Joost van den Vondel (1587-1679)

JERUZALEM VERWOEST

DE DERDE HANDEL.

EINEAS, priester.

Melchisedech! o, die ooit, de eerste priester Gods,
Het priesterschap bekleedde op Salems hooge rots,
Wiens hoofdshel van God zelf met balsam wierd bedropen,
Gczalfd en toegekend dan myter, boven open:
Doen s Heeren heuvel gij wat hooger trokt, tot dat
Hij t aanzien en den naam van een ontworpen stad
Bereikte in Canan: Aron uitverkoren!
Die t reukwerk aanstaakt met uw zonen welgeboren;
Ziet op, gij helden Gods! Aartspriestren, ziet eens om,
Hoe t van den Hemel hooggeadeld priesterdom,
Ontkleed van zijnen glans, treurt zonder glimp of luister,
Gelijk, bij zonnezwijm, al schemerende in t duister
De wereld sprietoogt, zoo, wanneer de maan jeloers
Den sterflijken te spijt dekt t aangezicht laars brors:
Treurt, als t gerantsoend lijk eens konings, die verslagen
Wordt, op een rosbaar, versch gebalsemd thuis gedragen.
     Waar is, Jeruzalem! nu uwen konings-staf~
En t priesterlijk cieraad, dat u Jehova gaf?
Waar is uw blank ivoor? uw marmer, klaar van schimmer?
Uw purpen, fijn van draad? uw kerkelijk getimmer?
Uw koninklijk paleis? waar zijn uw oudren? waar
Uw pijlers, bqgen, en gewelven allegar?
Waar t zilver? waar het goud? waar zijnde Cherubijnen?
Waar t altaar, t wyrook, en dees blinkende gordijnen?
Waarde Anke des Verbonds? waar Gode geheimenis?
Helaas! t is verr gezocht, dat niet te vinden is.
     Wie had gedocht, dat God, te streng op ons gebeten,
Zijn erfdeel zoo geheel vertren zoude en vergeten?
Schoon of de muur omringd van zulken heerkracht was,
Dat in t gebergte alom vertrad het kmuid cc t gras;
Schoon of de stad verzonk in t uiterste benouwen,
Ons hoop steunde op de Kerk, en d heilige gebouwen;
Wij riepen: zijt getroost, haat God begaan al stil,
Jehova blijft onz borcht, om zijnen tempels wil!
     Maar ach, rampzalige! als t dan Hemel wo gedogen,
Wij wierden in ons hoop te jammerlijk bedrogen,
In die vervloekte nacht, als, eer het licht opkwam,
Ons kerk aan kolen ging, en stond in lichte vlam:
Als met de vlamme opsteeg ons krijten en ons kermen,
Dat God noch Engel mocht bewegen tot erbarmen;
Doen al dan berg, gesteld in vuur en enkel bloed,
Sloeg d overwinnen met medoogen in t gemoed;
Doen riep me sp: vertrouwt noch kerken noch outaren,
Haar heiligheid geen stad kan voor t verdef bewaren!
      Ik zelf ontvlood dan moord, en riep luidskeels in t vlin:
Vhied met mijl t is vergeefs dan vijand weer te bin;
Hij heeft de stad voorlang, en houdt haar sterke wallen;
De tempel is vergaan: Onz hope is nu gevallen.
Zoo bergde ik naauwlijks t lijf, en rukte, met dees hand,
Veel heilge schatten ongeschonden uit den brand.
    Maar waarom vlood ik? ach! wat hield ik dier mijn leven?
Hadde ik mijn ziele in t vuur des tempels opgegeven,
Als Meirus wel beran, en als Daleus zoon,
Of waar ik in t, hoog koor geteld bij d ander don;
Zoo zoud nooit zijn gebeurd, dat ik, gevan, most laten
Den Heidenschen monarch de goude en zilvren vaten,
t Scharlaken, t reukwerk, en t hoogpriesterlijk gewaad,
En andre ciersels: daar een booswicht, een soldaat
Zijn vingeren aan schendt: zon waren voort mijn beenen
Begraven met den val van d afgekeurde steenen!
     Nu houde ik de uitvaart van t onzalige geslacht,
Om welkers ondergang het volk van Rome lacht,
En op de diensten smaalt, die Mozes heeft geboden,
En prijst voor onzen God een hoop verdichte Goden,
Die Abraham verzaakte: en of mij schoon gen
Geschied is, zoo dat ik op vrije voeten sta,
Wat batet? want, waarheen dat ik mij keere of wende,
Ik zie mijn hertenleed aan Israls ellende!
     Indien ik zie rondom, ik zie hem, die ons dringt,
En vind mij van de macht der Heidenen omringd.
Sla ik t gezicht om leege, ik zie, hoe met dan zweerde
t Huis Jacobs ligt verdelgd, de stad geslecht met d aarde:
Ik zie van d afgrond op nog smooken t heerlijk slot,
Daar David vaak uit heeft den Filistijn hespot.
Heffe ik mijn lichten op, dan Hemel is gesloten,
Noch draagt niet langer gunst zijn ouden bondgenooten.

