Joost van den Vondel (1587-1679)

JERUZALEM VERWOEST

DE VIERDE HANDEL.

TITUS, de keizer, TERENTIUS, hopman.

TITUS.

Wij staan op ons vertrek; mijn afgestren soldaten,
Na zoo veel oorloogs, blijd haar legerplaats verlaten.
Wij laten achter ons een omgeworpen muur,
Een koninklijke stad verdelgd met staal en vuur,
Een aardrijk omgewroet, een kerkhof vet van dooden,
Die niemand staan t ontzien, ten ware dat der Joden
Verrezen schimmen ons opkomen mochten dol
Met fakkelen, gelijk uit Plutos duister hol
Opdonderen somtijds de ontstelde razernijen,
Als al de wereld voor een anker schijnt te rijen
Maar dat is zonder zorg: nochtans acht mijnen raad
Dit oorbaar, dat men, tot gerustheid van den staat,
Hier een bezetting legt van krijgsli wel ervaren,
Die onder eenen voogd t land hier ontrent bewaren,
Opdat er niemand schans, noch slot, noch vesting bouw,
Noch voet krijg, noch iet kwaads den Romulijnschen brouw.
Terentius, die vaak de schild waart van mijn leven,
Wanneer ik in den strijd mij had te diep begeven,
Omcingeld van t gevaar, belegerd van t gekerm,
Besloten van t geweer, daar, met geheven erm,
Gij mij te redden wist door sabelen en pijken,
En sloegt een wagenborg van don en versche lijken:
Deze eere komt u toe: ontvangt, ontvangt van mij,
Uw wettelijke prins en veldheer, de voogdij
Van gansch Judea; let met aandacht op uw zaken,
En wilt in t voordeel van ons monarchije waken.

TERENTIUS

Aanzienelijke vorst! och, of uw majesteit
Meer nuts genieten mocht van mijn gehoorzaamheid!
Wij nemen t ampt in dank; uw mildheid is te loven,
Die ons verdiensten in bezolding gaat te boven.
Verschoont uw dienaar niet, die, als de keizer spreekt,
Wenscht te vervullen tgeen aan zijnen plicht ontbreekt.

TITUS.

Mijn tiende bende, die haar ooit zoo vroom verweerde,
Gesterkt met nog meer volks te voet en ook te peerde,
Ik tot bewaring hier te legeren besloot,
Om de overwinning te verzekren buiten nood,
Waarom men heeft verschoond den muur in t West gelegen,
En tgeen daaraan kleeft: daar het krijgsvolk vrij van regen,
Van hagel, wind en storm, en onwer schuilen mag,
En herberg krijgen: hebt gij over haar t gezag
Omhelst de wetten, en, wie tegen t recht derft woelen,
Doet hem de strengheid van onze krijgstucht voelen.

TERENTIUS

Al wat mijn Heer beveelt, werd wetens niet verzuimd.

TITUS.

Geen uitgedreven Jon geeft hier te wonen ruimt:
Maar andren, die haar naar ons zeden kunnen voegen,
Vergunt deze akkren te bezaayen en te ploegen,
Mids redelijken tol t rijk in te wilgen, en
Dat niemand ander staf als onzen schepter kenn.

TERENTIUS

t Is billijk en gegrond, het steunt op goede reden.

TITUS.

Zoo iemand derf bestaan, f vestingen f steden
Te stichten, en tot zulks iets delve of spitte of graaf,
Die heeft het lijf verbeurd, zijn goed en al zijn haaf.
Die zaak is van gewicht, dus hecht ze in uw gedachten.

TERENTIUS

De prince twijfel niet, wij hopeu t te betrachten.

TITUS.

Uit mijn gevangens ik heb duidelijk verstaan,
Dat Simon, die ons zou veel hoons heeft aangedaan,
Die schelm, die, afgerecht op zou veel boeverijen,
Het oorloog spaarde, om zijn verschulde straf te ljen,
Zich onder t muurwerk houdt, twelk nog van de aarde rookt,
Met andren, die hij naar zijn lust heeft opgestookt:
Neemt acht hierop, en dees steenhoopen wilt bezetten
Met wachters, voor een wijl, die op dien booswicht letten,
Opdat hij t niet ontslip: indien nog t recht in zwang
Bij d Hemellieden is, dat elk zijn straf ontvang,
En penen geld en boet zijn grouwelijke stukken,
Hij zal u niet ontgaan.

