Joost van den Vondel (1587-1679)

JOSEPH IN DOTHAN

INLEIDING

Vondel had in 1635 uit Huig de Groot’s Latijn vertaald Sofompáneas of Jozef in’t hof. Dit is het spel van Jozef als onderkoning van Egipte, het slot dus van de Jozef-geschiedenis. Op zich zelf is dit vertaalde treurspel niet zoveel betekenis als de beide andere, maar het is ongetwijfeld voor de dichter mee de aanleiding geworden, om Jozef’s gehele zo aantrekkelike levensgevallen op het toneel te brengen in de trits Jozef in Dothan, Jozef in Egipten (beide van 1640), Jozef in’t hof. Deze drie spelen tesamen brengen met Jozef als hoofdpersoon dit levensbeeld: door lijden en vernedering tot vreugde en heerlikheid, tevens als voorafbeelding van’t leven van Kristus.

In’t eerste treurspel wordt Jozef uitgebeeld als ’n onschuldig eenvoudig kind van nauwliks zestien jaren, dat geen kwaad vermoeden kan: de God-behagelike en God-gelatene tegenover zijn haatdragende broers met hun grove ondeugden.

Die tegenstelling staat heel het spel door in onze verbeelding, en is van diepe ontroering door de zuivere voorstelling van de zo menselike zielewerkelikheid:

Ruben, de oudste, is de goedwillende man, maar zonder de moedige durf om het kwaad te keren en zijn jonge broer te redden;

Judas, wel tegenstander van Jozef’s vermoording, maar te slap en te kortzichtig, en uitvinder van Jozef’s verkoop tot slaaf, als ’n uitredding tussen beide partijen.

Tegenover deze zwakke verdediging staan de boze machten, die aandrijven tot het kwaad:

Simeon, de verpersoonliking van de felste broederhaat; en

Levi, de koel berekende, de eigenlike boze geest, die doorzet om Jozef te verderven; de opzettelike bedrieger ook van Vader Jakob. Doorheen deze Jozef-tragiek, al de heenwijzing naar de toekomstige heerlikheid, vooral in de mooie rei van’t derde bedrijf.

Als tweede in Jozef’s levensgang Josef in Egipten. Dit verbeeldt, hoe Jozef „lleen uit kracht van zijn geloof en vruchtigheid vrijwillig” zegevierend de verleiding weerstaat van zijn meesteres. Onverzettelik in zijn plicht jegens God zijn meester, is hij in zijn weerstand klaar en onomwonden oprecht, maar toch bescheiden, hoffelik, en bijwijlen geestig tegenover zijn verleidster.

Jempsar de door woedende wellust bezetene, die alle vrouwelike middelen weet aan te wenden, zelfs met vernuftig overleg om zich zelf te voldoen door Jozef te verlokken.

In dit boze lokkende spel van de wellust wordt zij geholpen door de sluwe Voester met haar listig inschuifelende verleiding.

Vondel heeft voor deze hartstochtenstrijd zijn voorbeeld gehad in’t machtige treurspel Hippólutos van Eurípdes. Seéneca’s Hippólytus, ’n slappe bewerking daarvan, had hij in 1627 vertaald. Maar in zijn eigen zelfstandige uitbeelding van deze tragise strijd evenaart hij het griekse meesterwerk. en overtreft zelfs de Phèdre van Jean Racine, die datzelfde griekse gegeven op het toneel heeft gebracht.

De dichter heeft deze stof zeer kies behandeld, en meesterlik de geheel heidense sfeer uitgebeeld, waarin Jozef leeft in Potifar’s huis, en waarin hij zonder enige hulp van gelijkgezinde mensen zijn ongerepte zieleleven in zo felle kamp moet verdedigen. Bizonder goed is de vond de reizangen te leggen in de mond van Engelen, Jozef’s beschermers door God gezonden.

Beide treurspelen zijn opgebouwd in die prachtige samengesloten eenheid, met die sterke uitbeelding van de karakters, die zo diepe ontroering, die zo zuivere en rijke verbeelding, en die machtige taal van ’n kristalijne klaarheid en aansprekende plastiek, die wij in al zijn volgende toneelspelen blijven bewonderen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001