreens, dat hem t hert en t staal ontviel.
Waarom maakte ik mijn graf niet in die afgronds-kolken,
En liet aan t lemmer koud mijn warme bloed niet stolken?
Waarom volgde ik niet na mijn krjgsli voorgetren,
Doen van die moord ontsloop Josephus, en nog een?
Josephus, die nog most, in der Romeinen handen,
De cedren van ons kerk zien blakren en zien branden!
     t Is waar, ik sleep geen boei, noch kwijn in slavernij,
Want daartoe s keizers hert te zeer hangt over mij:
Hij viert mijn hoog geslacht, en wil met lompe kluistren,
Noch t koningschap in mij,noch t priesterdom ontluistren:
Hij weet, wat wijsheid ik doorsnuffelde in mijn jeugd:
Hoe Galilea kan getuigen van mijn deugd
En vroomheid, die hij toetste in d uiterste benouwdheid:
Hij ziet mijn jaren aan, en eert mijn statige oudheid:
Dit ken ik, en t is waar: maar zal mij zulks van druk
Ontslaan, als ik gedenk der stammen ongeluk?
Als ik een handvol zie van onze Abrahamijten
Gespaard tot leider leed haar hert te barsten krijten:
Zoo ben ik wel ontaard, en in den grond verzet
Van d ijver, die mijn ziel verplichtte aan Mozes wet:
Maar neen, eer zij mijn faam in Isral gelasterd:
Eer hou mij Jacob voor zijn speelkind en zijn bastert:
Eer loochen God t verbond, bezegeld als ik, heesch
Van schreyen, de achtste dag besnen wierd aan mijn vleesch,
Eer ik een mate stelle, of voor mijn dood laat enden
Den rouwe, die ik scheppe uit Israls ellenden!
     Ligt mij dan nog aan t hert zou na de droeve staat
Van t lieve vaderland, hoe is dan zulken haat
Op mijn onnoozelheid gebraakt en uitgespogen,
En uit mijn zuiver borst zoo veel vergifs gezogen?
O Zon! die zonne en mane en sterren schenkt haar licht,
Die d Helsche duisternisse ontdekt met uw gezicht,
Die d afgrond van het meer met d appels van uwe oogen
Verraadt, en bij den nek geveinsdheid grijpt en logen:
Ik dage u heiliglijk, en bidde u, dat gij tuigt,
Of iemands dreigement of gunst mijn vroomheid buigt;
En dat uw boosheid, die om wraak riep, gij tyrannen!
Die tegen t vaderland de ketens hield gespannen,
Mij toon,waar, na s wets eisch,ik heb mijn recht verbreukt,
Of waar t eenvoudig kleed is van mijn trouw gekreukt.
Hoe dikmaal naderde ik uw veel beatormde veste,
Om af te stuiten t ramp van t algemeene beste,
En bood uit s keizers naam u hulde en vrundschap aan,
Helaas, maar al om gunst! het water liet men staan,
Men keerd hem niet om t vuur des ondergangs te blusschen,
Men vloekte, en kwetste mij al razende oudertusschen:
Mijn oudren, levenszat (wat onderstaat de wrok,
Of schaamt den haat zich niet ?), die wierp men in den stok
Maar is er wel een stuk te schendig aan te rechten
Voor die uit Sions kerk als uit een roofslot vechten?
Voor die, wiens dolheid kan noch moord, noch roof verzan
Voor die haar vingren aan t gewijde durven slaan?
Voor die in t heiligdom als tijgerdieren brullen,
En t hooge koor met bloed en versche lijken vullen?
Wat helpet t wonder is t, hoe God zoo lange draagt
Een boosheid opgehoopt, daar van den Hemel waagt:
t Is wonder nog, dat God haar kwaad niet vroeger strafte
Als elk kerkschender dol hem als een hond aanblafte!
     Hebt van verdiende loon nu overvolle maat,
En zwaarder wege uw straffe als uw bedreven kwaad,
Vervloekte Simeon! Joannes, twists aanblazer!
Zeloters, Salems pest! heilhoozen Eleazer l
Die gij te gader zijt verraders van die stad,
Dien d Hemel, als zijn bruid, zich uitgelezen had:
t Onschuldig bloed, dat hier gestikt is in zijn wapen,
Ho steeds uw bleek gebeente onrustig zonder slapen,
En d echo, die in t woest hier is de nachtegaal,
Tot wraak uw schimmen wekk des nachts wel zevenmaal:
Of schepty nog de lucht, en zieltoogt als gevangen,
Zoo schroei men u het hert met gloeyendige tangen,
Of bouwe een ander Hel, die, ik weet naauwlijks hoe,
Gerabraakt houde u ziel, en laat geen sterven toe.
     t Bouwvallig Isrel, nu t vernield is met zijn stammen,
Door zwaard, pest, hongersnood, en aangesteken vlammen,
De ruiter, rijk van roof, zijn wonden zich getroost,
De schildwacht, afgebraakt, ontharnast wordt verpoosd,
De stormbok, blutsens mo, verpaistert wat zijn hoornen,
En t Roomsch veldteeken zwiert te dertel van de toornen,
Die Titus heeft verschoond, opdat, nog lang na hem,
Elk weet waar Rome liet t verwoest Jeruzalem.
De tenten zijn vol vreugds, vol juichens, en bazuinen,
Men vlecht er niet dan palm en lauwer, om de kruinen
Der helden te beslaan met kransen altijd frisch,
En rust zich ten triomf, die maar een voorspel is
Van deze zegefeest, die aanstaat, daar gaat schuren
De Tiber blank van stroom de keizerlijke muren:
Maar ons twaalfstammig volk, een hoopken, dat nog t  zwaard
De pest, de dood, het vuur, en d honger heeft gespaard
Tot allerhande smaad, op haar triumfs-geruchten
Te deerlijk wedergalmt, en antwoordt met verzuchten,
Hoopt treurig klacht op klacht, en steent zijn hert in twee,
En is gelijk de geen, die, in de wilde zee,
Na schipbreuk, schrijlings op den mast nog t lijf wil bergen.
Drijft tusschen klippen heen, en ziet geen oevers nergen,
Drijft tusschen vreeze en hoop, zwemt tusschen hope en vrees;
Zoo zwerft Judea nu, die vaderlooze wees!
Vader, heers erbermt! slaat t aangezicht eens neder!
Die gij de baren temt, de bliksems, en t onweder,
Temt s vijands razernije, in koelt, en lescht den brand,
Die van t woest krijgsvolk heeft geschrookt het ingewand;
Dat Izaks overschot geen ramp meer op zich lade,
Dewijl gij t nu beveelt der Heidenen genade!

