Joost van den Vondel (1587-1679)

JOSEPH IN DOTHAN

DERDE BEDRYF.

JOSEPH. SIMEON. LEVI.

JOSEPH.

Mijn broeders, zijt gegroet, van mijn heer vaders wegen,
Die hartelijk begaen, my, onder zynen zegen,
Naer Sichem heenen stuurde, op dat hy weeten moght,
Hoe t u en t vee al ging. Wat hoeck bleef onbezocht?
Wat herder ongevraeght, om Sichem en zijn weide
En lantstreeck? k Hou gewis, mijn vaders Engel leide
My herwaert aen: want toen ick, moede en afgezucht,
Ging dwaelen, hopeloos en jammerlijck beducht
Wat raedzaemst was van beide: of langer daer te toeven
Op eenigh klaer bescheit, of vader te bedroeven,
Met evenwijs naer huis, naer Hebron en ons dal,
Van waer ick quam, te spon: ontmoete by geval
(Of liever zoo t Godt gaf) my yemant, die juist vraeghde:
Wien zoeckt ghy dus met smert? Toen ick mijn hart uitklaeghde,
En badt om naeckt bericht, wees hy my herwaert aen,
En had uit u gehoort: laet on naer Dothan gaen.
Spil, sprack hy, hier geen tijhdt. Zy zijn al voortgetogen.
Zoo spreeckende, geleeck de vrientschap in zijn oogen
Aen t flonckeren een geest, zoodanigh als voorheen
(Na dat men hen beschrijft) onze oudren wel verscheen.
Zijn oogen stemden met d aenminnigheit der lippen,
Geverft, als met een geur van roozen, op de tippen.
In t scheiden danckte ick hem, en roock een frisser lucht,
Een langer streeck langs t padt, en schepte mijn genught,
Veel reizen stil te staen, en t elckens om te kijcken,
Verbaest om zynen gangk, en hoe hy heen ging strijcken,
Niet als een sterflijck mensch, maer een van t hemelsch koor,
Ons tot een licht gestiert, op t onbekende spoor.
Het zy wiet wil, Godt lof, hy heeft my recht gewezen.
Ick vinde u hier gezont, Nu is mijn hart genezen
Van die quetsuur. O hoe verquickt uw aengezicht,
Zoo welgedaen, my meer dan t alverquickend licht!
Mijn broeders, ochj ick weet, de vader zal verlangen,
Om tyding, uit mijn mont, van u, zijn zoons, t ontfangen,
De grootvar desgelijcx, en onze moeders me.
Hoe gaet het toch, mijn brors? Hoe staet het met ons vee?
Helaes, wat magh dit zijn? Wat magh de helden deeren,
Dat zy dus overdwaers het aenricht elders keeren?
My aenzien met den neck, en stom als beelden staen?
Och broeders, heb ick u met myne komst misdaen,
Of niet gegroet als t hoort? Ontschuldight mijn gebreecken.
Verschoont mijn dommigheit. Hoe krijgh ick hem aen t spreecken?
Ick ben geen antwoort waert. Helaes, het is mijn schult.

SIMEON.

Ay ziet dien huichelaer. Hoe terght hy u gedult,
En spreeckt ghy niet een woort?

LEVI.

                                                    Wel, heerschap over moeders,
En vader, en al t huis.

SIMEON.

                                    Bezoeckt ghy wer de broeders?
Komt ghy ons wer bespin? Verklicker, wellekoom.

LEVI.

Wat of de droomer nu wer voorquam in den droom?
Vertel ons uw gezicht, uw droom. Zing op, laet hooren.

SIMEON.

Wat of hem schort? Hij zwijght, en heeft zijn tong verloren.

JOSEPH.

Mijn broeders, och ick val voor uwe voeten ner.
Vergeeftme mijn vergrijp, noch eens, en dan niet meer.

LEVI.

Rijs op; het is geen wijs, dat koningklijcke zielen,
Zich buigende in het stof, voor onderdaenen knielen.

SIMEON.

Was vader niet de zon? Was moeder niet de maen?
Wy starren, schooven? he!

JOSEPH.

                                             Och broeders, laet my gaen.
Och broeders, laet my gaen: k wil gaerne voor u bucken,
Gelijck den jongste past.

