Joost van den Vondel (1587-1679)

JERUZALEM VERWOEST

DE TWEEDE HANDEL.

DE DOCHTER SION, REI VAN STAATJONFFREN, REl VAN JOODSCHE VROUWEN, JOSEPHUS.

DE DOCHTER SION.

Hoe dwaas hij zich verleidt, die zijn geluk vertrouwt,
Die op de uitstekendheid van zijne paleizen bouwt,
En troetlen laat zijn ziel van zichtelijke dingen,
Die, hoe ze groter zijn, hoe meer veranderingen
Haar hangen over ít hoofd, en jagen haar verderf;
Hoe ijdel dat men klutst opís werelds timmerwerf,
En opboeit ít handgebaar van menschehijke zaken; ó
Dat leerde mij de val van Sions hooge daken,
Van dees gebluschte zon, die, met dat ze ondergaat,
De wereld om doet zien, en als voor ít voorhoofd slaat.
Jeruzalem! hoe is uw hovaardij geslonken!
Uw preutsheid overliep, de weelde maakte u dronken
Met haren gouden kop, en haar venijnig sap,
Zoo fluks ít rees in uw brein, maakte u de beenen slap:
Hoe zoudy langer staan? gij raakte aan ít suizebollen,
En kwaamt van dí elpenstoel en marbre trappen rollen,
Naslepende uw perruik, besprenkeld peersen en blaauw:
Daar af gij nog behieldt dees wonden versch en raauw.
     Waar is uw schoonheid nu, die, met vergode stralen,
Danste op de oneffenheid van heuvelen en dalen?
Dee als een Cherub zweefde op ít dak van ít heilig koor?
En lodderlijk van verrí dí Araber en de Moor
Ontstak met ijver, om te vliÍn haars afgods drempel,
En te offeren haar gouden wyrook ís Heeren tempel?
Helaas, ze is lang verwelkt! een onverwacht tempeest
Dees bloem de keurs uittrok, in ít midden van haar feest.
     Hoe grimmig, van dí Eufraat, ít op mij gebeten Babel
De vonken van haar toortse en bliksems van haar sabel
Mij klonk in ít aangezicht! hoe eislijk en verwoed
De stad aan vlammen vloog, en zwom in enkel bloed:
Hoe schendig ít Heiligdom zijn guldene geschieren
Most laten tot cent roof ChaldeÍn en Assyriercn!
Al was ít, al was ít schoon, dat haar handen Babylon,
Aan Zedechiaís zaad en Leviís zonen, schon:
Al sleepte ik ít ijzer van dien Assur Godvergeten,
Nog heeft mijn borst meer ramps en ontheils nu gesleten.
     Een onweÍrstandlijk heer mijn krachten heeft gemat,
En van gebouw ontkleed dees torenrijken stad:
Het muurwerk ondermijnd van ons driedobble wallen
Den stormbok wijken most, en daaglijks is gevallen,
In ít zakken driemaal slaat de bergen krom gebuld,
En ít puin de locht met stof tot aan de wolken vult.
De vijand tracht de vest, met bruggen en met leÍren,
Spijtafgebraakte wacht, gwwapnd te passeeren,
En dringt steeds stadwaart aan, en houdt ons in alarm.
Onze ooren zijn gevuld met janmerlijk gekarm,
Onze oogen zijn vol slaaps, ons hert is mat van zuchten,
De mond is tol geklags, de voeten willen vluchten,
En de ermen evenwel (dan ach, met luttel baats!)
De stormen nog weÍrstaan des Heidenschen soldaats,
En worstlen; maar helaas! zij worstlen met een sterker,
Die reede ons vrijheid heeft verwisseld in een kerker.
     Wat nood, wat nood waar ít nog in ít middemm van de brand,
Voelde ik geen burgerkrijg in ít zwanger ingewand!
Al dronk ik zulken kek met grondsop en met droesem,
Had ik die slagen niet gekweekt in mijnen boezem;
Waarí ís tempels vloer niet ít bloed der priestren niet besprengd,
Zag ik die vuisten van mijn burgers niet vermengd,
En bieden ít scherpe spits elkanders heupe en lenden:
Wij hadden nog gekampt, eer ze ons ons vrijheid schendden.
     Maar ach, rampzalig volk! omdat u God verlaat,
De een aangewreven plaag tot duizend erger slaat:
Uw lijftocht oorlof neemt dies, niet zijn dunne schinklen,
Den honger uitgevast, dat zijn gebeenten rinklen,
Spookt straten op en neÍr, en steekt een nieuw rumoer,
En raast, en smijt, en loopt de deuren op de vloer.
Het uitgemergeld lijf, als ít hooger niet kan lijen,
Misthoopen ommewroet, en boet zijn lust aan prijen,
En haalt zich op den hals zou doodelijken pest,
Dat de onbegraven doŰn men slingert in de vest.
Wee, wee! den vijand zelf moet ít hert in ít lijf bezwijken,
Zoo fluks de stank opgaat van de opgehoopte lijken,
Hij heft zijn handen op naar ít sterrenrijk gewelf,
En zweert, zulks is niet zijn, maar ít werk der Goden zelf.
Broodhonger, ít scherpe zweerd, de braafste om weer te bieden
Tot ís keizers tenten gans mismoedig dwingt te vlieden,
Daar, als ít roofgierig volk doorsnuffelende ontdekt,
Hoe ít ingewand een schrijn dan vluchteling verstrekt,
De goudzucht ít hert bekoort, dat, zonder haars tí erbermen,
Geen rijker mijnen wenscht als die goudrijke darmen:
Den hongerigen buik dien rijkdom wordt misgund,
En krijgt voor gerstenbrood eens stalen degens punt.
     Nog overwoeg een kwale alle andere kwellagiŽn,
Doen die verdufte smook van ís tempels timmeragiŽn,
Doen dí hongerige vlam dat priesterlijk gebouw ó ó ó
O hert-steek! o verdriet! o smart! o druk! o rouw!
Wat Israliet, voortaan verschoveling der menschen,
Zal eeuwig niet dien dag vervloeken en verwenschen!
Ik zag een Roomsch soldaat, met zijn gakamden helm,
Op kerkdiefte af gerecht (God Jacobs,keert dien schelm!),
Ons vliÍnde schildwacht kort navolgen met de glensters
Eens gloeyendigen brands: daar hij de goude vensters
Van ít heiligdom meÍ blaakte, en, Godvergeten stout,
Vervloekte vuur stak aan ít gewijde cedrenhout:
De ceder reiktí zijn hittí dí olijf, te vet om lesschen:
Dí olijf den den uotvonkt: de denne den cypressen:
Dies, eer men ommeziet, dat schoon getimmer bernt,
En braakt zijn vonken uit naar ít flonkrande gesterntí.
Help God! de brand steekt op, en een geschrei met eenen
Zwilt met de opgaande vlamme en klatert door de steenen.
ít Barbarisch volk komt aan op ít vuur en op ít geluid,
En vlamt op zoete wraak en ruiterlijken buit.
     De keizer in zijn droom, zon onverziens gedagvaard,
Vliegt op, grijpt schild en helm, endí appel van zijn slagzwaard:
Verneemt, hoe ít vuur met asch ít gewijde marmer dekt,
En ít golven van de vlam de gulde daken lekt:
Speurt, hoe een ronde gloed versmilt die goud schaliŽn,
En ít hoog verhemeld koor worpt vonken door zijn traliŽn:
Dies zweert hij, bij zijn staf, zijn purper, en zijne kroon,
Dat elk om ít eerste lesch, en ít Joodsch gebouw verschoon:
Maar ach! Mj roept te sp‚, zijn krijten is verloren:
Hij buldert schoon om zunst, het oorloog heeft geen ooren.
     Daar mocht men Moria ten Hemel rijzen zien,
En ons verbaasd den brand in ís vijands staal ontvliÍn:
Daar zag men Salomons herborene paleizen
In heete kolen staan, als gloeyende forneizení.
Dí Ohijfberg, heet geroost, amechtig zweet alreÍ.
Het strand wenscht hooger vloed; de eilanden in de zee,
Thabor en Hermon, haar voor zulken gloed ontzetten,
En Kedrons zilvren nat en Gihon droogt van hetten.
Het krakenda gedreun doet aarslen ons Jordaan,
En doodverwt ít aangezicht van dí onvoldragen maan.
Hier vluchten wij te sp‚: dí een braden moet en hersten,
En dí ander half geschroeid van boven springt te bersten.
Dí een, in de borst gekwetst met een vervlogen hout,
Beklaagt, dat hij zijn ziel heeft ít heiligdom vertrouwd:
En dí ander, die getroost omhelsde ít heilig alter,
Wordt van het zwaard verrast, en sneuvelt er, en valt er.
De nood beveelt tí tntwijín, en ieder te betreÍn
ít Plaveisel, afgekeurd voor ís priesters zool alleen:
Maar wat kerkschender heeft hier ít heilige in hoogachting
Genade, o Davids God! wat ís dit een wreede slachting!
     De ontbonden wraak, die tal wat uitmunt fluks verderft
Wiens slippen zijn te met bloed scharlakenrood geverfd,
Het Jodenvleesch goedkoop aan riemen snijdt en lappen.
Het slibberige rood stroomt langs de marmre trappen,
Dat slippren ruglings ons verdervers lichtevoet,
En zelf de vlamme wijkt voor ít uitgestorte bloed.
Op ít jammer en ít gekerm der gener, die hier sneuvlen,
Geeft antwoord Davids stad, en de omgelegen heuvlen.
De krijgsman afgebraakt maait eenen gouden oegst
En doŰns en moordens zat, eer ít alles is verwoest,
Aan ít plondren valt, en ruit en rooft de gulde vaten,
En al wat half geblaakt hem ít vuur heeft nagelaten.
Helaas! als ik ít gedank, het haar te berge stijgt:
Wat wordt mij bange! ik zwijm, ik sterf, het harte ontzijg
Staatduchtera, reikt me ó amy!

