Joost van den Vondel (1587-1679)

JERUZALEM VERWOEST

DE VIJFDE EN LESTE HANDEL.

TERENTIUS, SIMEON, REI VAN KRISTINNEN, GABRIňL.

TERENTIUS.
Wie maakt u stout, zoo vroeg lees velden te bespieden?
SIMEON.

Verspieders zijn wij niet, och! neen, maar vrome lieden,
Genadig landvoogd, wij zijn Kristenen gedoopt,
Een vreedzaam volk, dat steeds op Jezus Kristus hoopt,
Der zielen Heilend, diende goddelooze Joden
Zoo schelmsch betichtten, en zou schandelijken dooden:
Wij, gangers in zijn spoor, om zijnen naam versmaad,
Te streng van haar vervolgd, en tot in ít graf gehaat,
Voor ít jongste Paaschfeest hier nog aan ons heerdsteÍ zaten:
Maar door het spoken van de Auzonische soldaten,
Die ít aL afliepen, als vast dí een aan dí ander stad,
Van haar beklommen, de bebloede neÍrlaag had,
En ít eislijk moordgeschrei, dat herwaarts in de toppen
Der hooge bergen klonk van Ascalon, van Joppen,
Van PtolemaÔde, Jotapa, TaricheÍn,
Afaca, Garizim, ít plat land der IdumeÍn,
En andre plekken: wij, beducht voor Salems plagen,
Die Davids zoon voorzet, die vele komen zagen,
En druppen onvoorziene op dit halsstarrig zaad,
Dees muren vloden, naar de Goddelijke raad,
Die ons Messias gaf, en bleven zou verholen
Te Pella. Nu de stad ligt gants vergaan tot kolen
En assche, komen wij, een ongewapend volk,
ít Verwoest Jeruzalem bezien: of nog de kolk,
Of eenig teeken van ons heerdsteÍ was te vinden,
Of koud gebeente van onze onbegraven vrinden:
Vermits wij hoorden, ít heer op zijn vertrekken stond.
Dit weinige, edel heer! ons, arme pelgrims, jont!

TERENTIUS.

Uw antwoord mij vernoegt; gaat henen zonder vragen,
Uw dorpels zoekt, begraaft uwe onbegraven magen,
En zoo de nood u drukt, keert van ít gebergte weÍr,
En slaat u metten woon hier veiliglijken neÍr,
Bezaait dit akkerland, plant wijngaard, bouwt er hutten,
En uwan Kristus dient; wij zuilen u beschutten,
En al, die ít Joodsch geslacht niet godloos hangen aan,
Ons zullen wilkom zijn, ít land zal haar open staan.

REI VAN KRISTENEN.

Helaas! wat merken wij hier al veranderingen!
Helaas, Jeruzalem! ons schijnen alle dingen
Vergaan met uwen val; wat Scyth, wat wreede Parth,
Die hier voorbij gaat, moet met een meÍdoogend hart
Niet aanzien dat geweld vernield met staal en vuurwerk,
En gaven een gehuil op ít omgestorte muurwerk,
Op ít puin en de assche, die dí uitheemschen houdt bedeesd,
En tuigt, hoedanig is haar heerlijkheid geweest.
O God! wat ziedy niet ah aan met alziende oegen!
Win- zal hierover recht uw oordeel vaten mogen!

GABRIňL.