TERENTIUS

                                    En of dit wel gelukken,
Wat aischt het recht van hem? te sneuvlen door de bijl?

TITUS.

Die deugd gebeurt hem niet; dat gij hem in der ijl
Mij toestiert, wel bewaard, te Rome, daar wij wenschen,
Dat hij in ons triomf zij t schouwspel velen menschen,
En pijnelijk uitbraak zijn goddehooze ziel,
Die stadig van het eene in t ander kwaad verviel.

TERENTIUS

Schept die verrader slechts in onderaardsche kuilen
De locht, al ging hij zich zoo diep uit angst verschuilen,
Dat hij den Tartarus, daar geenen Febus schijnt,
Mocht hooren loyen, als de boosheid wordt gepijnd:
Die schelm, doorluchtig held! mijn hand niet zal ontvlieden;
Belieft u iets wat maar, gij hebt maar te gebieden.
Ik volge uw Majesteit, en doe u uitgele.

TITUS.

De tijd verloopt, het is hoognoodig dat ik schei,
En vorder onzen tocht; ik zie, nu wij vertrekken,
De keizerlijke stad haar zeven halzen rekken,
En uitzien naar het heer, dat, werwaarts het ook vecht,
Alom het veld behoudt, en prijs en eer inlegt.
Ik zie de stacie van le Roomesche burgerijen,
In volle rusting, ons ontmoeten met verblijen;
Den Tiber zwart van volk; ik zie Vespasiaan,
Mijn broeder, en dan Raad bij Jovis tempel staan:
De pniestren t outaar vele, en al de Goden vieren,
En t onverwerklijk groen t hoofd des verwinners cieren.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN, FRONTO, REI VAN STAATJONFFREN, DE DOCHTER SION.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Nu wakker, stapelt steen! de nood breit duizend listen.
Deze aanslag blijft ons borg, of de eerste treken misten.
O kranke toevlucht! zou de koningen van ouds,
Bedrupt van balsem, en verhalen met veel gouds,
Behangen met de glans van purper en kleinooden,
Opbraken t marmor, en opkeken van dan dooden,
Hoe zou t haar kwetsen, ach! maar als t aldus moet zijn,
Dit is de waarheid naast, en geeft het veinzen schijn
Voor t ander. Wakkert u; metst van berookte steenen
Een graf voor de IJdelheid , en wilt haar lijk beweenen.

FRONTO.
Mars heeft hier uitgeraasd; hij scheidt, om elders wer
Een wederspannig rijk, met zijn gevalde spaar,
Met t werlicht van zijn schild, en met getogen zweerde,
Te slechten, tot den grond en bodem toe, met de eerde.
Ik kome, in s Keizers naam, gelast, om zon terstond
Dees tempelhoeren, die geen uitstel wordt gejond,
Te volgen doen het heer, dat langer niet mag dralen.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Help God! hij komt om ons; het is, om ons te halen!

REI VAN STAATJONFFREN.

Steenrotsen! barst van een; valt, bergen, op ons ner!
Troost God! waar vluchten wij? hier is gaan vluchten meer.

FRONTO.

Weg, weg, met dit geraas! t is langer hier met stenen
Noch karmen niet te doen.

REI VAN STAATJONFFREN.

                                          Waar wildy met ons benen?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wat hebdy met ons voor?

FRONTO.

                                       Voort, voort! Jodinnen, voort!
Ik doe u geen verslag, neen, niet een enkel woord;
Gij werdt het zelf gewaar Wel, waar is uw vorstinne?
Waar is t hertnekkig wijf?

REI VAN STAATJONFFREN.

                                       Wij bidden u, uit minne,
Och! wijst ze ons, waar ze dwaalt.

FRONTO.

t Is u niet onbewust.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wij zijn om harentwil bekommerd en ontrust.

REI VAN STAATJONFFREN.