TITUS, de keizer. LIBRARIUS, rotmeester.

TITUS.

Het noodgeheim der Gon heeft uitgediend ten lesten:
Vermorzeld zijn in puin de steigerende vesten,
En van t vervloekt geslacht, zijns levens zat aan mo,
Is uitgerukt de boom tot aan den wortel toe.
     Zoo Grieken afgestren, met de uitvaart der Trojanen,
Zich ter onsterflijkheid den weg vermocht te banen,
Daar, na tien jaren strijds, nog eerst een zwanger peerd
Den brand van t oorloog dempt, en niet de deugd vant zweerd
Wat heeft dan d Hemel tot bezoldinge behouden,
Daar Titus vroomheid mede is naar verdienst vergouden
Door wien zoo diep gegronde en hemelhooge stad,
Als met een oogenwenk, gelbliksemd is zoo plat,
Dat hij, die na hem komt, heeft lichtlijk af te meten
Hoe eenen leegen val t hoog klimmen leert vergeten:
Daarbij, wat straf hem dreigt, die d heilge wetten breekt,
De majesteiten kwetst, en aan den prikkel steekt.
Lof, Goden! voor uw gunst, die, in zoo groote alarmen,
Als taaye zeenwen waart aan s Roomschen veldheers armen
Dat zijn ontschede staal nooit keerde, moede en mat,
Als dronken van den bloede, en van t doorkerven zat:
Dat zijn gespannen pees hij, stout en onverschrokken,
Nooit heeft vergeefs gelost, noch ijdel ingetrokken,
Voor dit verleid gespuis in t stof begraven lag,
En t overblijfsel dreef dit droevig schouwspel zag.
     Mij dunkt, dat ik verneem de faam, die uitgelaten
Laat klinken, haar trompet te Rome langs de straten:
Daar, als de vader dut, voor t weerdste pand bezorgd,
Zij op de toornen daalt van s keizers hoogen burcht,
En strekt Veapasiaan, om Titus half verlegen,
Een bood van deze feeste en onverwachten zegen.
O Hercules! hij zwijmt, hij flaauwt, de grijze man,
Omdat al t effens niet zijn vreugd uitbersten kan;
Maar als de ontschoten verf hij weder heeft bekomen,
En opschiet, als een, die ontwaakt uit zoete droomen:
Zijn, zegt hij, dan de Joden gesneuveld door de deugd
Van t ijzer en van t staal van ons Romeinsche jeugd?
En mocht dat vast kasteel, met oenbeklimbre muren
En krijgsli telleloos, niet langer ons verduren?
Zoo mogen heden wij, met glorie overlan,
Bij Csar sterrenwaarts naam t huis der helden gaan:
Zoo zag men eer Juppijn toerusten om te strijden,
En in de ontstelde locht den adeler beschrijden,
Van waar hij ongedreigd dien, die hem smaad aandeed,
Tot polver en tot gruis met zijnen bliksem smeet.
     Recht zoo t den reuzen ging, als zij haar krachten proefden
En met den schoudren trotsch de bergen opwaarts schroefden,
Naar s Hemels zoldering, heel eislijk aan te zien,
Om uit vermetel brein den Goden t hoofd te bin:
Zoo ging t dees muiters, die, uit dwaasheid ingenomen,
Haar kantten tegen t rijk van t wijd beroemde Romen,
Dat steeds uitsteekt een borst met roemzucht. opgevuld,
Dat aangedane smaad noch muiterije duldt,
Dat, strijdbre Pallas, met haar speer eens te verzwikken,
Doet siddren s werelds kreits, gedoodverwd duur t verschrikken!
De onzichtbre en preutsche maagd, nooit wapendragens mo,
Ik zie, zij lonkt op mij, mij dunkt, zij knikt mij toe,
Aan t schudden van t helmet, aan t zwaayen van haar pluimen,
Uit blijschap, dat ik doe haar heilge troonen ruimen