REI VAN STAATJONFFREN.

                                                  Hoe is ít? hoe is ít, mevrouwe?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wee onzer! och, zij valt, zij zwijmt, zij sterft van rouwe!
Brengt hier welniekend kruid, kaneel, en kruidery.
O droefheid!

REI VAN STAATJONFFREN.

                      Zij bekomt.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                          Hoe is ít, mevrouwe?

DE DOCHTER SION.

                                                                            Amy!

REI VAN STAATJONFFREN.

Hoe is ít, pnincesse?

DE DOCHTER SION.

                                Amy!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                          Wat dreef heid kwetst uw herte?

DE DOCHTER SION.

Helaas! is ít vragensweerd, die gij gelijke smerte
Met mij deelachtig zijt? Staatjonffren zonder staat!
Ontslaat u mijnen; ach!

REI VAN STAATJONFFREN.

                                     Nu, stelt uw droefheid maat.

DE DOCHTER SION.

De rouw heeft veel te diep haar wortelen geschoten,
Ons past dit treurgewaad; en gij, mijn speelgenooten!
Terwijl ik wat bedaar, waarom en kweeldy niet,
En spijst mijn droeve geest met eenig klaaglijk lied?
Mijn ziel vermaken schept in grouwelijke dingen,
Die voorgevallen zijn in dees veranderingen.
Meldt, hoe door hongersnood een moeder afgetreurd
Uit razernije moordt, rooft, en met tanden scheurt
De zoete vrucht laars lijfs.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                        Watte eiselijke stukken!
Wee onzer! zouden wij met nieuwe ellenden drukken
Onze afgepijnde ziel, door ít wederroepen van
Een daad, die van de felste, en bloedigste tyran,
Hoe onverbiddelijk, kan ít steenen hart verzachten!
Ons brein te zeer ontsteld, en vliegende gedachten
Eer willen zijn gesmeekt en zoetelijk gestoofd:
Ons wonden zijn te versch, dus slaat dat uit uw hoofd.