SIMEON.

                                            Rijs op. Hoe zal t hier lucken?

LEVI.

Nu, koningh Joseph, zegh, wie zal uw stalknecht zijn?
Wie schryver? Wie poortier? Wie schencker, om met wijn
Te kroonen s konings disch? Wie kamerling verstrecken?
Wie muilpaert? Wie kameel? Wie uw karossen trecken?
Koom herwaert, Napthali. Koom herwaert, Zabulon.
Komt Asser, Isaschar, Gad, Judas, Simeon.
En Dan: dit is de schoof: vernedert uwe schoven.
Duickt, starren, zon en maen; dit licht zal t al verdooven.

SIMEON.

Overweldight hem dien staf, en drijft hem naer den put.

JOSEPH.

Och broeders.

LEVI.

                      Voort, ga voort: dit jancken is onnut.

RUBEN (7)

Dit s d oude en drooge put. k Wil hier ontrent vertoeven.
Maer t zou wel noodigh zijn, met eenen steen te proeven,
Of oock de duistre gront met water sta bedeckt,
t Welck van dees heuvelen by wylen herwaert leckt.
Hier leit een kay, zoo zwaer als eenigh man kan heffen.
Nu mannekracht, hef op! die steen wil lydigh treffen.
Laet vallen, dat het kraeck. Laet rollen zonder schrick.
Hy plompt niet eens, maer ploft. Droogh is t er: klaer ben ick.
Weest wellekoom, put. Weest wellekoom, behoeder
Van Jakobs waertsten zoon, van mijn verlegen broeder.
Verdie een naem, wanneer ghy, voor een wisse doot,
Die heldren jongen berght in uwen naeren schoot,
Zoo veel barmhartiger dan negen brors te gader,
Al broederslaghtigen. O put, k zal u by vader,
Dien afgeleefden stock, haest loven voor dees deught,
Terwijl hy Joseph kust al bevende, en van vreught.
De tranen biggelen langs t aengezicht vol rimpelen.
Hoe komtghe my te pas! Hoe helptghe my bewimpelen
Mijn heimelijcken raet, tot redding van die spruit,
Waer in de dorre boom en schorre schors besluit
Zoo luttel saps, als die noch hoeft om wat te leven.
Hoe zal de versche mont aen schraele lippen kleven!
Met welck een hartelijckheit de vader welgezint
Zijn siddrende armen slaen om zijn herboren kint,
Om dien beschutten hals! Met welcke danckbre klancken,
Met hoe veel zegens wil hy Ruben dan bedancken,
Voor broer- en vaderplicht, voor zijn godtvruchtigheit!
Dan zweef ick op zijn tongh zoo hoogh, als t onbescheit
Der broederen, root van schaemt, het hooft moet onder haelen,
Noch dieper dan de put, daer Joseph in moet daelen.
Maer zwijgh, och zwijgh! my dunckt, zy komen ginder aen,
t Verwezen kint voor uit. Och broeders, laet hem gaen.
O, d arme jongen wischt zijn uitgekreten oogen.
O tigers, hebt ghy nu de menscheit uitgetogen,
En voert ghy van den mensch slechs uiterlijcken schijn,
Zoo veel gevaerlijcker als woeste dieren zijn?
Die kent men aen gebit, aen gruwelijcke klaeuwen.
Helaes, wat gaet my aen? De jongen zal verflaeuwen.
Waer best mijn lijf geberght hier ergens in een hegh?
Zij naecken. Och t is tijdt, dat ick my nederlegh!
Want hoorenze mijn stem of t ritslen van de doren,
Zoo is t met ons gedaen, zoo gaenwe bey verloren.

SIMEON. LEVI. JOSEPH.

SIMEON.

Nu, grijn hier na. Treck uit dien kakelbonten rock
Treck uit, eer ick t u leer.

LEVI.

                                          Ja, leer hem met dien stock.

JOSEPH.

Och broeders, kan ick u verwurmen met mijn karmen?
Och, heb ick t zoo gemaeckt? Och, is er geen ontfarmen?

SIMEON.

Schud uit de py, schud uit.

JOSEPH.

                                            Hoe, heb ick t zoo gemaeckt?

LEVI.

Hy sammelt noch.

JOSEPH.