DE DOCHTER SION, REI VAN STAETJONFFREN, REI VAN JOODSCHE VROUWEN, TITUS.

DE DOCHTER SION.

Gij spoken, die wel eer verhoogd pronkte in de tralin
Van t gunde Blijenburg, behangen met medalin,
Waarme de Godheid hadde onsterflijkt uwen rei,
Als gij zijn eersleep volgde, en droegt zijn leverei,
Als gij Gods Majesteit omschanste met uw stoeten,
En zaagt t gesternt, de zon, en maan benen uw voeten
Verschieten flaauwer, als de klaarste diamant
Ons van d uitbreidsels zendt zijn stralen overkant;
Die gij, getuimeld, moogt op t aldernaauwst vertellen,
Hoe veel van s Hemels top schilt t middelpunt der Hellen:
Ten waar t lang vallen u gewiegd hadd heel in zwijm,
Eer gij ten lesten plofte in s afgronde vuilen slijm
En diepen zwavelpoel, die fluks is aangevlogen,
Doen vonken stoven ner uit Gods vuurvlammende oogen;
Gij spoken! zegge ik, breekt uit uw gevangenis,
Aanschouwt, wie t vallen nog met u deelachtig is;
Ziet, hoe die bliksem Gods mijn hamelhooge cedren,
En marbren gepolijst, ten Helen ging vernedren,
Als ik te trotsch van nek in mijnen plicht ontbrak,
En opgeblazen naar zijn kroon en glorie stek:
Ziet, hoe die lusthof is verkeerd in een woestijne,
En herberg van t gediert, waarin ik eenzaam kwijne!
     O, strekten de oogen mij een sprongrijk Siloa,
No ik mijn handen wringe en voor mijn borsten sla,
En scheur mijn treurgewaad! och, of ze tranen lieten,
Wat zou mij daar een pak, een pak van t hart afschieten!
Nu houdt de rouw, zoo t schijnt, de dorpels toegestopt,
Een rouw, die ik al meer en meen hebbe ingekropt,
Daar ik aan stikken zal, daar ik aan moet verstikken,
Hoe flaauw bezwijkt mijn hert schier allen oogenblikken!
O wee! o wi! o wach! hebt gij, bedrukte maagd!
Uw hert nog niet van rouw gelegd, en uitgeklaagd,
En moogdy niet een traan tot uwen troost verwerven,
Zoo treurt o voorts in t graf, en zoekt uw heil in t sterven.

REI VAN STAATJONFFREN.

Wat knijgsli komen hier, die meer zijn als gemeen?
Waar vlin wij? och! wie is t? zijn t hopli?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                                                    En met een
De veldheer Titus zelf; ik zie, hij staat in t midden.

DE DOCHTER SION.

Staatjonffren! volgt mij na, en helpt ons straf verbidden.
Aanvaardt een droef gelaat, en jammerlijk gebaar.
Slaat voor uw borst, verscheurt uw kleedren, en uw haar,
Als ik mijn stem verhef; bevochtigt met uw tranen
t Hart das verwinners: of gij zoo een weg mocht banen
Tot mededoogen; schaamt, rampzaalge rei! u niet,
Nu aan te gaan al tgeen de bittre nood gebiedt.
Vergeet uw oud geslacht van priesteren en vorsten
En koningen, die t al ten strijde ontzeggen dorsten.
Ootmoedigheid u voegt; ik ga u allen voor.
God! om wiens aanschijn juicht de rei van s Hemels koor,
Mij aangenaamheid jont, druipt honig op mijn lippen,
Dat ik bewegen mag zoo zielelooze klippen,
Als zijn der vijanden onbuiglijke gemon!

TITUS.
Wie knielt hier neder om t erlangen haren zoen?
DE DOCHTER SION.