REI VAN STAATJONFFREN.

Te schendig luidt dat feit, princesse! ít mocht n storen.

DE DOCHTER SION.

Vermag ik iets bij u, te liever wil ik ít hooren.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Als ít anders niet mag zijn, als ít immers wezen moet:
Nature (die den band van ít moederlijk gemoed
Ontbond, doen, uitgeput en razende van zinne,
De moeder overtrof in wreedheid een leeuwinne,
Die in ít Libaansche bosch, van honger afgejaagd,
Nog nuchtren haren roof in haren leger draagt,
En aast zorgvuldig eerst haar eerst geworpen leeuwen,
Die nu de vijfde dag heesch om de voedster schreeuwen)
Ontbindt den band, die nog houdt ít vrouwelijk geslacht
Aan deernis streng verplicht, door een verborgen kracht -
Opdat wij, heel en al ontaard van mededoogen,
Dit treurspel ons vorstin bij beurt vernieuwen mogen.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Als de vloek met duizend benden
Van het Westen donderde op,
Om Jeruzalem te schenden
Van haar zolen tot de top,
Heeft ze Sions gaalderijen
Met een muur omlegerd heel,
En dat zegenrijk kasteel
Ons een kerker doen gedijen.

Och! ons voorraad slijt en mindert,
Mindert, eer wij ommezien,
En ít Latijnsche bolwerk hindert
Nog dí aanstaande nood tí ontvliÍn:
Dies ons vleesch en been komt knagen
Deze worm, die honger heet:
Dies elk fluks van smert vergaat
De ander opgehoopte plagen.

Als men ít leder van de schoenen,
Katten, prijen, heeft geknaauwd,
En de maag haar niet verzoenen
Laat, uit hongersnood benaauwd,
En hoe langer hoe verwoeder
Ons die beul in ít woeden stijft:
Hoort, waar toe zijn wreedheid drijft
Hersenloos een droeve moeder.

REI VAN STAATJONFFREN.

Mag ik anders ít graf niet ervan,
Zegt ze, nu mij ít licht verdriet?
Moet ik dan van honger sterven?
Kent me nu mijn adel niet?
Troost mij nu noch schat, noch have?
Was mijn toevlucht dí heilge berg
Daarom, dat ik ít vleesch en merg
Dien tyran tot voedsel gave?

Dat zij God geklaagd hier boven,
Die met duizend oogen ziet,
Hoe ellendig en verschoven
Mij geweld en kracht geschiedt: -
Hoe rampzalig van benouwdheid
Ik dien slinkschen pad insla,
En aan schendig stuk besta:
Heer, vergeeft me deze stoutheid!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Kind! wat hangdy aan mijn spenen,
Aan mijn borsten, droog en slap,
Daar mijn adran dorrí verleenen
U noch melk, noch bloedig sap?
Snakt uw keeltjen naar mijn leven?
Moeders ziel drukt uit daes mam
Als uw hertjen maar bekwam,
Daar was weinig aan bedreven. (*)

Maar helaas! wie zou mijns zoontjens
Voedster zijn na moeders dood?
En dees ingevallen koontjens
Stoven poezlig in haar schoot?
Ach, mijn schaap! gij bleeft vergeten,
En mijn asschen onverzaadí;
Ook, mijn troost! een wreed soldaat
Mocht u aan zijn lanci speten.

Waar ít niet beter ít licht te mijden
Door uws eigen moeders hand?
En dat ze neen kerkhof wijdden
In haar duister ingewand?
Als van kraayen opgezwolgen
Of een tijgerdier geaasd?
Of een leeuw, die brult en raast,
Grimt, en slingerstaart verbolgen?

Zwangert dan uws moeders landen,
Daar uw geest ontving zijn geest;
Dekt ze een tafel der ellenden,
Dat ze vierí haar laste feest.
Sus, mijn schaapken! wordt u bangar?
Is u ít lieve leven leed?
Ik heb mijn gemoed ontkleed:
Wij zijn kind noch moeder langer.

REI VAN STAATJONFFREN.

ít Woord drupt van de lippen nouwlijks
Of ze keelt dat mager dier;
Vliedt, die schroomt voor let wat grouwlijks!
ít Heilig zieltjen vliegt van hier.
ít Versche vleesch, op heete kolen
Half geroost, ten halven gaar,
Vreet ze, als of ít wat lekkere waar,
En houdt ít overschot gescholen.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Als de wachters spijze roken,
Bonsden zij de deur in twee:
Vloekten: Ąhoer! wat ís hier te koken?
Deelt ons van uw wildbraad met:
Op, schaf op, uw bradelingen!
Op, schaf op du, looze tasch!
Eer wij elk ít getrokken mes
Driemaal in uw borst omwringen!

REI VAN STAATJONFFREN.

ĄStilt uw gramschap, weest te vreden!
Hier is,Ē zegt ze, Ą ít overschot
Van mijns kinds gebraden leden:
Eet vrij, dat u zegent God!
Dat zijn dí armkens, dit de voetjens,
Dat de spierkans van mijn zoon,
Dien mijn honger dwong te doŰn:
ít Vleesch, dat smaakte mij zoo zoetjens.