Een wederspannig aas, dat, uit vervloekte nijd,
Haar kroon en zetel had ontluisterd en ontwijd:
Zij draait een hemelkloot, en overstaart haar helden,
Die zij vergoodde, omdat z haar lijf en leven stelden
Voor t schaken van haar eer: haar hert bekommerd bernt
Uit dankbaarheid, om mij te plaatsen in t gesternt:
Wijdheerschende Godin! waar zuldy Titus zetten?
Die met uws vijands brein en bloed zijn harnas smetten,
Doen, moet geheven erm, hij t ijzer knoersen de,
En kloof, door stalen helm, hem t bekkeneel in twee,
Dat hij, gesneuveld, viel uit stegelreep en zadel,
Diie ons braveeren wo met zijnen bastert-adel?
Help, Jupiter! hoe wordt mijn ziel van vreugd geperst,
Wanneer t geheugnis van t verlen mijn ziel ververscht,
Als mijn gedachten zijn met malen overladen
Van dezes rechterhands onvergeleken daden,
Waardoor ik menigmaal s doods daggesteek ontging,
Gedurende t tempeest van dees belegering.
Als weerloos ik, om stads gelegentheid t ontblooten,
Eer ik mijn lager sloeg, kwam trotsch vooruitgestooten,
Gevolgd van zestigmaal tien ridders op den draf,
Ziet, een verborgen lage, ontrent Helenen graf,
Haar schoonst ziende, onverwacht mij heeft op t lijf gesprongen,
En van den schoonsten hoop Rijks-eedlen afgedrongen:
De vijand dreigt me aan d een, de stad aan d ander zij,
Wat gast de veldheer aan? de nood eischt, dat hij strij
De sabei girst van ler, als kolen d oogen branden,
Al worstelend hij breekt door t midden der vijanden:
Recht als de leeuw (wanneer de jagers op haar luim
Opdondren, als hij is omcingeld op het ruim)
Zich vindende benaauwd, versaadt der winden snorken,
Worpt vonken uit t gezicht, ziet knodsen aan noch vorken,
Laat de achterkiezen, zien, brult met beschuimnde muil,
En stuift door t lompe tuig moet eiselijk gehuil,
Zoo redt zich Titus ook, of d haet hem schoon terwijlen
Groet niet een hagelbui van uitgelaten pijlen:
Als of, in s afgronds poel, hij met den Peleaan
Gedoopt was, om ter moed de wonden te versman
Of als de schildknaap van Juppijn, door dondervlagen,
Door hagel, wind, en storm, is wel gewoon te dragen
Den bliksem, die vaak scheurt de rotsen gul van t schuim,
Terwijl hij schadeloos verzengt noch schacht nech pluim.
Ben ik de Krijgsgod niet? die groeyende in de wapen,
Autonia den borcht, terwijl de Joden slapen,
Beklim, en drijf ze in t koor van haar gewijde plaats?
En groet met veldgescl:rei de koets des dageraads?
Heeft niet dees rechterhand den onderaardschen rijken
Met twalef schichten, toegezonden zoo veel lijken?
Maar waartoe monster ik hum deugden altemaal?
Laat tuigen van mijn deugd die schaarden van mijn staal:
Laat tuigen van mijn deugd zou veel gebroken lansen:
Laat tuigen van mijn deugd die nergestegen transen
Laat tuigen van mijn deugd dat kerkhof, bang van don:
Laat tuigen van mijn deugd die nasklank, droef van toon:
Laat tuigen van mijn deugd die opgegraven straten:
Laat tuigen van mijn deugd de roof ven mijn soldaten:
Laat tuigen van mijn deugd de smook, het puin, het vier,
En de adaler, die zweeft in t veld van ons banier:
Laat tuigen van mijn deugd dees gapende kwetsuren,
Eerteekens, die ik kreeg in t stormen op de muren!