Grootmogende monarch! wilt met geduldige ooren
Ons klacht, ter zielen uitgeborsten, doch aanhooren:
Wij, t overschot des volks, die vallen u te voet,
Wij eischen geen gen, maar dat gij met ons doet
Al tgeen wat u behaagt: laat vrij uw dienaars stooten
Haar degens door ons borst, die wij voor u ontblooten:
Of dat ze ons werpen van dees rotsen, scherp en steil,
En plettren ons gebeent, want t sterven is ons heil,
De dood ons toevlucht, en haar komst, daar andre menschen
Voor schrikken, is dan troost en t zoetst, daar wij om wenschen
Om te geraken door d eindlooze zwarighen,
En eens ons leed t ontgaan; of zijdy door geben,
Ontzichelijke vorst! nog tot gen te neigen,
Verzacht de penen doch, die d overwonnen dreigen.
t Van ouds beroemd geslacht, dat van de vadren daalt,
Bijna is uitgeroeid; dien lof hebdy behaald:
Een handvol blijft er, uitgeput van ongenuchten,
Die t leven valt, te bang, die niet doen dan verzuchten:
Erbarmt in haarder, en verschoont ze, o vorst! althans,
Die t lot spaarde om te zien dan val haars vaderlands!

TITUS.

Hadt gij dit voorbedacht, vermaledijde Joden!
En van uw poorten mij de sleutlen aangeboden,
Als uws stads grondvest nog haar hooge muren droeg,
Als ik om Sions kreits nog eerst mijn leger sloeg:
Gij stondt nog daar gij stondt, en van uw sterke wallen
En waar de cingel nooit ter aarden nergevallen.
Hoe vaken hebdy, met een ingeboren haat,
Mijn keizerlijke gunst en goedigheid versmaad,
Als ik u hulde aanbood, en, uit een mild ontfermen,
U zwoer gezamentlijk voor onheil te beschermen:
Hoe menigwerven blies ik d aftocht, alzoo ras
Gij nood leedt, als de strijd en storm op t laatste was:
Hoe dikmaal breidelde ik mijn ongetemde benden,
Van vreeze, dat ze uw kerk en Godsdienst zouden schenden!
Nu komdy smeeken; op, staat op!

DE DOCHTER SION.

                                                    Ertsmaarschalk, ach!
Dat wij u kwetsten ooit is, haas! al ons beklag.

TITUS.

Nu t glas verloopen is, nu roept men om genade.

DE DOCHTER SION.

Erbarmt des armen volks, al komet vrij wat spade.

TITUS.

Zoo spade, dat er niets voor u te hopen staat.

DE DOCHTER SION.

Een welgeboren vorst zich nog erbarmen laat.

TITUS.

Een welgeboren vorst zoekt t voordeel van dan lande.

DE DOCHTER SION.

t Ontfermen voordeel brengt, gestrengheid schade en schande.

TITUS.

t Ontfermen brengt ook ramp, gestrengheid voordeel toe;
Zoo houdt men t volk in tucht,

DE DOCHTER SION.

                                                  Elk een verwenscht de ro.

TITUS.

De booswicht haat zijn straf.

DE DOCHTER SION.

                                               Ons heeft geen straf ontbroken.
De veldheer heeft zijn leed ten uiterste gewroken.

TITUS.

Waar mijnen doortocht valt, daar eischen nog te staan
Dees muiters, tot een les en spiegel voor de kwade.

DE DOCHTER SION.

Die t spieglen lust, beschouw dit graf vol doode beenen,
Dees omgekeerde stad, en die verstrooide steenen!

TITUS.

Licht slaat men in de wind tgeen zelf men niet en ziet.

DE DOCHTER SION.

Al ziet men t niet, de faam meldt wat er is geschied.

TITUS.

De Joden voor t gerucht nooit eenen voet verzetten.

DE DOCHTER SION.

t Is een Godsdienstig volk, dat ijvert om zijn wetten.

TITUS.

Is t ijver, dat men muit?

DE DOCHTER SION.

                                      Het acht de vrijheid weerd.

TITUS.

Derft hij ook vrijheid, die al heeft wat hij begeert?
Den Joden was t vergund haar dorpels te bewonen,
Te lezen haren oogst, en koningen te kroonen,
En vorsten van haar bloed met purper te beklen,
En vrank te leven naar der bestevadren lam;
Dies mosten zij den stoel van Romen onderstutten
Met dragelijken tol, daar voor wij haar beschutten
Van allen overlast des woedenden soldaats:
Ja, wie ontwijen dorst s kerks afgekeurde plaats,
Naar d uitgedrukte wat, geprent in zuiver marmer,
Die brocht zijn vonnis mede, en vond geen lijfsbeschermer.
Is dit gaan vrijheid, die t gespuis vernoegen mag?
Veel andre zijn te vreen, en dragen ons ontzag;
Maar uw hardnekkigheid (en niet de zware tollen)
En s keizers slappen moed, die brachten u aan t hollen:
On goedheid vaak misbruikt u stouter heeft gemaakt.