ĄZet u neder, weest mijn gasten,
Proeft mijn leste dischgerecht!
Waarop wildy langar vasten?
Schijnt mijn maaltijd u te slecht?
Waarom deinsdy? zal een vrouwe,
Zal een wijf geherter dan
Wezen als een oorlogsman,
Die het harnasch gespt getrouwe ?Ē

ĄZijt slaphertiger noch weeker,
Als de moeder, die noch leeft,
En ter nood zoo bittren beker,
Vol vergifs, gedronken heeft.
Gij zijt de oorzaak van mijn smerts,
Die mij ít brood in tegenspoed
Roofde, en ít moederlijk gemoed
Wisselde in een wolvenherte.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

ít Was gezeÓd; de roovers brulden,
Vloden het omenschlijk dak;
Klachten Salems straten vulden;
Waar men van dit grouwel sprak,
Daar vangt siddren aan en beven;
Daar wenscht elk, mat droef gehuil,
Dat hij, in die leeuwenkuil,
Mag den lesten doodsnak geven.

REI VAN STAATJONFFREN.

Als de keizer leent zijn ooren
Zoo beschreyelijken feit,
Wenscht hij nooit te zijn geboren,
Dondert in zijn toornigheid:
Ą ík Wil uitspoelen deze vlekken,
En dit aardrijk, lang gedreigd,
Dat al meer tot boosheid neigt,
Gants met gruis en steenen dekken.Ē

DE DOCHTER SION.

Ja, dekt met gruis, met puin, en met zijn leste steenen,
Dit aardrijk, veel te lang beregend en beschenen:
Verwoest, verbrandt, en blaakt dees stad te lang verschoond,
Daar langer, langer maar geen menschlijkheid in woont,
Maar eenig ongediertí: dat, als ít geen roof kan vinden,
Ontziet zijn eigen nest en vleesch niet te verslinden.
Hier is geen blijven niet, Staatdochters. laat ons vliÍn!
Ons zolen branden.

REI VAN STAATJONFFREN.

                               Maar helaas, helaas! tot wien,
Of werwaarts roepty ons in ballingschap te delen,
Mevrouwe! die wij nu zijn ís keizers gunst bevolen?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wij vlieden tijds genoeg, wanneer de bittre nood
Ons van CśsariŽn scheept, geboeid, met Titusí vloot,
Langs de Africaansche kust, en toeschuift den Latijnen,
Daar andren Hemel dwaalt, en andre sterren schijnen:
Daar Rome ondraaglijk ons gevangen halzen parst,
En Memfisí slavernije, en Babels juk ververscht.

REI VAN STAATJONFFREN.

Maar wie of ginder ons komt nieuwe vreeze inprenten?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

ít Gelijkt een Roomsch heraut, die uit des vijands tenten
Zet herwaarts zijnen trad; wat boodschap of hij brengt?
Heer, moet wat honigs doch dees bitterheid vermengt!
Eens winters kende ontstelt de leden van verschrikken.
ít Valt al ten angsten uit, wat wij ten beste schikken.

REI VAN STAATJONFFREN.

Geen onbesneden is ít, maar iemand van de JoŰn,
Zoo ít oog mij niet bedriegt.

DE DOCHTER SION.

                                            Och! ít Is Matthiasí zoon.
Josephus! zijdy ít zelf, of is uw schim verrezen,
Die gij voorlang bij ons begraven waart voor dezen?
Josephus, zijdy daar? wat komdy nu zoo spa
Den brand uitlesschen van ít woest Hierosolyma?
De daken neÍrgezakt gekeerd zijn lang tot aaschen:
Het krijgsvolk heeft in ít bloed zijn handen lang gewasschen,
En ít heilig goud verklaard voor keizerlijken buit:
ít Is hier schoon uitgeveegd, gemoord, geroofd, geruit:
De falheid van zoo veel Hierosolymitanen
Dit mager hoopken liet het aangezicht vol tranen.

JOSEPHUS.
Onzalig Sion, die uw zinnen overlaadt,
En mijmert om uw ramp en omgevallen staat!
Gij derft Josephus niet uws harten grond uitputten,
Die alsins heeft gepoogd uw dorpels te beschutten:
Die onlangs, daar men ít al de keel afstak en sneed,
Daar hem de vlamme schoer de noppen van zijn kleed,
Daar ít bloed zijn lijfrok smette, en ít brein hem sprong om dí ooren,
U uit die slachting redde, en liet u niet verloren.
DE DOCHTER SION.

Vergevet mij! genade! het is, het is mijn schuld;
Verbijsterd staat mij ít hoofd van enkel ongeduld.
Ik ben mij zelven noch gelijk, noch ook niet machtig.
Een bladeken, dat ruischt, mijn ziele maakt vreesachtig.
Maar zegt ons, wat ís er gaans in ít heer van de onbesneÍn?
Wat juichen gaat erom? waar wil men met ons heen?
Wat zwerven langer wij op dees geslagen toppen
En rotsen, die, nu ís nachts nu ís daags, met heesche kroppen,
Ons klachten volgen, als wij zien van verre opgaan
Den smook, daar onlangs nog plag dí heilge stad te staan?

JOSEPHUS.

Het heerkracht, naauwlijks zat van woÍn up dí eeitverkoornen,
Verschoond hadde alleen drie Herodieansche toornen:
Opdat nog eeuwig de nakomeling onthield,
Wat muurwerk Rome eertijds heeft tot dan grond vernield,
Als dí overwinnen laat een gaalderije oprechten,
Van waar hij zelf aldus toeredent zijn landsknechten:
     ĄKrijgshelden, die dusverre uw rechterhand alom
En ijver hebt besteed tot nut van ít keizerdom
Die ís vijands hoogmoed deedt op deas steenrotsen krimpen,
Van waar halsstarrig hij ons legers dorst beschimpen:
ít Is recht, dat ís maarschalks gunst uw deugd loopí te gemoet,
En ít zweet uws arbeids met belooningen verzoet!Ē
Zoo sprekende, mat een glad voorhoofd hij der scharen
Verdiensten vrolijk gaat met giften evenaren,
En haar deelachtig maakt den buit en rijken roof,
Die ít Heidensch volk aanvaardt, na haar soldaats geloof.
De vroomste, van wiens huid de sabelen afschsmpten,
Hij met halsbanden troost, kleinoodje, en hooger ampten:
Dies ít gansce leger juicht, en in zijn handen klapt,
En elk het bloed vergeet, dat hem is afgetapt.