Zij droop van onze rei vol zuchtens en vol klagen,
Berooid van hoofd en zin, versuft en heel verslagen,
En eer men toezag (Want onze oogen waren dik
En nood van schreyen) zij, in eenen oogenblik,
Was ons gezicht ontgaan, en, werwaarts dat wij zouden,
Haar stem wierd niet gehoord, haar voetspoor niet gevonden.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Verlatene vorstin! zoo gij de locht nog schept,
Meld de oorzaak, waarom dat ge ons dus begaven hebt:
Want zooder hoop was, om uw zelven te versteken,
Wij hadden t zamen wel dit ongeval ontweken:
Geen klip zoo eislijk steil, geen afgrond is zoo naar,
Vol slangen, vol gedierte, of t uiterste gevaar,
Hulde ons doen klimmen, en opklavreren en dalen:
Of hebdy vr dan tijd uw doodschuld gaan betalen,
En zijdy van een rots gesneuveld op een steen,
Die gants verpletterd heeft t albaster van uw len,
Zee wilt door eenig spook of teeken doch gehengen,
Dat wij u vinden, en met rouw ter aarden brengen.

FRONTO.

Hoe luidde t jongst beklag? hoe droeg z haar als ze schied?

REI VAN STAATJONFFREN.

Van droefheid uitgeput, verwonnen van verdriet,
Zal ik dan, sprak ze, die gevallen ben in handen
Van d onbesneden, zijn haar schouwspel t mijnder schanden?
Zal ik, die een vorstin der volken ben geweest,
Verstrekken een slavin van die ons heeft gevreesd?
Zal ik verschoven gaan in ballingschap vol smerten
Mijn ramp ineten? en al steeds met droever herten
Ophalen mijnen val? en den voorleden staat
Gaan vergelijken met ons tegenwoordig kwaad?
Nog zoo niet; naauwlijks was het kermen van de lippen,
Of wij verloren haar omtrent die scherpe klippen.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Hij gaat ze zoeken.

REI VAN STAATJONFFREN.

                              Och! of dit gelukken wo,
Dat wij t lijf bergden van ons welgeboren vrouw
In t uiterste gevaar, voor t woeden der tyrannen:
Wie weet, wat uitheemsch bloed eens met haar aan mocht spannen,
En geven zich te velde, om t overschot der Jon
Te stellen en haar stoel, en koninklijken troon:
Wie weet, van waar ons God mocht een verlosser wekken, -
Die eenen Cyrus zoude of andren Mozes strekken,
Of braven Gedeon, of trotschen Jozua,
Of stouten David, tot verzetting van ons sch.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Staatjonffren, zwijgt! hij keert met overwinners-treden,
Gezwollen om zijn hoofd van toorne en gants t onvreden,
Met dreigende oogde spoedt hij t onswaart zijnen gang.
Jehova, staat ons bij! wat wordt mij t harte bang!
Moord! moord! hij trekt t geweer! ik tril, ik beef, ik sidder!

REI VAN STAATJONFFREN.

Genade, o oud Romein!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                     Genade, o edel ridder!
Wat is t, dat u ontstelt? wat is t, dat gij begaat?
Wat eer is t, dat gij dees verdrukte vrouwen slaat,
Een troosteloozen hoop! tert lieven uwsgelijken.
Gaat uwen vijand toe, zon zal uw vroomheid blijken;
Hier haaldy enkel schand; laat zinken uwen moed!
Wat is t, date ontzet en heftig woeden doet?
Wat eischty zoo verstoord? ach, wilt doch wat bedaren!

FRONTO.

Dat gij ze daadlijk meldt.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                      Men zal t u openbaren,
Als t immers zoo moet zijn, aanhoort slechts met geduld:
Aan haar rampzalig einde en dood heeft niemand schuld
Als zij, die, als ze droef haar handen had gewrongen,
En t aanzicht opgekrabt, is van een rots gesprongen
Met schrikkelijk gehuil, t welk driemaal heeft gevergd
Den galm, die woont in dit omliggende gebergt:
Wij volgden haren sprong met uitgekreten oogen,
Maar wie had onbezwijmd van t hooge aanschouwen mogen
Een lichaam, welks gestalt was van den zwaren val
Gants uitgewischt? o vrouwe! o rotse! o berg! o dal!

FRONTO.

Dat riekt naar schelmerij; denkt nimmermeer met liegen
Een afgerecht Romein, als ik ben, te bedriegen.
Ziet voor u, wat gij doet.

REI VAN STAATJONFFREN.

                                      Wij bidden u, gelooft.

FRONTO.
Waar is het lichaam? fluks!
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                         Wat lichaam? dat, beroofd
Van zijn gedaante, is gants verplet in al zijn deelen?

FRONTO.

Wijst mij t verplettr voort, en past op mijn bevelen.