DE DOCHTER SION.

Doorluchte prins! t is waar, t en kan niet zijn miszaakt;
Doch overweegt, dat eerst door woedende tyrannen
De ketenen van twist en oproer zijn gespannen:
Nooit had de vrome deel aan zulken overmoed.

TITUS.
De vrome vaak ontgeldt t kwaad, dat een ander doet.
DE DOCHTER SION.

Wie wijs is en beran, die schift ze van malkander.

TITUS.
Elk wascht zich af van t vuil, en schuift het op een ander.
DE DOCHTER SION.

Wie niet handdadig is aan eenig kwaad beleid,
t Is billijk, dat hij staat op zijn onnoozelheid.

TITUS.

Zoo spreekt de kwaadste schelm.

DE DOCHTER SION.

                                                   Men ziet op niemands spreken,
Men let op ieders feit, en ah tgeen heeft gebleken.
De aanstellers van t rumoer zijn elkeen openbaar.

TITUS.
D handhavers zijn al dood, en die verbergen haar.
DE DOCHTER SION.

Men houde t die te go, de straf hun hoofden wrake.

TITUS.

Rechtvaardigheid, die t meent, eischt over beiden wrake.

DE DOCHTER SION.

Uit slechtigheid is t vaak, dat iemand t kwaad bestemt.

TITUS.

Al boet hij t met zijn hals, dat schijnt dan niemand vremd.

DE DOCHTER SION.

Wie t uit onkunde faalt heeft in dit pleit groot voordeel.

TITUS.
Zoo groot niet, of hij moet uitstaan zijns rechters oordeel.
DE DOCHTER SION.

Een oordeel, hecht gesmeed op t aanbeeld van de ren.

TITUS.

Een oordeel, dat de wat en krijgsraad stelt te vren.

DE DOCHTER SION.

O vorst! vernoegt u met de straf alre genomen,
En die der boozen rot nog varsch is overkomen;
Het overschot meest al onschuldig is aan t kwaad,
Daarmede uw Majesteit gekwetst is inderdaad:
Misgunt niet, dat wij hier zieltogen weinig dagen,
En als een eerlijk lijk Jeruzalem beklagen.

TITUS.
Om hier te nestlen? neen, de krijgsman, die t zich belgt,
Staat uw uitroeyen duur.
DE DOCHTER SION.

                                      Nu zijn wij gants verdelgd.

TITUS.
Zoo gants niet, of ons stond een erger kwaad te vreezen.
DE DOCHTER SION.

Zoo Rome vreeze aankomt van ouderlooze weezen,
Van weewen uitgeschreid, van vrouwen levensmo
Van wat ontwapend volks, zoo brengen wij z haar toe,
Die, uitgemergeld, niet voor hebben, als ons magen,
Waar ze ergens kenbaar zijn, in t koude graf te dragen,
En in spelonken en steenrotsen hier ontrent
Te huilen, schouw van t licht, tot dat ons leven endt.

TITUS.
Van luttel zaads gestrooid, dat over is geschoten,
Wast eenen rijken oogst; alzoo van weinig loten
Ontstaat een boomrijk woud; zoo t eerstgeplante veil
Beklimt en dekt een muur, al is hij hoog en steil;
De doornen laten niet van nieuws wer aan te gruoen,
Zoo lang daar wortel blijft, die most men eerst uitroeyen.
DE DOCHTER SION.

Men laat dees woeste plaats van krijgsli wel verzorgd.

TITUS.
t Mistrouwen geeft meer rust, en is een vaster borcht.
DE DOCHTER SION.

Mistrouwdy die gij loont?

TITUS.
                                        Geenszins, maar wel u-lieden,
Die altijd woelt, en tracht den genen t hoofd te bieden,
Die uwen staat verdrukt.
DE DOCHTER SION.

                                      Ei, wapenloozen hoop!
Die in uw tranen smilt en t zuchten hebt goedkoop,
Verheugt u nog met mij, dat de overwinners moeten
Voor u verschrikken, daar gij ner ligt voor haar voeten:
Grijpt moed, en recht nog op t vervallen Jodendom,
Want Titus staat bedeesd, en t heer ziet naar u om.