DE DOCHTER SION.

Die feest was voormaals ons, was Sions, en geen ander,
Als David, Jesses zoon, die rechte Salamander,
Die midden in de brand van ít oorloog ít leven vond,
ít Hovaardig Rabba brak, daar Ammons hart op stond;
Als Assur week, verstrooid in velden en woestijnen,
Dien, die niet zoeters vond als ít bloed der Filistijnen,
En (overla‚n mat neef) met rei, en met tamboer,
Op ít maagdelijk muziek ter poorten inne voer. 

JOSEPHUS.
Den overwinner, om zich dankbaar te bewijzen,
En dí hongrige afgoŰn ook met offervnur te spijzen,
Ten heuvel spoedde, daar het woeden zou goed koop
Wierp ít heilge metselwerk der kerken overhoop:
Omcingeld met een stoet schildknapen en hartsierení,
En krijgsliÍ, vrolijk om dees zagefeest te vieren.
De beesten afgekeurd ter slachting, klommen stout,
En zonder aarslen voor zijn aanzicht: doende ít goud
(Dat onlangs was geschrabt, met messen en met bijlen,
Van ís tempels balken en van dí halfverbrande stijlen,
En om haar hoornen nu gegoten) blinken, als
Zij tí elken staken op vrijpostig haren hals.
De kransen, versch van kruid gevlochten, men van verre
Zag lieflijk groenen en omschaduwen haar sterre,
En ít zoute veldgewas verzwolgen van de krans.
Twee priestren glad gehelmd, mat koper schoon van glans,
Geborstweerd met een plaat, die ít overkleed bedekte,
Dit bont gespikkeld zich ten halven lijve strekte,
Van waar de lijfrok zond zijn vouwen naar beneÍn,
Omgord mat eenen riem vol schilden rond en kleen,
Nabootsende een schalmei, met huppelen en springen,
En tromlende op haar boest, voor uit als leidsliÍ gingen.
ít Opsteigíren kostte zweet; de weg lag ongebaand,
En ít steil gesteente woest, wanschapen van gedaantí.
Het gladde horenvee vermoeid van bangheid rookte,
Om strijd met ít molm verduft, dat half gestikt nog smookte
En mijdde in ít klimmen nog ít gebeentí, dat moedernaakt
Des Heeran berg tot een ellendig kerkhof maakt.
De kraayen vloŰn ít gebulk, en de arenden verschrikten,
Die hier ter feest gebeÍn de doŰní ít gezicht uitpikten.
DE DOCHTER SION.

Zwijgt, zwijgt, Josephus! zwijgt van arenden, en kraayen:
Onze ooren zijn te teÍr, ons hoofd bestaat te draayen:
Dat schouwspel luidt te vremd: hij zielbraakt die ít aanhoort
(Wij zwijgen, die ít beschouwt); maar neen, vertelt ons voort:
Daar is geen grouwzaamheid ter wereld zoo bezeten,
Of wij zijn ít nu gewoon, en lang al doorgebeten. 

JOSEPHUS.
Genakende daar ít nu van lijken stook benaauwd,
Daar de arke voormaals school met Cherubs overschaauwd,
Van waar men deerlijk de Jeruzalemsche wallen,
En ons stadspoorten zag gera‚ibraakt en vervallen,
En de uitgetrokken doŰn naakt, zonder onderscheid,
Dan luipaarden tot roof, de myrre en ít graf ontzeid; ó
Nadat de wichlers de verwoeste kerk aanschouwen,
Zij van ít verstrooid gesteente een hoog outaar doen bouwen:
De stijlen half gevonkt, de balken zwert berookt,
Tot beandhejut staplaní op het plat, dat daadlijk smookt,
En willig ít vuur ontvangt: terwijl haar de ossen lieten
De bastert eerst gekoord recht tusschen dí hoornen gieten:
Den krans ontrukken, en die ga‚r-gebonden bla‚n
Den vlammen heilgen, en ít gezouten korengraan:
Den rug opvlijmen en de altaarknechts hun genaken,
Die met ít gewijde mes haar voort dan strot afstaken.
Het bloed de leegte koos, en zwalpende over al,
Bootste een verbolgen meer, en rooden waterval.
De buiken opgeschrobt ontslaan haar dí ingewanden,
Die, naauw doorsnuffeld, ít vuur ontving om te verbranden.
De priestren stelden haar voor ít altaar ongeknield,
Dat Titus statig met de slinken vingren hield:
Den rechter hij ontzaÓ dan zwaren veldheers hamer,
Om Hemelwaarts zijn hand te heffen veel bekwamer:
     ĄTeruggeziende God! Godin! die, nooit geschaakt ,
Om Rome, riepen zij, en onzen Tiber waakt!
O Janus, grijs van haar! en Veste! die te gader
Ons gunst draagt, met Juppijn, die grootste en beste Vader:
O, vader Mars! en al gij GoŰn gezamentlijk,
Die ons genadig zijt, en, om het keizerrijk,
Met zoo veel zegens en triomfen, te bevesten,
ít Huis van Vespesiaan hebt uitgekipt ten lasten,
En Titus wakkren arm met zulken punt verzaagt,
ít Welk aarsling oversmijt al wat er schepters draagt:
Die gij hem gunstig helpt vermeestren dit tyrannig,
Dit boos verwaten volk, zijn vorsten wederspannig:
O, GoŰn! wij danken u: wij loven u, o GoŰn!
Knikt onzen offer toe, en opent uwen troon!Ē
DE DOCHTER SION.