LIBRARIUS.

Aartsveldheer! wie ontkent, wie roept niet uit, dat gij,
Als t klevende cement van deze moNarchriJ,
Den gRondvest t zamen houdt, die anders licht mocht zakken
En scheuren, overmids zij met te zware pakken
Van rijken gaar gestouwd ondraaglijk is verlan:
Wie ziet niet, dat gij aardt niar die Vespasiaan,
Die ons t gezicht uitsteekt met t werlicht van zijn kronen?
Zijn gulde ecepters strooit, en doelt in al de Leunen
Die voor hem open staan, van t helder dagenende Oost,
Tot daar de post van t licht vermoeid in schaauw verpoost?
O spruit! die antwoordt dien, waaruit gij zijt gesproten,
Wat zijn zoo heerlijk hier wel treflijk opgeschoten
De telgen van uw deugd, in spijt van krijgs tempeest!
Wat is uw bloeisel ons een zoete vreugd geweest,
Een zoete vreugd geweest uw bloeisel, dat, van boven
Gezegend, gaat het rijk aan rijken oogst beloven!
Gezaligd is die t ziet, maar zaliger die tijd,
Wanneer, na t zwanger gaan, de vrucht tot rijpheid dijt.
Hoe dikmaal hebben wij, hoplieden, met ons allen,
Als gij in t harnas blonkt, gereed, om op de wallen
Voor op te klimmen, u al smeekende geben:
Hoe nu, doorluchtig vorst! hoe nu, waar wildy heen?
U wagen op den muur? voorbarig in t opsteigren?
Dat dulden wij geenzins, dat s tijd, als wij t u weigren,
Wiens leven buiten sch kan slijten van t gemeen,
t Gemeen, wiens troost en heil hangt aan uw heil alleen.
Vaak een vervlogen punt kan d aldervroomste ook letten:
Dus wilt uw ziel zou licht niet in de weegschaal zetten,
Dat gij de ondankbare aard bebloed mocht sprenklen rood,
En dit boosaardig volk doen juichen in uw dood,
Als t, met d hoofdpijler en den Atlas ner te vellen,
t Roomsch Capitolium verzinnken zag ter Hellen
(Weert, Hemel! weert dien val!) en met wat rens beleed
Zou voor uws vaders troon onze onschuld zijn bekleed?
Verschoont ons dan in u, o prince goedertieren!
Uw deugd bralt op dan toets, gij moogt niet eeren vieren.

