Joost van den Vondel (1587-1679)

JERUZALEM VERWOEST

DEN ERENTFESTEN, ACHTBAREN, WIJZEN, EN VOORZIENIGEN HEERE

CORNELIS PIETERSZ. HOOFT, (*)

RAAD, EN OUD BURGEMEESTER DER OM DES WERELDS OMMELOOP WIJD BEROEMDE KOOPSTAD AMSTELREDAM.

M ij n   H e e r e,

Wanneer de heilige Paulus den Kristengeloovigen vermeent te bidden voer koningen en alle, die in macht en hoogheid gesteld zijn, opdat wij een gerustig en stil leven mogen leiden in alle godzaligheid en eerzaamheid: zoo leert mij ons al stilzwijgende, hoe wij wijze en vrome overheden behoonren met eerbiedigheid te omhelzen, als eenen gnoeben zegen Godes en fonteine, waardoor allerhande heil en webvaren ons bekwamelijk toevloeit: want gelijk een treffelijk filezoof zegt: „ubi præses furnit philosophus, ibi civitas erit felix (die stad zal gelukkig zijn, daar de overheid wijsheid zal nasporen). De proeve hiervan hebben wij, haast eenige jaren herwaarts, gehad in deze onze vereenigde Nederlanden, die, met de hulpe des Alderhoogsten, zoo  vele gevaren gelukkiglijk zijn voorbij gezeild, door het voorzichtig en wijs beleid van hare getrouwe en vrees regeerders, die, als zorgvuldige vaderen, voor het welvaren des Vaderlands en deszelfs vrijheid gedurig hebben gewaakt, gebraakt, en alles uitgestaan. De weerdigste vrucht van deze arbeid is, dat vele duizend verjaagde menschen in den schoot en het gebied der doorluchtige Heeren Staten gastvrij zijn geherbergd en lieflijk gekoesterd, en die in veilige schaduwe gezeten, niet meer hoeven te vreezen de grimmigheid van die, uit het voorborg der Hellen opgedonderde, Spaansche Alecto, die, driemaal haar geslangde perruik geschud hebbende, met haar fakkel het vuur stak in de mutsaarden en rijsbossen, die de palen en staken bekleedden, waaraan dagelijks vele vrome Kristenenu wierden vast gemaakt, die midden in de vlammen Jezus Kristus lof toezingende, hem lijf en ziele opofferden tot eenen zoeten en Onbehagelijken reuk. Indien wij ernsthaftig overwegen de als in het hemde ontvloden wreedheid, en wederom de genoten ruste en veiligheid: gewisselijk wij moeten, gepersd zijnde van een dankbaar gemoed, met de aan strand opgeworpen Æneas uitbarsten en roepen:

O, die gij neemt alleen van ons Troyaansche gasten
Het leed ter harten en de ondragelijke lasten:
Die ons. het overschot der Grieken, hier gestrand,
En uitgeput van ’t ramp te water en te land,
Nog herbergt in uw stad en luis, met rouw bewogen; —
O Dido! ’t staat noch in ons macht, noch in ’t vermogen strooid,
Van ’t volk van Dardanus , dat overal bemoeid
Dwaalt om den gsnschen kreits des aamdnjks wijd verstrooid,
Verschulde dankbaarheid, naar eisch u op te dragen:
De Goôn (zoo verre nog een Godheid schept behagen
In ware Godes-vrucht ; zoo billijkheid nog plaats
Bij iemand heeft, en een gemoed, dat zich niet kwaads
Maan ’t goed bewust is) ’t loon u naar verdiensten jonnen.
Wat blij der eeuw heeft u gebracht in ’t licht der zonnen!
Wat treflijke oudren u geteeld tot ons gewin!
Zoo lang de mind’re vloên afloopen zeewaart in,
Zoo lang de schaad’wen op de bergen gaan en merren,
En ’s Hemels as geleidt de vlook gewelfde sterren,
Zal duren uwen naam en faam met lof en eer,
Het zij wat land mij roept, of werwaarts ik verkeer.

Onze E. E. en A. A. Overheden nee in het algemeen voorbijgaande, en mij in het bijzonder tot uwe E. wendende: gij, mijn Heere, hebt met heilzame naden vaken dezen stads en der hooger Heeren Staten vergaderinge bekleed, en, uw eigen voordeel te rugge zettende, het gemeene best naar tijds gelegenheid gevorderd en helpen vorderen; zoo dat geen verstandige zich met recht zal belgen, dat wij oorzaak nemen, in uwe E. persoon, te verheffen en als aan te bidden de zeer heusche en beleefde regeeringe, onder wiens vleugelen wij zoo gerustmoedig hebben geschuild, en den groeten God gedankt, die over ons had gesteld zoo mild-aardige en bescheiden Goden, de welke, naar het getuigenisse van eener, die, mijn Heer, in het gezond oordeel van burgerlijke zaken niet ontaardt, zijn uitblinkende, als in ’t goud het heldere gesteent.

Daar mangelt dan bij de goede ingezetenen niet anders als dankbaarheid: weshalven, om, onze beleefde regeerders in uwe E. persoon, naar mijn gering vermogen een gering teeken van aller ontvangen weldaden erkentenisse te toonen: zoo offere ik uwe E. dit mijn Treurspel van het verwoeste Jeruzalem, of, om zoo te spreken, mijn tranen, uitgestort over den bloedigen ondergang van het Jodische volk: en dat nog zoo veel te liever, overmids uit uwe E. lendenen gesproten is die Groote Apollo, die onze Nederduitsche telg den dag, en zijn treffelijk geslacht schoonder luister geeft: en wiens gulde rijmen in het voorhoofd van aanzienlijke stads-gebouwen kunstig gegraveerd, en in de kerken boven de tomben met gouden letteren in gladde toetssteen uitblinken, en de voorbijgangers al verbaasd ophouden. Ontvangt dan, mijn Heere! deze mijn geringe dank- en schuldoffer, meer ziende op den wille als iet klein vermogen, en bereikt, o wijze, grijze en landnutte raadsheer! Nestors statige en veeljarige ouderdom, ten goede van ons gemeen beste.

t’ Amstelredam, dezen 20 van Louwmaand, 1620.

Uwe E(rentfeste) en A(chtbare) gans onderdanige

J. V. VONDELEN.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001