Straft gij geen Heidnen meer, God Abrahams! en laat ze
Afgodisch rooken op uw heilge stede en plaatse?
Waar was uw solferstraal, die nooit dien smaak verdroeg?
Die Ptolomeus plat jeloers ter aarden sloeg?
Was God van God ontkleed? is hij zoo traag int ít wreken?
Wat dood, wat straf, wat wraak, wat volgde voor een teeken
Dien grouwel?

JOSEPHUS.
                       Onder des was ít altaar aangegaan;
Mat weeken oogen wij dien grouwal zagen aan:
De rots, driemaal verschud, van onder spleet tot boven,
En dí afgrond ít licht verzwolg door ít gapen van de kloven.
Den Hemel wierd bekleed met een verbolgen zee,
En dreigde met tempeest ít afgodisch vuur alreÍ:
Maar de onverlichte, die van droomen haar geneerdan,
Dit op aan morgengroet, en heilzaam spook waardeerden:
De omstaande krijgsliÍ zulks ten halve naauw verstaan;
ĄIŰ, Titus IŰ, IŰ, Vespasiaan!
Al schaterende zij de klippen weÍr doen galmen,
En kransen ís keizers kruin mat schaduwende palmen:
De veldheer weder hun een dankbre ziel toekeert,
En met ít geslagen vee den ruiterdisch stoffeert.
DE DOCHTER SION.

Nu treurt, Staatdochters! treurt, en krenkt vrij al uw zinnen:
Want met haar vleuglen nu de goude Cherubinnen
De grouwlen dekken, die de jongling ons toeriep,
Die veilig in de gracht en ít hol der leeuwen sliep:
Waarn toe is Ašron en Levi nu gekomen?
Wee tempel, stad, en volk! gij, paradijs der vromen!
Gij, wellust IsraŽls! hoe ligdy nu vertreÍn!

REI VAN STAATJONFFREN.

Helaas! mevrouwe, helaas! geen godlooze onbesneÍn
De driemaal heilige aarde ontwijdde, noch schoffeerde.

DE DOCHTER SION.

Wie dan?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

              Maar, ít boevenschuim dat onzen staat verleende,
Lang eer de gramschap nog des keizers, veel getergd
Zijn hengsten briesschen dede, en draven in ít gebergt:
Lang eer nog Titus kwam aanbrallen op ons vesten,
En ons paleizen dan uitheamschen gaf ten besten:
Dan volkren, die de maan zien dobbren op dí Eufraat,
Wanneer zí haar toortse ontsteekt, en ons dan dag ontgaat
Die Tigris golven zien uit Taurus lenden dringen:
Die over Caucasus al hooger Noordwaart springen:
Die op Pactolusí strand het goud in dí oogen raait
Die in dí ∆geesche zee zijn hier en daar gezaaid:
Van ít West, daar Tagus laaft den half gebraden Iber:
Daar ít oever wederzijds gelekt wordt van de Tibar:
Dí ∆gypter, die den Nijl ziet vloeyean over ít droog:
Dí Araber, toegerust mat pijlen, tros, en boog:
Meer andren, die verhit op ít moorden en op ít plondren,
Met ít weÍrlicht kwamen van haar beukelaars opdondren.

DE DOCHTER SION.

Maar zegt, Josephus! hoe ít ons manschap is vergaan,
Die dí overwinnen hield zoon strengelijk geva‚n
In ít leger, als er niets verschoond bleef onbedorven.

JOSEPHUS.

Der boozen rot heeft meest verschulde straf verworven.

DE DOCHTER SION.

Dat was ít, daar ik na haakte! o, Scheidsman! die recht scheidt,
En in de weegschaal hangt van uw rechtvaardigheid
Der menschen zaken, die omwentlen hier beneden:
Nu zien wij, dat bij u geen boosheid wordt geleden,
Die luid van de aarde naar dan Hemel roept om wraak.

JOSEPHUS.

Nu luistert, dat ik u ontvouw de gansche zaak:

DE DOCHTER SION.

Gij Reyen, geeft gehoor!

JOSEPHUS.

                                      Zoo fluks de krijgsliÍ hoorden
ít Geblazen koper hun ontzeggen ít verder moorden:
(Bahalven dat het was geoorloofd te verslaan
Al, wat dí onstuitbre nood in ít harnas te weÍrstaan
Droomde, uit mismoedigheid) zij haren veldheer heden
Nog aan ontelbre schaar van afgematte Joden:
Die ís keizers omzicht liet door zijner Drossaarts een
Uitzondrean, en de vrome en schuldige ouderscheÍn:
Maar dí onderzoeker heeftí ít verborgen goedí te visschen,
In ís moorders voorhoofd leestmí het knagende gewissen:
Dus strekt hij zoo terstond gedoemd, mat ziel en lijf,
Den woedenden soldaat een zeldzaam tijdverdrijf.
Hier moet er een goed deel, met handen en mat voeten
Genageld aan het kruis, bebloed haar bloedschuld boeten:
Daar stuurt mender een hoop van Moria te fel
Naar Kedrons afgrond toe, als naar de donker Hel,
En dekt ze in ít vallen mat muurstukken en met steenen,
Dies vinden zij haar einde ene uitvaart al met eenen:
Hier jagen ze, om van ít vuur dan heeten gloed tí ontgaan,
Haar zelf aan palen dood, geschrocid en half gebra‚n:
Daar sterven nog, uit nijd en afgunst van de wachters,
Veel honderden van dees godlhooze Godverachters:
Hier breektmenze de leÍn met knodsen zwaar van wicht:
Daar kwetst men andren ít hart, de darmen, en ít gezicht:
En duizenderlei slag van nieuw gevonden straffen
Haar boosheid achterhaalt.

DE DOCHTER SION.

