Joost van den Vondel (1587-1679)

JERUZALEM VERWOEST

A 1620

AAN MIJN BROEDER,

OP HET TREURSPEL DER JODEN.

Klinkert.

Euripides, die heeft de aanschouwers lang voorhenen
Ten oogen eenen vloed van peerlen uitgedrukt,
Als Hecuba bedroefd, uit haren troon gerukt,
Beschreide Troyens val, met zuchten en met stenen;

Maan gij, o Broeder! der Hierosolymitanen
Droef Treurspel ons vernieuwt en klagelijke moord,
Hoe deerlijk Titus heeft Jeruzalem verstoord:
Om wien de vijand zich niet spenen kost van tranen.

Een wreed barbarisch hert moet schrikken, als t verstaat,
Hoe Sions heerlijkleid en pracht te gronde gaat:
Hoe Salomons gebouw met zijn vergulde daken,

De machtigste pilaar van t vruchtbaar Joodsche land,
Is omgeworpen; hoe eens moeders eigen hand
Haar teder kind uit nood gaat tot spijsoffer maken.

                              GUILHELMUS VONDELIUS.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001