REI VAN STAATJONFFREN.

Wij kwamen, als zij lag gevallen naar benen,
En hieven t zielloos lijf op van de konde steen,
En groeven t in der ijl daar zelden iemand wandelt,
Van vreeze, dat ze niet wierd na haar dood mishandeld:
Die eer gebeurd haar nog, dat wij de grafste wat
Verheerlijkten met puin van ons verbrande stad,
Met heele en halve steen, op dat er eenig teeken
Mocht blijven, als men van haar einde kwam te spreken.

FRONTO.
Waar is de plaatse? fluks!
REI VAN STAATJONFFREN.

                                       Wij bidden u, betoont
Eerbiedigheid den dode, haar sterflijkheid verschoont,
Noch t lichaam niet onteert van deze, die eylacy!
Gesneuveld deerlijk, wierd begraven zonder stacy.

FRONTO.
Het lichaam zal ik zien; staat op uw hoede nog!
Want vinde ik dit, als t eerste, onwaarheid en bedrog,
Het zal u rouwen.
REI VAN STAATJONFFREN.

                            Och! besnoeit die boze lusten,
En die zoo lieflijk slaapt haat in den grave rusten.
Wat zijdy voor een volk, die, na genomen straf,
Een dode romp vervolgt, en wreekt u aan een graf?
Wat komt u aan? gij valt aan t schenden en aan t breken
Van onze timmer, ach! den Hemel zal het wreken,
Dat, als een dullen hond, gij schuimbekt, schendt, en bijt
t Geen heilig is, en tot een eerlijk lijk gewijd.
Wee ons! hij luistert niet; zijn wreedheid heeft geen ooren.
Best doen wij rechte bichte, en melden t van te voren,
Eer dat hij t al verwoeste, en in zijn dolligheid,
Tot wrake van t bedrog, ons dobble straf bereid.
Vroom krijgsman! staat wat stil, en willet ons vergeven
Wij zijn uit hooge nood en angst hier toe gedreven.
De zinnen lijden last, komt, volgt me; want hierbij
De dochter Sion, met een jonffer twee of drie
Schuilt in het hol des bergs. Komt uit! t is al verloren;
Uw volk heeft u verran, princesse welgeboren!
Den aanslag is ontdekt; komt wederom in t licht,
Verheugt uw vijand met een treurig aangezicht;
Hij lacht in ons verderf; komt uit, en wilt niet schromen:
Zulks is voor dezen ook een koning overkomen,
Die Salems schepter droeg, en met benaauwder ziel
Ontvlinde in handen nog van Nimrods nazaat viel:
Die voor hem sneuvlen zag de vruchten van zijn handen,
En most, van t licht beroofd, zijn leven pijnlijk enden,
In eenen duistren nacht, in een ongastvrij land.
Dit is de gene, die ons over zee en zand
Vervoeren zal; indien gij meer vermoogt met kermen
Als wijli, valt hem aan, en brengt hem tot ontfermen.

DE DOCHTER SION.

Ervaren oorloogsman! na t woeden des soldaats
Had vaak beleefdheid bij den overwinnen plaats,
Die vroom was, en geen roem zocht, met een afgetreden,
Onweerbaar hoopken volks stijf op den nek te treden:
Omhelst doch deze deugd, en leent een lijdzaam oor
Kan uw gevangens! zegt, wat hebdy met ons voor? (*)
Wat lijden gaan wij aan?

FRONTO.

                                      Gij moet terstond naar Romen,
Ons zegefeest ten dienst; het is zoo voorgenomen:
Man zal u, om wiens wil geplengd is zon veel bloeds,
Gevleugeld volgen doen de keizerlijke koets,
Met uwen ganschrn rmei, met duizend jongelingen,
Dan moogdy, zoo t u lust, uw tempeldeuntjens zingen:
Als gij de vaten, en al t goud en zilverwerk,
En t priesterlijk tapijt, de glorie van uw kerk,
De goude kandelaar en tafel, op een wagen,
Ziet zegenrijk ten toon voor ieder ommedragen.

DE DOCHTER SION.