Gij Knisten pelgrims, die hier dut, en vreest geen leed
Van dí Engel GabriŽl, die ís Hemels vloer betreedt,
Die dí heilge Moedermaagd boodschapte van te voren,
Hoe zij van God was tot een Moeder Gods verkoren;
Ik zal ít ontvouwrn, en voor u ontsluiíren al
ít Geen aan te merken staat in lands droeven val;
Met aandacht daar op let, en u geenszins verwondert,
Dat gij hier ziet vertreÍn, verbrand, geblaakt, geplonderd
Den priestenlijken stoel korts vol van majesteit,
Den koninklijken troon, de pracht en heerlijkheid
Des grooten Salomons; dat gij, met staal, met vlammen
En honger, ziet verdelgd de welgeboren stammen,
Die, alle volk te spijt en dí Engeien te trots,
Uitblonken in ít gebergt gelijk een glorie Gods:
Want daar is in vervuld ít geen voormaals u, in Perzen,
Heeft DaniŽl voorzeid met zijn droomkondigí hersen,
Te weten: dat het volk eens vorsts, gewapend sterk,
Uitroeyen zou de stad, het volk, endí heilge kerk,
En schorsen ít offren, en zijn valsche Godsdienst stichten,
Daar, boven dí arke, ít goud des Cherubs plag te lichten:
Gelijk Messias ook gespeld heeft zoo perfect,
Als hij de stralen van zijn Godheid hield bedekt,
En van dí Olijfberg zag het heer de stad verrassen,
Den tempel branden, en ít verwoede Rome plassen
En, met dí hoefijzers van haar hengsten, staan in ít bloed.
Wie niet halsstarrig blijft, kan hier door in ít gemoed
Zich ook verzekren, dat, naar aller heilgen wenschen,
Verschenen is den Held en Heiland aller menschen,
De groote Siloa vermits men ziet ontrukt
Dan Joden haren staf, en haren staat verdrukt,
Ja, tot den grond vernield: gelijk zulks elk gegeven
Is tot een teeken, van dí oudvader, zat van leven,
Die God zoo lang aan zijn beloften hield verschuld,
Tot dat hij Juda zag ontschepterd en onthuld
Van zijnen hoofdband, en ontkleed van zijn gewaden,
En ít volk Gods de aardsche weelde en heerlijkheid versmaden,
Zoo haast als het vernam, hoe Davids Godes zoon
Omleeg afbreken liet dan wereldlijken troon,
Een ongeachte praal, indien ze wierd geleken
Bij ís Hemels glorie, daar bij zit, om uit te steken
Verrí boven al de pracht der koningen, die ooit
Hier lagen overhoop, en vochten haar berooid.
Wat Kristen is er, die nu vele zal zijn gedachten
Meat zulke verkensdraf, en op een Heiland wachten,
Die aardsche kroonen strooit: die troonen bouwt in ít slijk:
Die naauw bepaald is met een eng verganklijk rijk:
Die pr onkt met staven, die inwendig vast verrotten:
Die purper draagt, dat opgeknaagd wordt van de motten,
Dat zijnen glans vergeet, en haast zijn luister derft?
Gij, huisgenooten Gods! die hier beneden zwerft,
Gewisselijk, al waar uw erf het rijk van Meden,
Schoon Perzen waar uw leen, en Nimrods groote steden
Uw lot, schoon of al ít Oost voor u op ít aanzicht viel:
ít Waar nog een kranke troost verworven voor de ziel:
Al blonk uw lichaam als een zon, die zat van stralen
Op haren middag bralt, eer zij gaat nederdalen:
Wat mocht het baten, als een lang gevreesde dood
Op ít onverzienstí voor u deze aardsche glorie sloot!
Laat dan de dwazen gaan brageeren en hoog moemen
In dingen, die slechts zijn verwelkelijke bloemen:
Vliegt gij uit dí ijdelheid naar boven van beneÍn:
Klimt op, daar Jezus wordt van dí Englen aangebeÍn:
Daar ít heerschaar nimmer mei. met juichen en met springen.
Droomt nergens anders af als van hem lof te zingen:
Daar de ouderlingen op haar herpen kunstig slaan:
Daar alle tortsen, daar de sterren, zon, en maan,
Zijn enkel duisternis, ten opzien van dan genen,
Die ít endloos rond vervult, en niets laat onbeschenen:
Daar ít nieuw Jeruzalem heeft gants aan ander schijn:
Daar al de straten goud, de poorten peerlen zijn:
Daar ís Drieheids majesteit verstrekt, aan alle kanten,
Den Hemel-lieden kerk: daar alle diamanten
Verliezen haren glans: daar God zich maakt gemeen,
En duizend jaren zijn als onzer dagen een.
Wie zal nu twijflen, dat de wet, met al haar feesten,