                            Helaes! Waer ben ick nu geraeckt?

LEVI.

Daer ghy zult d uitkomst zien van uwe neske droomen,
In eenen donkren put.

JOSEPH.

                                    Waer ben ick nu gekomen,
Daer Godt woont noch goed mensch, die my voor t lest beschut!
Helaes, wat hebt ghy voor?

SIMEON.

                                          Ghy moet in dezen put.

JOSEPH.

Verdrincken in dien put?

LEVI.

                                         Om van geen dranck te sterven,
Zult ghy van dorst vergaen, en van wijn en water derven.

JOSEPH.

Van honger en van dorst in dezen put vergaen?
O put, ick zie geen gront: hier schijnt noch zon en maen.

SIMEON.

Die zult ghy in uw droom zien schijnen, oock die starren.

JOSEPH.

t Was mijn gulhartigheit: noit docht ick u te sarren.

LEVI.

t Was uw gulhartigheit, nu t zoo te passe koomt.

JOSEPH.

Wie kan gebeteren, dat hy van starren droomt!

LEVI.

Hoe ghy het betren kunt, dat zal die put u leeren,
Een rechte school van tucht. Men moet zyne oudere eeren,
De broeders allermeest, en d ouders boven al.
Wie zich te plomp verheft, raeckt plotseling ten val.

JOSEPH.

k Roep zlefs de hemelen en Englen tot getuigen,
Hoe mijn gehoorzaem hart genegen was te buigen
Voor vader, moedren, u en al het huisgezin.
Misduit mijn droomen niet: daer steeckt niet arreghs in.
Och, zaeght ghy in mijn hart. Och, lagh mijn boezem open:
Daer is noit list, bedrogh noch arghwaen ingeslopen.

SIMEON.

Hoe zingt hy nu zoo kleen? Wat was dat voor een nuck,
Toen ghy by vader ons betighte met dat stuck?
Wat was dat? simpelheit? Of waren t groene padden? (8)
Most ghy de broeders noch zoo schendigh gaen bekladden,
Tot schande van t geslacht, en rockenen dien twist?

JOSEPH.

Wat mensch leeft zoo volmaeckt, die zich niet eens vergist?

LEVI.

t En komt op eens niet aen.

JOSEPH.

                                              Och, ziet dit door de vingeren.

SIMEON.

Ja zoo. Hoe zou hy ons hier me om d ooren slingeren.

LEVI.

Het slimst quam achteraen. Het grontsop drinckt men lest.

SIMEON.

Neen, beter t huis geveeght van deze lucht en pest.

LEVI.

Treck uit dien rock, treck uit.

JOSEPH.

                                                Magh ick mijn rock niet houden?

SIMEON.

Die rock is u niet nut.

LEVI.

                                    Hy moght te nacht verkouden.

JOSEPH.

Och, moght ick Benjamin eens kussen voor mijn endt.

SIMEON.

Een jaerigh kint? (9) Het heeft zijn broeder noit gekent.

JOSEPH.

Ick most, voor mijn vertreck, hem noch een kus afprachen.

LEVI.

Wel, kende u t kint?

JOSEPH.

                                  Mijn bror, ghy hebt my aengelachen.
Maer och, voor t allerlest. Hoe luttel docht ick toen
Daer is mijn rock. Helaes!

SIMEON.

                                          Wy dienen t werck te spon.
Eer yemant onvoorziens ons koom op t stuck betrappen.

JOSEPH.

Ay broeders, laet my gaen. k En zal u niet beklappen.

LEVI.

Wy hebben in dat stuck met zinnen al verzien.

SIMEON.

Koom, lang het laddertouw.

JOSEPH.

                                            Nu kan ick niet ontvlin.

LEVI.

Twee vleugels schorten u: ghy zijt een lichte veugel.

SIMEON.

Sta vast. Ick zal het touw gaen knopen aen den beugel,
Of t halfgebroken rat.

LEVI.

                                    Zie voor u, eer ghy stort,
Of uitglijt. Valt het touw een vam of drie te kort,
Zoo blijft hy in den put licht hangen, als een bengel.

SIMEON.

Zo spring hy voort om laegh.

LEVI.

                                              Maer neen, hy heeft den Engel
Van vader op zijn hant, die draegh hem in den dreck.