                                          Dat leert, dat leert ze blaffen,
Die honden! tegen God, die, oprecht Rechter, niet
Verschoont in zijnen toorne, of door de vingren ziet
Oogluikende eenig kwaad.

REI VAN STAATJONFFREN.

                                         Hoe zijn ze voort gevaren,
Die aan Jeruzalems verderf onschuldig waren?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Hoe anders, als bewaard tot een veel strenger lot,
Als die booswichten zelve, en menschen zonder God.

JOSEPHUS.

Van jongelingen, sterk van lijf, zijn zeven honderd
Tot dí aanstaande triomf des keizers uitgezonderd;
En die bereikten nog geen zeven jaar en tien,
Als beesten omgeveild; men heeft verwisslen zien
Voor ťťnen penning tien en tweemaal zoo veel zielen,
ít Welk zalig loofden, die door ít zweerd in ít oorloog vielen:
Als zij met ít ijzer van haan ketens overla‚n,
Dan bolpees schroomden van een strengen gardiaan.
Voorts, om in schouwplaats ít oog te dienen den tyrannen,
Zijn tot der dieren aas geschikt veel strjdbre mannen,
Of om te schermen lijf om lijf, en hand voor hand:
Waar ís princen wellust dan haar omvoert achterland,
Hetí most eenen steenen hert geborsten zich erbarmen,
Die hier voor ít last de zoeam den vader zag omarmen,
De vaders vallen weÍr haar zonen om dan hals,
Den stok haars ouderdoms, dan troost haars ongevals:
Als elk zijns weegs bedrukt most volgen die hem leiden,
En, ziende tienmaal om, in ít al te bitter scheiden
Gaf teekenen genoeg, hoe streng natuur verbindt,
Door onderlinge trouw, den vader aan het kind,
Het kind aanís vaders ziel, de broeders aan haar broeders:
Die eertijds, hangende aan de borst eens zelfde moeders, -
Versloegen dí eerste dorst met dí ongevalschte melk
Die uit ťťn ader vloeide: o, welken bittren kelk
Most hier gedronken zijn! en zoude ik ons vermanen
De klachten, het gebaar, ít verzuchten, en de tranen,
Ik most bezwijken, en uw luider droeve staat,
Beschreide vrouwen! dit nu geensins toe en laat.
Daar is ít verhaal in ít kort.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

No wreekt uw leed met schreeuwení
En huilen overluid, gij onbestorven weduwen!
Roept luider als gij pleegt eertijds in barens nood,
Doen dí eerstgeboren haakte in uw benaauwde schoot
Naar ít wenschelijke licht des levens, dat ons langar
Verdnietelijker valt, en gaat mat plagen zwanger.
Onze echte mannen ach! gaan, zonder den adieu,
Het afgeworpen jok opnemen op een nieuw!
Onze oudstgeboorní helaas! gejnkt, voor een godloozer
Herboraen Faro, vliÍn en Nabuchodonoser.
Ach, jonffren! met ons treurt!

REI VAN STAATJONFFREN.

                                               Helaas! waar blijven wij?
De geilheid das soldaats (och! moeders blijft ons bij!)
Brandt na ons reinigheid met trommelen en pijpen.
Zij naderen, om uit ons ermen ons te grijpen.
Ons kuischheid lijdt gevaar, die, o wat leiderí smet!
Jeloers de dorpels hield van ís vaders huis bezet:
Die heerlijk aan dan rei der maagden plag te brommen,
En was geheiligd voor zoo schoonen bruidegommen,
Die ís vijands wreedheid gaat verstrooyen West en Oost.
Helaas! helaas! helaas!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                  Nu dochters, zijt getroost!

REI VAN STAATJONFFREN.

Och, Moeders! blijft ons bij.

DE DOCHTER SION.

                                           Nu zet u wat te vreden.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

God Jacobs! ziet ons aan, en red ze in zwarigheden,
En zalft ze, die gij sloegt!

JOSEPHUS.

                                        Deze ijdle tranen spaart,
Gij Joodsche vrouwen! die uw droefheid maar verzwaart.
Gij maagden! schept wat moeds; wie weet nog, van wat enden
U onverwachten troost kan Jozefs trooster zenden.

DE DOCHTER SION.

Matthiasí zoon, die de eer zijt van uw oud geslacht,
Die de overwinners vaak vermorwd hebt en verzacht,
En met uw lippen kneeddí haar hert van diamanten,
Van dat zí haar grof geschut eerst op dees hoogten plantten:
Josephus! of hem nog de maarschalk zoo beried,
Dat hij, door u beweegd, een maat stelde ons verdriet,
Zoudt gij tot Jacobs heil en troost gebruiken laten
Uw redenrijke tong gedoopt in honingraten?

JOSEPHUS.

Wel duizendmaal zoo veel, mevrouwe! - Voor gewis
Houd, dat Josephusí gunst tot uwen besten is.
ís Wets heilge bladen ik ge-eigend heb door ít bidden,
Mijn bloedverwanten ook behouden, in het midden
Der slachting, daar verbaasd elk zag naar ít vluchten om;
Des keizers mildheid mij den vrijen edeldom
Vereerde, en heb gestuit veel razende soldaten,
In ít moorden, branden, als de wereld scheen gelaten
Te wezen zonder Gods bestiering: dies ik veil
Mijn jonste willig nog tot uw en ieders heil:
Dan, overmids ik nu, met Titus meen te vergen,
Zijn goedheid schijnen mocht te samen en te tergen:
Verzoekt veel liever zelf nog, met gebogen kniÍn,
Verzachting van uw kwaal! wie droomt, wie weet misschien
Wat gij verbidden mocht van hem ter goeder uren!
Der vrouwen tranen doch zoodanig van naturen
En aard zijn, dat ze vaak beroeren nog die geen,
Die onverbiddelijk in ieders oogen scheen.
Gaat, vrouwen, maagden! gaat dan dí overwinnen smeken,
Die morgen of in ít kort zijn leger op zal breken.
Vaart wel, mevrouwe! ik ga. Hij wende uw ongeluk
Die al uw onheil weet!

