Joost van den Vondel (1587-1679)

JERUZALEM VERWOEST

Aan de Joodsche Rabbijnen.

K l i n k e r t.

De rei uws priesterschaps was als van blijdschap dronken,
Doen Jezus hing aan ít hout met armen uitgestrekt,
Gekruist, gegeeseld, en bespogen, en begekt,
Om dat hem was den kelk der bitterheid geschonken.

Zij dachten luttel, dat rechtvaardigheid, die, boven
In ís Hemels gulden schoot, de weegschaal recht ophoudt,
ít Onschuldig bloed meer schat als fijn Ofirisch goud,
En telt al ít zuchten van de waarheid, hier verschoven.

Maar als de dag aanbrak, die God beschoren had
Tot wraak van ít schelmstuk van die godvergeten stad
En ít volk, dat veilig dacht te staan op heilge dremplen;

Doen zag men baar wat zonde al plagen met zich brocht,
En dat de boosheid tot geen borstweer strekken mocht
Geweld van muren, noch schijnheiligheid van templen.

                                             DOOR EEN IS íT NU VOLDAEN.

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001