SIMEON.

En feilt en mist hem dat?

LEVI.

                                          Zoo breeck hy voort den neck.
Hoe harder smack, hoe nutst: t fatsoen is maer verloren.
Nu wacker, stijgh te paert: de lijn is al geschoren.

SIMEON.

Zoo doet het. Op, klim op, en stijgh gewilligh ner.

JOSEPH.

O Godt, vergeef hun dit.

SIMEON.

                                        Voort, voort, geen woorden meer.

JOSEPH.

Verveelt het u, dat wy voor t lest ons hart uitspreecken?

LEVI.

Ghy mooght in dezen put vry zeven dagen preecken.

JOSEPH.

Och, schenckt my eens voor t lest: mijn hart verstickt van dorst.

LEVI.

Schep water met uw hant; al ziet het wat bemorst,
Het kan den dorst verslaen. De slijm is meest gezoncken.

JOSEPH.

O Godt, dat laeft mijn hart: ncoh eens voor t lest gedroncken.

SIMEON.

Nu klim, daer is mijn knie. Nu zet den voet in t touw.

LEVI.

Stijgh af.

JOSEPH.

                Leeft lang, mijn brors. Troost vader in zijn rouw.

SIMEON.

Die rouw is al gemaeckt.

LEVI.

                                        Hy daelt met flauwe treden.

SIMEON.

Zijt ghy om laegh?

JOSEPH.

                              Noch niet. Hael op, ick ben beneden (10).

LEVI.

Maeck los het laddertouw: t wil tijt zijn, dat wy gaen.

SIMEON.

Ons werck is nu beschickt. Hier moet een dronck op staen,
Met een ontbijt. De zon begint alree te steecken.

LEVI.

Komt, gaenwe daer ons loof noch schaduwen ontbreecken.
Hy heft een klaeghliedt aen. Hoe galmt die naere klanck!

SIMEON.

Ay luistert wat hy zingt.

LEVI.

                                      De tijdt valt my te langk.

SIMEON.

Hoort yemant dat geluidt, zijn stem magh ons verraeden.

LEVI.

t Geluit reickt niet zoo wijdt: oock loopen hier geen paden.
De heirbaen leit te veer: het kreupelbosch zwijght stil:
En wie genaeckt dien put, als die er wezen wil?

JOSEPH.

Mijn Godt, mijn Godt, magh mijn geklagh niet baeten,
  En gaet uw glans en aenschijn voor my schuil,
Voor my, helaes, van u en elck verlaeten,
  In dees spelonck, en onverlichten kuil?
Ick zie t gewelf des blaeuwen hemels blincken,
  Door eenen bril van damp en dicke lucht;
Al schijnt de zon, zy schroomt zoo diep te zincken.
  Ick hoor den windt, maer wie hoort mijn gezucht?
De putgalm baeuwt mijn kermen na, mijn smeecken,
  En kaetst te rugh den allerlesten tarm.
De steenen zelfs uit medelyden spreecken.
  Ick roep: och arm: de putgalm roept: och arm.
Bedanck ick hem, die noch uit mededoogen
  Mijn ziel vertroost, hy danckt my wederom.
En schrey ick: wee mijn oogen; hy schreit: oogen.
  Zit Joseph stom, de putgalm zit oock stom.
Och haetooft, och hoe bitter zijn uw korlen
  In myne keel, schier stickende van smart!
Maer nu, ontbey; daer komt wat zoets op borlen.
  Wat magh dit zijn? Wat troost verfrischt mijn hart?

RUBEN. JOSEPH.

RUBEN.

Zijn dat gebroeders? och, zy hebben t lam gedolven.
Daer gaenze hee, in schijn van harders! die wolven!
Zy lieten allerlest hun wreede stappen hier.
t was goet, dat ick my kon verbyten. k Hadme schier
(Mijn krop wert vol) ontdeckt met bulderen en kryten.
Ja, had ghy t maer gedaen. Zy moghten u vry smyten
In eenen zelven poel; zoo waert ghy door dien raet
Niet schuldiger als zy, aen zoo vervloeckt een daet,
Om wie de vader nu misschien al leit te bedde.
Maer neen, t was beter dus. k Wil zien, of ick hem redde.