REI VAN STAATJONFFREN.

                                   Laat gij ons dus in druk?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Josephus! mag ons meer voor ditmaal niet gebeuren?

DE DOCHTER SION.

Staatjonffren! volgt mij na, en houdt wat op van treuren.
Tza, gaan we, laat ons gaan! gij vrouwen, volgt mij na!
Wij moeten dwalen op der vijanden gena.

REI VAN JODINNEN.

Laat ons beschreyen ít algemeen
Verderf, en ít licht, dat jongst bescheen
Die Hemelhoog getoornde klippení
Van Davids veel bestormde stad,
Als God haar val gezworen had
Met onbedriegelijke lippen.

Of ís tempels grondvest, nacht en dag,
Naar ít sterren welfsel open lag,
Geverwd van ít bloed der welgeboornen,
En of men ís keizers adler mocht
Zien, met zijn pennen, slaan de locht,
En schittren af van stompe toornen:

Nog even trotsch en onbezorgd,
Op de opperstad en Davids borcht
De muiters haar borstweeren manden:
En wie zijn doodverw had gezet
Uit vreeze, ít vluchten wierd belet
Van boeven, die hier tí zamen spanden.

Maar als zijn opzet en besluit
God tegen ons woŻ voeren uit,
Is schielijk ít leeuwen hart ontvallen
Ons manschap, die beangst uit nood
Den vijand, zonder slag of stoot,
Beklimmen liet de trotsche wallen.

De vijand, die zijn vaan alreÍ
Van ons rondeelen zwieren deÍ,
En blies triumf van vreugde dronken;
Doen kwam die dag en uur, dat God
Ons had bescheerd dat strenge lot
Zijn gramschaps, die bestond tí ontvonken.

ít Roomsch krijgsvolk, als ít geen wederstand
Noch tegenweer van mannen vand,
Drong ít met geslepene rapieren
In dí enge straten bol en dikí:
Daar ít waadde, in eenen oogenblik,
Ten enklen toe in bloedrivieren.

De een, om te ontvliÍn de bleeke dood,
In ondaraardsche kelders vlood,
Wiens toegang wierd gestopt met blinden:
En dí ander, door mistroostigheid
En wanhoop, in zijn ziel verleid,
Gewapend ging zijn kerkhof vinden.

Hoe menig held, die, trotsch van moed,
WoŻ ít vaderland zijn heldisch bloed
Opoffren in ít gevaar der straten,
Van vrouwe en kindren om den hals
Gevallen wierd, met veel gschals:
ĄWat wildy, vader! ons verlaten?Ē

ít Kind, dat nog eerst aan banken ging,
Aan ís moeders achterslippen hing;
De voÍster ít zuigeling liet weenen,
En kwam haar vrouw te hulp, zoo ras
De meester greep naar ít cortelas;
ít Riep deerlijk al: Ąwaar wildy henen

Als dí huisweerd ziet, dat uit noch in
Hem laat ít bestorven huisgezin:
ĄLaat los, laat los !Ē roept bij ten lesten,
ĄDat ik alleen, van ít hooge dak,
Mijn poorte vrij van ongemak,
En ons ontsla dees Helsche pesten.Ē

ít Is naauw gezeid, men vliegt er knap
Na boven, langs den wenteltrap,
Met steenen toegerust en blokken;
Daar ziet hij, hoe een blaauwe wolk
En rot van ít fel Latiju sche volk
Komt op zijn dorpels aangetrokken.

Maar als zij dreigen klop op klop
Te drijven, met heerhamers, op
De poort, bewaakt van sloten grendel:
Wreekt hij dien euvel heel goedkoop,
En kneust de voorste van den hoop,
En hagelt onder ít moorders vendel.

De ruiters ít bloed, verbitterd heel,
Krimpt van de zool in ít bekkeneel,
Zoo men en ros de beenen breken;
Dies zenden ze, met stijve boog,
Wraakgienig haar geschut om hoog,
En branden om dien smaad te wreken.

Wat groeit hier een nieuw stads rumoer!
De deur gescheurd vliegt op de vloer,
Van toorn zij op haar tanden knersten;
De voÍster, die betaalt ít gelag,
De moeder sneuvelt in een daggí,
En ít zuigling treÍn ze ít hert te bersten.

Terwijl ít beneÍn, al uitgeleefd,
Den lasten schreeuw en doodsnak geeft,
Dí huisvader, om haar voor ít verderven
Te hoÍn, van boven rolt verbaasd,
Dien de ongebonden moorders haast,
Uit toorne en wraak, aan hutspot scherven.

De maagden, naauwlijks houwbaar nog,
Zij, na veel dreigementen, och!-
Van hare jongvrouwschap onthulden;
Die, na veel zwijmens, riepen luid:
ĄIs ít Godlijk recht in Isrel uit,
Dat God dien overmoed kan dulden?Ē

Wie kan afmalen al dí ellend,
Die, waar me ít aanzicht keert of wendt,
Gebeurt? wat blijft er onbedorven
Van ít roofgier spook, op snood gewin
Verhit, dat menig huisgezin
Aan honger leÍg vond uitgestorven.

De zon al vroeger, dan zij plag,
Den draaiboom toesloot van den dag,
En week dees grouwlen in de baren.
De menschenslachters, moordens zat
Maar woedens niet, doen nog de stad
Met vuur ten Hemel deden varen.

Gelijk den dag was doorgebracht
Met moorden, zij den duistren nacht
Mat blakren sleten en met branden.
God! waarom ledy, dat uw Kerk
En stad, der Engílen timmerwerk,
Geschend wierd van zou snooden handen! 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001