TJTUS.

Cieraad mijns ridderschaps! uw zorge, uw wakkerheid
Voor t heer, voor s keizers heil, die zijnt als ingeheid
In t middelpunt mijne ziels: mijn noodhulp! t is zou verre
Dat ik t sla in de wind, dat, eer de morgentsterre,
Opduikende uit de zee, eer klaarder glans aanbreek,
Haar vlechtende weigrent zal, haar tuiten zilverbleek:
Eer zal de frissche dauw aflaten van te drupplen
Op nuchtre kruiden, die ververscht van blijdschap hupplen,
Eer t onvergolden blijft, of eer ik t loon ontruk
Hem, die litteeken brengt van eenig heldenstuk.
Een maarschalk, die te vrek en traag is in t vergelden,
Bluscht uit de dapperheid van de onverschrokken helden:
En wij monarchen zelve, op hoop van rijken buit,
Om purper fijn van draad en scepters trekken uit,
Gaan ploegen woeste zen, en ongebaande steenen:
Vermeestren t uitheemsch volk, dat aarselt voor ons henen:
Zoo prikkelt ons een lust, onbeheerscht alleen,
Gelijk Jupijn om hoog, te dondrenin hier benen.

LIBRARIUS.

Indien uws hoogheids ziel schiep ergens haar genoegen
Uit diensten, die misschien wij u verplicht opdroegen;
Of is er iet verschuld, hoewel een goed soldaat
Met eeden aan zijn heer al naauw verbonden staat;
Duld, dat ik op uw deugd mijn bloodigheid mag enten,
Waar gij t verhemelt gaat uitspannen van uw tenten,
Waar gij den vijand vergt het lemmer door den nek:
Duld, dat de lommer mij van uw laturieren dekk,
Waar uwen stormbok dreigt, met zijn metalen hoornen
Te mortelen den voet en borsweer van de toornen
Ik droom om geen soudij, noch andren palm als dit,
Dat mij het stof bekruize als gij te peerde zit.
Ds krijgsli zijn in een gelukkige eeuw geschapen,
Als haren hoofdman bromt en uitsteekt in zijne wapen,
Dat helpt haar bloed aan t zin, en stookt zijn krachten op,
Det het zijn schuim opwerpt uit eenen vollen krop,
En schielijk overzwalpt, laat zijn ontsteldheid merken,
Hoe zeer men t dwingen wil in zijn bestemde perken.
Dat s d oorzaak, eer van Mars! dat ons Romeinsche jeugd
D hoofdslapen u omvlecht, en roemt, dat, door uw deugd,
Dees Hydra ligt gedempt, geschroeid, en omgekomen,
Die een Alcides eischte en Hercules van Romen.
Dien Tyfon is gekneusd, die reutelt nog van spijt,
En zwavel, vuur, en smook uit zijn neusgaten smijt.
Zoo ooit ons ridderschap had schoone buitekansen
Doen Hannibal outvlood, een hertvang t groot Numaucen
En t oud Carthago smeet ter aarden, na veel twist,
Dat van ons Scipions elkaen te spreken wist;
Zou ooit ons krijgsvolk klom gelukkig over de Alpen,
Zoo wijd da Rijn zijn strand gaat werzijds overzwalpen,
Passeerde als in slagoorde het Pyreneesch gebergt,
Daar Frankrijk Csar bracht de sleutels ongevergd,
Bedwong van wereld afgeschovene Brittoenen,
Den Roomschen Tyber met haar manschap te verzoenen,
Of, om te lesschen-uit het smooken van de brand,
Die van dees monarchy ontstak het ingewand,
Pompejus ruimen de de velden van Farsalin,
En opdroeg Csar de voogdije van Italin;
Zoo, zegge ik, ridder ooit opgeven dorst zoo breed,
Omdat hij onder zoo beroemden veldheer streed:
Nog geven wij t niet op, noch Titus derf niet wijken,
Zoo Cwsar zijn trofen met hemn wil vergelijken.

TITUS.