JOSEPH.

Och, help my, wie ghy zijt. Och, help my uit den noodt.

RUBEN.

Hy roept. Godt lof! dat s noch geen teecken van zijn doot.
Hoe is het, Josephbror! Ick koom uw wonden stelpen

JOSEPH.

Och, Ruben, help my uit.

RUBEN.

                                          Ick koom, om u te helpen.
Mijn kint, mijn hart, mijn zoon, bedaer wat. Schrey niet meer.

JOSEPH.

Och help my uit.

RUBEN.

                              Mijn bror, hier is noch touw, noch leer:
Noch wist ick raet om touw: ick zou mijn kleeren scheuren,
En strengelen een koort: maer maetigh u in t treuren:
t Is om een korte wijl, een korte stoot, gedaen.
k Beloof u, eer de zon op t hooftpunt koom te staen,
Te redden met dees hant: de tijt kan t nu niet draegen.
Zy zien noch t elckens om, uit achterdocht voor laegen.
k Ontschuil hun vast. Mijn trouw heeft Joseph niet verzaeckt.
Ghy zijt door mijn bestel in dit verdriet geraeckt.
k Bestemde t quaet, op dat er goet uit wert geboren.
Vergeef my toch dien treck, die anders waert verloren.
t Gevaer jaeght my van hier. Leer harden. Ick moet voort.

JOSEPH.

Och, Ruben, Ruben, hoor. Ay broeder, noch een woort.

REY VAN ENGELEN.
ZANG.

Het lust ons, om dees duisternissen
Des puts al t hemelsch licht te missen:
Want zulcke duisternissen zijn
Ons schooner dan de zonneschijn.
Wy willen hier een hemel stichten,
Verzien met aengenamer lichten
Dan aen dat blaeuw gewelfsel staen.
Zijn mont verstrecke een nieuwe maen:
Zijn oogen, op den gront gezoncken,
Twee starren, die den nacht ontvoncken:
Het voorhooft, daer de lock om zweit,
Een zon, gekrult met majesteit
Van zyzacht hair en blonde straelen.
Wat schemering kan t hier by haelen,
Des morgens vroegh, of s avondt laet?
Wat avontstont, wat daegeraet
Beschaemt die winckbraeuw, en die wangen,
Nu met een dunnen mist behangen,
Als met een sluier, fijn van draet,
En bruin van verf, daer vier door slaet
En speelt en schijnt op t zwart te zweven,
Te zoet gedommelt en verdreven (11).
Laet d oogen weiden in die kunst:
Dees schaduw geeft dit licht gunst.

TEGENZANG.

Het zal strax ryzen, om te reizen;
Om koningklijcke en aertspalleizen,
Daer aller wyzen wijsheit zuft,
Met zijn van Godt verlicht vernuft
Te proppen: maer in t eerst zijn banden
En noch een droeven dagh voor handen,
Eer t, begenadight van een kroon,
In t wit beschijn den gouden troon,
Tot heil en troost van veele volcken.
Het moet, vermomt met donckre wolcken
Van ballingschap, veel jaeren lang,
Na een bedruckten ondergang,
In arbeit gaende, aen t baeren raecken.
Dees langsaemheit past groote zaecken.
Een eick, die met zijn hooft vol blan
En bladige armen zal beslaen
Veel gronts, veel luchts, en winterbuien
Van oosten, westen, noorden en zuien,
En blixemstrael en donkerkloot
Verduuren, wordt allengskens groot;
Om tegens dat gewelt te sportelen,
Verzekert hy zyn voet met wortelen,
Zyn rugh met pit, en hout en bast:
Gelijk zoo stout een boschreus past.

TOEZANG.

k Zie Jakobs kinderen en knaepen
Te weiden gaen, en koey en schaepen,
In schaduw van dien hoogen boom (12).
By eenen wijdt vermaerden stroom,
Vast bloemen, gras en klaver scheeren.
k Hoor beemden harderlieden (13) leeren,
De fluit, aen s harders dartlen mont.
k Zie huppelen den vetten gront,
Op het getrippel dezer vingeren,
Die toonen door malkanderen slingeren,
Tot roem van Abrams Godt, wiens hant
Hen voerde in zulck een gastvry lant.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001