TITUS.

Uit d assche van een stad (licht wordt een zaak verkeken)
Is vaak een brand ontstaan, die landen heeft ontsteken,
En rijken met de grond ge-effend en vernield:
Geen lichaam acht men dood, zou lang het is gezield.
Die dikwijls op het veld voor dooden zijn gerekend,
Gedenken aan haar leed, verrijzen wer en wrekent.

DE DOCHTER SION.

Verre is de wraak van ons, die bloot zijn van geweer.

TITUS.
De wanhoop ziet niet aan, al waar t een machtig heer,
Zij geeft ze dubbel kracht, en helpt weer op de beenen
Een deel vervloekt gespuis, eer t iemand zonde meenen.
DE DOCHTER SION.

Helaas, elaardig bloed! t mistrouwen, dat gij hebt,
Veroorzaakt, dat men troost noch blijdschap uit u schept.

TITUS.
Zijt, jonkvrouw! wel gemoed, en wilt ten besten hopen,
De krijgsraad is vergard; mijn tijd is hier verloopen.
Verwacht van ons het lot, en denkt het zal wel gaan:
Wij breken morgen op, daar legt uw zaak na aan.
DE DOCHTER SION.

t Onredelijke dier, dat eertijds twee gebroeders,
Grondleggers van uw staat verschoonde, en, als haars moeders
Ontzet en speen gebrak, opzoogde, aan s Tybers boord,
Was reedlijker als gij, die naar geen smeeken hoort.
Het klippig stcengebergt, dat hier met don bespreed helt,
Ik tot getuige neem, o Titus! van uw wreedheid.
Geen kermen heeft hier plaats, en mij voorzet de nood
Een slaafsche ballingschap, of een benaauwde dood,

REI VAN PRIESTEREN.
Wij, priesternlijke reyen
(Die voormaals met schalmeyen
Den vierdag plachten en de feesten in te wijden,
En steeds op Mozes wetten
Aandachtelijk te letten,
En te vergaren t volk op haar gezette tijden),

Niet hebben acht geslagen,
In de onverwachte plagen,
En t voorspook, dat ons daaglijks met verwoesting dreigde
Al gaf God, zonder spreken,
Zoo menig helder teeken,
Waaraan t bleek, werwaarts dat de Joodsche staat zich neigde

t Verwoesten en t vertreden
Van de omgelegen steden,
Vol viers, vol moordgeschreis, vol brands, vol bloeds, vol tranen, Vol krijtens, en vol zuchten,
Vol twists, vol krijgsgeruchten,
Wo Salam van haar val en ondergang vermanen.

De ruiggehaarde starre,
Die in de locht van verre
Blonk, als een Godlijk zwaard, recht boven onzen schedel,
Riep, dat het zwaard van Romen
Ons haastig op zou komen,
En treffen jong en oud, rijk, arm, el, en onedel.

t Licht binnen d heilge drempel,
Bij t outaar en den tempel,
Waarvoor de donkre nacht week met zijn bruine vlerken:
Het zwangre koebeest mede,
Ten brand geschikt alreede,
t Lam barende, zocht ons te brengen tot opmerken.

De deur met ijzren sloten
Van klaar metaal gegoten,
Die twintig mannen al bezweet te grendlen plachten:
Waarschouwde onz Godverachters,
Als haar de tempelwachters
Wijd open vonden staan vaak en verscheiden nachten.

Het heerkracht veler volken,
Dat, boven in de wolken,
Zich legernde in de locht, voor d ondergang der zonnen, Vertoonde ons al de benden,
Die de oude stad berenden,
En niet aflieten voor zij hadden ze gewonnen.

s Nachts, als wij bezig waren
Om te offren op de altaren,
En t heilig Pinxterfeest met ijver uitermaten
Aandachtelijk te vieren,
Naar d overouw manieren,
Riep ons een stemme toe: laat ons dees kerk verlaten!

t Weeklagen ongewone
Van Ananias zone:
Wee volk! wee stad! wee kerk! wee, wee van allen hoeken!
Ons uit den slaap niet wekte,
Daar t als een voorspel strekte,
t Welk aanwees, dat ons God op t strengste zou bezoeken.

Dit alles slaan wij gade,
Helaas! nu t is te spade,
Nu stad en tempel is een roof der vreemdelingen.
O God! ziet eenmaal neder,
En troostet Levi weder,
Opdat wij uwen lof met juichen mogen zingen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001