Dat Csar Csar is, die heer op heer verstrooid,
In t lest dees monarchie heeft tot den top voltooid,
Voltooid, dat, bij aldien mocht Romulus verrijzen,
Hij zijn vergode ziel zou met verwondren spijzen:
Daar waagt de wereld af, zou wijd den hemel blaauwt,
Een valt de faam hierom d aarbodem te benaauwd:
Maar t is geen minder kunst, t gewelf van zou veel rijken
Te houden in een knoop, en gar te houwelijken,
Als t is te rijzen doen een glorie, die zoo bromt,
Dat t aardrijk voor haar neigt, en zijnen rugge kromt.

LIBRARIUS.

Dat bleek wel, hoe vergeefs de dappere Alexander
De rijken schakelde, als een keten, aan malkander,
Doen, als hij naauwlijks dronk een slaapdrank aan t vergift,
Zijn purperen gewaad in vieren wierd geschift:
Daar lag de praal in d asch. Monarchen! gaat oorlogen,
Uw vijanden ontzegt, en ziet haar onder oogen,
Bestookt ze, en overwint ze, en vat ze bij de kraag,
Half levende of heel dood, en viert haar onderlaag :
Ziet, waartoe dienen zal uw grootheid opgeblazen,
Die al dan ommeloop des werelds kan verbazen,
Als uw nazaten, slap, verwijfd, en achteloos,
Zoo dier verkregen pand verslensen voor altoos.
Wordt Titus dan vergeefs gedankt van zijn voorzaten,
Die hem vertrouwden, en t rijk hebben nagelaten,
Om dat bij t hoofd ophoudt van deze monarchij,
Die onlangs scheen geneigd ten val door muiterij?
Ziet, hoe, verlegen zij t hoofd in haar schelp ophalen,
Die waanden ons dan tol met muiten te betalen:
Ziet, hoe, als in uw schoot t ontzag wordt opgekweekt,
Hoe t al voor u verschrikt, en ijlig t mes opsteekt.

TITUS.

Daas wraak, bij ons zoo versch geoefend over t muiten,
Ontwijflijk zal veel ramps van onze staat afstuiten,
En de onverwelklijke eere en prijs, hier in behaald,
Werd door s tijds nijdigheid noch ouderdom bepaald:
Die gloeit ons om het hert, dat schijnt van vrneugd te zwellen
Maar als wij wederom ons helden overtellen,
En mijmren in de rol der gener, welk zoo zuur
Gedurende t beleg de sneuvlen t avontuur;
Dan loopt al mijn gewin, vermids t verlies, verloren,
Om dat ik missen moet die riddren welgeboren:
Nicanor, andren erm uws maarschalks! waar zijt gij,
Die een gevederd hout de slippren aan mijn zij ?
Sabinus, Juliaan, en meer ter dood gewonden,
Wiens geest, in t strijden, van s lijfs kerken is ontbonden,
Wat is t, of ten triomf uw veldheer overschiet,
Als uw gedachtenis hem t hert roert met verdriet?
Wat is t, of zijnen roem den waassem breekt der wolken?
Als hij u vallen, t bloed ziet uit uw landen stolken?
Wat is t, of waar toe strekt

LIBRARIUS.

                                                Zacht, zacht, doorbuchtig vorst!
U zelf genadig zijt, en kwetst uw edel borst
Niet met t vergiftig punt van zou onnutten rouwe!

TITUS.

Zijn dan geen tranen waard die riddren, zou getrouwe?

LIBRARIUS.

Doen zij gesneuveld zijn, wie heeft er niet getreurd?
Doch omdat van de Gon haar viel dit lot te beurt,
En!t avontuur des krijgs, twelk somtijds lust te schempen
In t sparen van de minste en daldervroomst te dempen,
Haar leven stelde een maat; zoo moeten wij nochtans
Daarom bezwalken niet met rouw dan schoonen glans
Van de overwinning, die den Hemel ons wo schenken:
Maar peinzen, zoo uw tonge ons vaken de gedenken,
Eer wij, aan t stormen kloek, geherd door uw vermaan,
Als leeuwen haren roof, den vijand randden aan:
Dat die gestarnde tent, die van Hyacinten schimmert,
En als een speelhof is doorluchtig opgetimmerd,
Geherbergd in haar schoot de zielen houdt der geen,
Die voor het vaderland hier vielen afgestren:
Terwijl op t gulle bed de blonde, klein van waarde,
Gaat zenden zijnen geest met t vuile slijk naar d aarde.