ít Wyrooken, ít slachten, en ít opofferen der beesten,
De reinigingen, en wat dienst daar meen aan kleeft,
Is donkerheid, bij ítgeen dat schoonder luister heeft?
Wie zal de schaduwen omhelzen voor de waarheid?
Of kiezen Mozesí glans voor Kristusí gulde klaarheid,
Die blonk op Thabor van zijn voorhoofd als een zon?
Wie Levi aanzien voer dan tweeden Ašron,
Die in een schoonder koor gaat storten zijn gebeden
Als ooit hoogpriester, die hier wyrookte beneden
In ít heiligdom, dat nu, gebroken en geschend,
Elk raadt, dat hij ít gemoed naar ís Hemels kerken wendí,
Van derwaarts Jezus ít manní laat regenen bij vlagen,
Veel zoeter als de broŰn, die op de tafel lagen
Voor ít pniesterlijk geslacht: van derwaarts elk bereid
Is spijze, die de ziel toebrengt onsterflijkheid.
O, bruid van mijnenVorst verkorene gemeente!
Keert vrij uw aangezicht van ít vlammig boretgeetaenta,
Daar uwen Fenix meÍ ging brallen eens om ít jaar,
Alsof hij niet meer mensch, maar gants vengodet waar:
Die glanzen zijn gebluscht, waarom gij stondt verwonderd,
Die diensten hebben uit: ziet Levi eens geplonderd
Zoo naakt staan zonder kleed, en treuren om den schat
En ít goud, dat Israel zijn kerk geheiligd had.
Zoo gij een priester zoekt, versmaadt dit driftig eiland,
Gaat naar de sterren toe, daar vindy uwen Hellend,
Niet opgesmukt met zijde of wormgespinsel, neen,
Zijn kleed is enkel licht van boven tot beneÍn.
Ziet, wat een ronde kring van houten vlam en stralen
Omzweeft zijn majesteit! ei, ziet eens ieder dalen
Die zoete Cherubijns en Serafijnen, om
ít Schoon aanschijn doen te zien van ís Hemels Bruidegom!
Zij lonken lodderlijk, en blijven op hem staren:
Volgt haren voorgang: laat de doode priesters varen,
En rusten in het graf: leent niet meer Mozesí mond
Maar Kristusí lippen ít oor: omhelst het nieuw Verbond!
Vermengt geen goud met lood; waardeert het beeld geringer
Als ít leven, daar ít op heeft gewezen met de vinger.
Dit treurspel, dat hier is gespeeld zoo bloedig lang,
En nu besloten met der Joden ondergang,
U Gods rechtveerdigheid en strengheid uit gaat drukken,
Die wrake neemt van ít kwaad, en alle boze stukken;
En, tot aanschouwing van een iegelijk persoon,
Stelt, als een baken, dit verdelgd geslacht ten toon:
Gelijk de rechters op het galgeveld de boeven,
Die overgeven vaak haar ouderen bedroeven,
Ja, een geheele stad, brandstichters, en verra‚rs,
Straatschenders, dieven, en vervloekte moordenaars,
Met knodse, vuur, en staal, met koorden en met stroppen,
Raaibraken, worgen, slaan, ophangen, branden, koppen,
En wegen op de straf, naar elks begangen feit:
De plaatse van ít gerecht geeft een afgrijslijkheid
Den reizigers, wanneer zij palen, raden, galgen,
En kruisen zien van verrí, die haar het hert doen walgen
Van dí eiselijke stank, en ít aanzicht al vreschrikt
Afwenden van ít geboeftí, dat, dí oogen uitgepikt
En halfgegeten, spijst den kraayen en den raven,
Endí arenden, die in haar ingewand begraven
ít Verschrookte menschenvleesch, verdord en zwart gebra‚n;
Een vette buit, waarop dees dieren ledig gaan.
De JoŰn van misdaad, in haar knagende geweten,
Vaak wierden overtuigd, wanneer zij Gods profeten
Verpletterden met steen, en bliksemden haar ít hoofd.
Maar och! hoe was dat volk van ít Hemels licht beroofd,
Als zij ophoopten nog de afgrijselijke zonden,
En ít onbesmette Lam zoo bits naar ít leven stonden:
Hoe was al ít helsche spook ontketend op die dag,
Als God zijn liefste Zoon zoo bloedig sterven zag:
Die, streng gebonden, en geslagen, en bespogen,
Gerukt wierd en geplukt, gesleept en voortgetogen:
Die naakt ten toon gesteld eens iedere gaapspel was:
Doen ít al: Ąkruist, kruist hem! riep, Ąen lost ons Barabas!
Zijn bloed zij op ons brein!Ē doen hij, van schreyen moede,
Zijn borst gemarmerd en gestreept zag van de roede:
Doen hij in ít richthuis droeg het purper tot zijn hoon:
Gescepterd met een riet, gemytard met een kroon
Van scherpe doornen, die het krijgsvolk om zijn hersen
Ging vlechten, en verwoed om zijn hoofdslapen persen,
Dat een slagregen van roŰ druppelen al meer
Droop langs zijn voorhoofd en zijn heilig aanschijn neÍr:
Aldus mismaakt, most hij, met pijnelijke gangen,
ít Hout dragen, daar man hem gespalkt koets aan zou hangen,
O wreedheid ongehoord! zou wierd hij, als een guit,
Gedoemd ten ga!genberg, en most ter poorten uit.
Hem volgde een droeve rei van vrouwen en van maagdan,
Die gaande sloegen voor haar borsten, en beklaagden
Den heiligen Profeet, die, door de gansche stad,
Veel kranken oon artsnij van ít bed geholpen had.
Indien nog ít loos gebroed zijn straf had willen keenen,
Zij wierd hun klaar gespeld zelf van de mond des Heeren,
Die zich omwendde, en riep: Ąhelaas, bedrukte rei!
Wat weendy over mij, maakt eer een veldgeschrei,
En uwen val beklaagt; want ziet, ik zie genaken
De fakkel, die uw stad verbranden zal en blaken:
Dan zal men roepen: Ąo, gelukkig is die geen,
Die nooit onnoozel vrucht zag hangen aan haar speen:
O, driemaal zalig, die nooit blijde moeder waren,
Diens buiken nimmer zijn geslonken na het baren!Ē
Zoo sprekende, genaakt hij ít Heidensche gericht,
ít Vervloekte Golgotha, dat wit van schedels ligt.
Hier most hij, naakt aan ít hout gehecht, te schendig lijden
Twee moorders, die hij zag gekruist op beide zijden:
Hier wierp de krijgs-knecht om zijn kleederen het lot:
Hier bad hij voor zijn beuls, en wierd van nieuws bespot:
Met galle en eek gelaafd; hier zag hij ít handenwringen
Zijns moeders, en een zwaard haar droeve ziel doordringen:
Hier schreidí hij: ĄGod, waarom verlaat gij uw zoon!Ē
Dat zijnen moordschreeuw klnek in ís Hemels hoogsten troon;
Wij zagen hem terstond dan lesten doodsnak geven,
En droegen fluks zijn ziel in ít vrolijk eeuwig leven,
In ít lieflijk Paradijs: van derwaart zag ze neÍr,
En zag ít verlaten vleesch doorsteken met een speer,
De zonne gaan te rug, de cierlijke tapijten
Des tempels scheuren, en van zelf aan stukken rijten;
Het aardrijk siddren, en de dood haar ijzren staf
Verworpen, als de doŰn opkeken uit het graf.
O, Kristen schare! laat zijn droevig lijden breken
Uw steenen hert, en denkt, of God, om zich te wreken
Van ít goddeloos geslacht, niet dobbel oorzaak heeft,
Wanneer ít zijn goedheid zoo ondankbaar wederstreeft:
Dus spiegdlt u en vreest, eer gij mee wordt verstooten!
Want heeft hij niet verschoond natuurlijke loten,
Veel minder ongekwetst die van zijn bliksems blijft,
Die tegen de natuur dan boom is ingelijfd:
Of zijdy Jacobs zaad, zoekt geenen roem te halen
Voor God, omdat uw stam van Abram komt te dalen:
Omdat gij zijt besneÍn, noch steunt niet op de Wet,
Maar door ít geloove uw hope op Jezus Kristus zet.
In dees verstoringe en beschreyelijke ellende,
Als in een tafereel, ook aller dingen ende
Wordt levende afgemaald, en naakt gesteld ten toon,
Dat niets blinkt hier baneÍn zoo heerlijk, noch zoo schoon,
Zoo sterk, zoo groot, zou trotsch, zoo prachtig, noch zoo heilig,
Dat voor aan snel verderf zich kan beschutten veilig.
Ziet vrij Jeruzalem eens met opmerken aan:
Gij ziet de wereld met haar vesten ondergaan,
En niets geschapen, dat in eeuwigheid zal duren.
Laat alle steden prat en stout zijn op haar muren,
Wachttoornen, poorten, en bolwerken hemelhoog,
Valbruggen, ijzerwerk, en grachten nimmer droog;
Wat mag het baten, als de jongste dag der dagen
Komt steuren ís werelds feest met allerhande plagen?
Als God zich rust ten strijd, en dat men ít Kristendom
Als in slagoorde vindt tweespaltig staan alom,
Rijk tegen rijk gekant, en dat dí hoofdstoffen stuiten
Nature in haren hoop, en gaan haar ampt te buiten?
Wanneer de onzuivre locht een snelle pest verwekt,
Het kerkhof mest, en ít land alsins met dooden dekt?
Wanneer de zee verlaat haar palen niet om temmen,