Veel eer als zulks gebeurt, zal God, op mijn geschreeuw,
Doen komen op den weg een tijger of aan leeuw,
Die ons verslinden zal, en tot het been toe knagen,
En met zijn ingewand in zijnen schuilhoek dragen;
Veel eer als dat gebeurt, zal t God zich trekken aan,
En ons of u gezwind met zijnen bliksem slaan;
Veel eer als dat geschiedt, eer dat gij vreugd zult rapen
In onzen ondergang, eer wernden wij verschepen,
En trekken aan t gestalt van een onreedlijk beest,
Eer scheuren wij ons kleed, en schenden uwe feest.

FRONTO.
Gij kwelt u te vergeefs, wij schrikken voor geen dreigen;
Uw roepen geldt hier niet; gij hebt uw lijf niet eigen.
Gij moet mede over zee, dus maakt uw hert geen pijn,
En zult ons dienstmaagd s daags, des nachts ons boelschap.
REI VAN STAATJONFFREN.

Ach! moeder Sion, helpt! wij zijgen ner ter aarden,
Waartoe of wij de bloem van onze jeugd bewaarden
Op een goed huwelijk? om namaals tot garief
Te dienen een schavuit, een eerbloos hangedief?
Om zijn slavin te zijn? om hem te laten drijven
Zijn boze moedwil met ons nooit gerepte lijven,
Ons kuischheid nooit bevlekt, ons witte zuiverheid?
Wat bruiloft hebben wij ons zelfs niet toegeleid!
Zal nu eau Roffiaan van t lijf de gordels rukken,
En de onverwelkte roos van onze maagdom plukken?
God moetet zijn geklaagd!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                         En zullen wij althans
Den moordenaars en beuls van ons getrouwe mans
Verstrekken tot een prooye, en zulke schelms verwarmen,
En hun believen en omhelzen met onze armen,
En dulden, dat ze met haar lippen ongezond
Ons kaken drukken, en t koraal van onze mond!
Geenszins; wij zullen, vr t opdagen van de morgen,
Haar t hoofd omwringen, en in d eerste slaap verworgen.

FRONTO.
t Is lang genoeg gedraald; volgt, daar ik u gele.
Ons heerkracht gij verlet; man acht hier geen geschrei.
DE DOCHTER SION.

Wij volgen, gaat slechts voor; vergunt ons nog die zegen,
Dat wij ons klachte doen, en zeggen onderwegen
Het vaderland adieu. Bedrukte! vangt dan aan,
En neemt uw afscheid; want de tijd eischt, dat wij gaan.

REI VAN JODINNEN.

Gij, onlangs heerlijk,
Maar nu, o deerlijk
Jeruzalem! hoort ons geklag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gezang en cyther,
Staf, kroon, en myter,
Gestoelt, dat nooit zijn werg zag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, prachtige hoven!
Die trotsch naar boven
Reest, daar de stad op t hoogste lag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Volkrijke straten,
Die nu verlaten
Zijt, op het schoonste van den dagn
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Verheven daken!
Vernield door t blaken
Van s vijands tortsen oon verdrag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, hooge poorten!
Waar in verhoord, en
Gevonnist elk te wonden plag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gewijde graven
Van die de staven
En schepters droegen met ontzag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Bespinde toornen!
Waar uit met hoornen
Men maakte van de strijd gewag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, trotsche muren!
Die niet verduren
Ei mocht der Heidnen stormbok doch:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

O kerk der kerken!
Waar aan men merken
Mocht Jacobs ijver oon bedrog:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Daar God zijn zegen
Uitbreidde in t plegen
Van d heilge dienst, die hier geschach:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Daar, blij van zinnen,
De Cherubinnen
Elk minlijk groetten met een lach:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Daar Levis stamme,
Met zuivre vlamme,
Op t outer t offer smooken de:
Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

O, vloer! bevolen
s Hoogpriesters zolen,
Daar eenen Fenix nam zijn stel:
Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

Daar d ark behoedde
Arons roede,
Het Mann, en Mozes Tafel me:
Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

Verslagen helden,
Die most ontgelden
s Krijgs toorne, en boeten het gelag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Verloste moeders!
Die niet bedroevers
Zaagt als uw tepels, droog van zog:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Die in uwe ermen
 t Kind hoorde kermen,
En geven zijnen doodsnak nog:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Verwoeste steenen!
Verstrooide beenen!
Vleesch, dat verstrekt der dieren aas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

Verleide zielen!
Die helpt vernielen
Uw oude stad, en streelt zoo dwaas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

Kelders en kuilen!
Daar voortaan de uilen
Haar laten hooren met geraas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001