TITUS.

Dat matigt mijnen druk, en troost mij, dat ik voel
Mijn eerste blijschap wer bezitten s herten stoel.

LIBRARIUS.

Als eenig hoofdman stort zijn bloed, en ook zijn leven,
Betaalt hij tgeen hij was zijn veldheer schuldig bleven,
Gebleven schuldig aan zijn veldheer en t gemeen,
Als hij haar lijf en ziel opdroeg met heilige en:
En wie, rechtschapen, zonde eens weigrcen uit te rekken
Zijn zeenwen, t knakebeen, zijn gorgel, en zijn nekken,
Al had de vijand t mes geheven met t gevest,
Als hij zich offren mocht aan t algemeene best!

TITUS.

Van ouds een goed Romein dat hield voor eenen zegen,
Wanneer de vijand hem kwam kittlen met den dagen.

LIBRARIUS.

Niet waar? o zoon van Mars! betuigt niet ons gemoed,
De onsterflijke eer te zijn het alderhoogste goed?
Was dit die schoone niet, daar al de geen om dansten,
Die met haar vleesch en been het keizerrijk beschansten
Sint dat ons grondvest eerst, van Romulus geheid,
Wierd dierbaar in t cement van menschenbloed geled?
Laat Mars bevolen dan zou glorioze zielen ,
Die hij vergodet heeft als haar gebeenten vielen,
En denkt om uw triumf!

TITUS.

                                      Ik wil, ik wil voortaan
Bestieren wat zich rept en tuimelt onder maan (*),
En laten ze in haar feest die, heldisch opgeklommen,
Beslaan de dorpels van der Goden heiligdommen.
Gij geesten, vaart dan wel, die boven op ons wacht.
En nu zoo spijtig steekt op s keizers praal en pracht,
Omdat u Rome krimpt zou klein in t oog van verre,
Zou krimpt ons wederom uw aldergrootste sterre:
Das lacht niet al te scheets op t spits van uw gewelf:
Uw veerheid mindert niet ons grootheid in zich zelf.
En of gij Csar vondt, zou wilt hem doch verklaren,
Wat zweet het Titus kost zijn schepters te bewaren:
Opdat hij uitsteke eens zijn blinkende aangezicht,
En groet zijn nazaat, die zoo trotsch te velde ligt,
En moedig heeft gekneusd d halsterrigheid der Joden,
Die eer zijn tollen t goud zou ongeweigerd boden:
Maar korts haar oude luim in t brein gestegen kwam,
Alsof met zijn vertrek t gebied een einde nam.
Maar gij, mijn riddren en mijn afgestren soldaten I
Die t avontuur des krijgs heeft ten triomf gelaten,
Nadat de daken zijn gescheurd, gebrand, geblaakt,
Die eer Pompejus zweerd ons cijnsbaar had gemaakt:
Die gij nog t versche bloed moet van uw wonden vegen,
Ik wil elks daden mild en dankbaar overwegen,
En strooyen onder t haar halsbanden, stijf van goud,
Muurkroonen, met gesteente en peerhen opgebouwd:
De strijdbaarste in den storm en de uitgelezen zullen
Opsteigren naar verdienste en ledige ampten vullen.
Ook wil ik t outaar op het statigste beslaan,
En met een dankbre ziel het offer steken aan,
En heugen t ingewand, geroost en opgezoden,
Der heiligheden Reye en Godheid van de Goden,
Die t Capitolium bewaken van de stad,
Die in triumfen graast en al de wereld mat,
En wordt geliefkoosd van het noodlot aller dingen:
En dreigt ten Hemel met opsteigren in te dringen.
Die Godheid, door wiens gunst ons jonge manschap rijpt,
Die onze speren smeert, ons stalen degens slijpt,
Ons steekvrii kolders gespt, en voert ons beukelaren,
Knikk gunstig t ongel toe, dat, op gewijde altaren,
Zal d heilge vlammen von, juist op die plaatse, daar
Dit volk zijn godsdienst heeft gepleegd zoo menig jaar.