Te lande berst en briescht, en op de baren zwemmen
De menschen doet en ít vee? wanneer het aardrijk heeft,
En uit den afgrond looit, en aan gehuil opgeeft,
En hooge klippen scheert, en overstulpt met rotsen
De stede, die hangende aan ít gebergte elk wilden trotsen?
Wanneer den Hemel derft zijn blinkende gestalt,
Zijn sterren strooit, de maan haar zilvren pruik ontvalt,
De zon zijn gouden huive, en dat, met groot vergrammen,
Den ∆ther uitberst, en de wereld stelt in vlammen?
Dan zal de reye der Aarts-Englen dalen af,
En met bazuingeklank verwekken uit het graf,
En dagen voor ít gericht de dooden lang ontslapen,
En zamelen ít gebeentí:  de baren zullen gapen,
En braken lijven uit, die schuurden haren grond,
En die verzwolgen zijn van visschen, groot van mond.
Het aardrijk zal zijn doŰn, de zee haar lijken geven,
En Adam al zijn zaad zien voor hem staan, en leven.
De Cśsars zullen uit haar tomben hemelwaart,
Een gmooter Cśsar zien, en vluchten, al vervaard
Voor zijn streng aangezicht: de vorsten eislijk huilen:
ĄAch, bergen! valt op ons! versteekt ons, helsche kuilen!
Ons schepters hebben uit, ons glorie heeft gedaan!
Wat vierschaar spant men hier? wie kan voor hem bestaan!Ē
ít Geslacht der Joden met verwondering zal spraken:
ĄDit ís hij, wiens zijde met een ijzer wierd doorsteken;
Dit is hij, die betrad de dorpels van ons huis,
En hing op Golgotha gedoemd, en storf aan ít kruis!
Waar bergen wij ons ziel ?Ē het dun getal der vromen,
Dat Kristus door ít gehlooví heeft vrolijk aangenomen,
En ís werelds pracht versmaad, en had om zijnen naam,
Noch schat, noch borgerschap,nodh staat,noch bof,noch faam,
Maar ramp en tegenspoed: ja, waard vaak vander eerden
Verdelgd van felle beulbs, met koorden, vuur, en zweerden:
Dat Kristen hoopken zal, ter rechterhand vooraan
Geplaatst, zijn lichten blijde op zijnen Heiland slaan,
En vliegen hemelwaart naar boven, als ít zal hooren
Die vreugderijke stem: ĄKomt hier, mijn uitverkoren!Ē
En, met een feestgewaad omgord van enkel zon,
Verzellen gaan om hoog den tweeden Salomon:
Die, om elk naar verdienst zijn vonnis uit te meten,
Is op geen stoel van goud en elpenbeen gezeten,
Maar in de wolken bralt, met genoten majesteit
Als EzaÔas zag voorheen Gods heerlijkheid:
Bralt, zegge ik, op een troon, die van de Serafijnen
Gedragen, niet en doet als bliksemen en schijnen,
En werpen straal op straal; ziet, hoe verbaasd voor hem
De goddelooze vliÍn dees donderende stem:
ĄVervloekte, gaat van mij! Ē ít berouw komt hier te spade:
Geen aflaat geeft men hier: hier schenkt God geen genade:
Ziet, hoe al ít helsche spook, met zeldzaam gekrioel,
Mat zijnen pekstok stouwt de zielen in den poel.
Ziet, hoe BeŽlsebub zijn kerkers en zijn holen
Met zwavel propt, en met onlesschelijke kolen,
En pijnt de naakten met een endelooze dood:
Terwijl de Christen rei in Abrams zachte schoot
Gewenschte rust geniet, en in den Paradijze
ít Verborgen manna smaakt, en nut der Englen spijze.
Gij, bondgenooten Gods ít gaat in, door de enge poort,
Naar deze bruilofts feest, en blijdschap nooit gehoord,
En, mat uw voorbeeld en oprechtigheid, wilt nooden
Tot uw gemeenschap steeds het overschot der Joden:
Dat, na veel zwarigheÍn, na veel geladen smaad,
Den Zoon zal kussen, en de Goddelijke raad
Gehoorzaam zijn, na dat ít getal vervuld zal wezen
Der Heidenen, die God en ís werelds Hellend vreezen.

SIMEON.

Lof zij Jehova, die ons wormkens vrundlijk is,
En toont den rijken schat van zijn geheimenis:
Die zijnen Engel zendt uit ís Hemels hooge kerken,
Om ons tí ontsluiten wat wij hebben aan te merken
In Jacobs droeven val, en jammerlijke ellnd.
Mijn Kristenen! dit in uws herten tafel prent!
Aanmerkt Gods strengheid aan de geen die hem verachten,
Zijn gruote goedigheid aan al die op hem wachten.

                                     DOOR EEN IS íT NU VOLDAEN.

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001