REI VAN ROOMSCHE SOLDATEN.

Sta bij, Olympsche worstelaars!
 Die eertijds hadt zou veel gebaars,
Omdat gij t stof beweegden,
En t zweet van t aanzicht veegden:

Wanneer, in t afgetuinde rond,
In t worstlen gij geen werga vondt,
En, voor dit lief bedrijven,
Droegt kransen van olijven.

En steegt op uw triomf koets hoog,
Daar ah de Grieksche jeugd voor boog,
En die voorhenen liepen
Io, Triomfe! riepen.

Komt, monstert uw bekrozen vel,
Uw boerterije en kinderspel,
Bij t leven, dat wij voeren,
Int dolle krijgsrumoeren.

Komt, leert van ons, een leger slaan,
En trekken d ijzren handschoen aan.
Ziet hoe ons staal verbolgen
Het roode zweet doet volgen.

Ziet onze oogappels als een vier
Eens branden, om dan lauwerier
Te plukken, groen van bladen,
Langs ongebaande paden.

Al sneuvelt menig held terwijl,
Die was aan s keizers hof een stijl,
De vroomheid van ons allen
Stut al wat dreigt te vallen.

In t bed van eeren valt den don
Onsterfelijke lof ten loon,
En Mars jont, dat zijn schimmen
Van mond ten Hemel klimmen.

Dus is ons t oorloog geen verdriet,
Noch achten t leven dierbaar niet;
Wij pronken met ons wonden,
En pijlen toegezonden.

Wij vlin het troetlen van t gemak:
Den blaauwen Hemel is ons dak,
Op t vlakke veld wij slapen,
En sluimren in de wapen.

Schoon de opgesteken moordtrumnpet
Somtijds ons zoete rust belet,
Wij aarslen voor geen dreigen,
Want dit s den krijgsman eigen.

Als onzen veldheer rept een woord,
Het slaat gelijk een bliksem voort,
En t helpt, van bende aan bende,
t Gansch leger over ende.

Is t vreemd, dat ons trofen, ten toon
Dan, in de kerken van de Goden,
En vendels opgehangen,
Afzwieren van haar stangen?

Is t vreemd, dat Titus houdt in dwang
Het Oosten en dan Ondergang?
Dat hij uitzendt zijn stralen
Aan s werelds leste palen?

Is t wonder, dat ook t Joodsch geslacht
Van Rome gansch is t onderbracht?
En dat wij Salems nekken
Nu mat ons zolen dekken?

Hoe vreugdrijk groeit nu Titus geest!
Hoe viert hij nu zijn zegefeest!
Hoe zacht, na al dat slaven,
Doen ons zijn milde gaven!

Hoe ruiterlijk deelt hij den buit
En roof aan zijn soldaten uit!
Wie zag, ooit van zijn dagen,
Het goud zoo afgeslagen?

Al t kunstwerk, dat ooit slepen kon
t Prat Solyma van Babylon;
Al wat ze, om preutsch te pralen,
Van Tyrus merkt liet halen:

Scharlaknen, purpen, fijn en el,
Arabisch wyrook en kaneel,
Haar schatten allenthalven
Nu ons kwetsuren zalven.

Dat troost nog eens fluks krijgsmans hart,
En leert vergeten al zijn smert,
Die hij ooit most bezuren
In t stormen op de muren.

O, maarschalk, voor ons veel te mild!
Nu scheept uw legers waar gij wilt,
Waar iemand opsteekt de ooren,
En wekt des keizers tooren.

Al woudy bij den Indiaan,
Aan Indus oever drenken, gaan
Uw hengsten, moet van t hijgen,
Van om en af te stijgen:

Of wildy daar de zoo verbaasd
t Gediert wijkt, dat van honger raast:
Daar, op de Noorder wagen,
De winter wordt gedragen:

Of Westwaarts, daar het Hemelsch vuur
Braadt d Iber, onze nagebuur:
Of aan der Mooren grenzen:
Of de oevers der Creteuzen:

Of wildy, daar geen Fbus schijnt,
Daar Pluto de arme zieltjens pijnt,
Afstijgen gaan ter Hellen;
Alom wij u verzellen. 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001