Joost van den Vondel (1587-1679)

JOSEPH IN EGYPTEN

HET TWEEDE BEDRIJF

VOESTER, JEMPSAR

VOESTER.

Zy slaept, doch ongerust: ’k wil zachtjes nader treên.
Hier leit het hoofd: zy smijt haer armen staegh van een,
En naulix halfgedeckt kan ’t bedt de leden houden.
Best deck ick ’t naeckte lijf, dat anders moght verkouden.
My dunckt zy droomt: ’k wil stil bij ’t hoofdeind blyven staen.
Hoe raeskalt ze in den slaep: nu laet haer eens begaen.

JEMPSAR.

Al gaf my het geluck te dragen
     Den scepter met den tullebandt,
     En d’eige kroon, die Pharo spant;
Al zat ick op des konings wagen,
Geëerd als koningin van’t land;
’k Had tienmael liever te behagen
    Uwe oogen bruin als diamant,
Dan ’s konings ogen, en de zielen,
Die voor deze aertsche goden knielen,
     En hem verheffen hoog in top.
     Ick nam de kroon van mijnen kop,
En kroonde uw hoofd met puick van stralen.
Een kus zou’t altemael betalen.
     ’t Genot van eenen kus is meer
     Dan al’t genot van staet en eer.

VOESTER.

Helaes! voor’t minnent hart is rust noch vre geschapen;
Want Min houdt scherpe wacht, als al de zinnen slapen.

JEMPSAR.

     Duur lang, ô liefelijcke pijn
Van minneschichten, diep geschoten.
     Smelt Venus’ vier uw hart in’t mijn?
Heeft zy uw hart in’t mijn gegoten,
     En bei de harten eens geaert,
Ononderscheidelijck gepaert?

VOESTER.

Genoegelijcke droom, kunt ghy dees vlammen blussen;
Ick wil, in Josephs plaets, haer mont en wangen kussen.

JEMPSAR.

Dat’s artsenij van iemands mond.
Wie kust mijn kwijnend hart gezond?
Verzoet ghy zoo dit bitter lijen?
Och Joseph, duick mijn morgenstar:
Och vlucht: daer dreigt u Potiphar.
Hy komt ons deze vreugd benijen.
Daer moordt hy u in mijnen schoot.
Waerheen gevloden voor de doot?

Och voester, help, hy moordt, hy woedt, om my te krijgen.

VOESTER.

Wat razernij is dit? dus uit den bed te stijgen?
En langs de kamer naekt te vliegen in het hemd,
|De vlechten om het hoofd, als dol en ongetemd?
Wat razernij is dit?

JEMPSAR.

                               Helaes, waer zijn mijn zinnen?

VOESTER.

Die zijn van huis, mevrouw.

JEMPSAR.

                                              Och hael ze weder binnen.

VOESTER.

Hoe hijgtge dus ontsteld? Bedaer wat, en bekoel.
Nu koom, en zet u hier wat neder in dien stoel,
Naerdien ghy op de koets niet langer kunt geduren.
Koom schiet dien tabberd aen.

JEMPSAR.

                                                   Waer ben ick? in wat muren?

VOESTER.

Mevrouw, ghy zijt in huis, hoe zietge zoo beroerd?
Hoe hangt dit haer om’t hoofd, zoo wild en ongesnoerd?
Nu koom, laet my begaen: ick zal’t een luttel schicken.
Wat kwam u over? Kan een droom u zoo verschricken?
Daer is de spiegel: zie, en spiegel dit gelaet.
Aenschouw eens, hoe die brand van’t hart in d’ogen slaet;
Hoe mager ’t aenzicht kwijnt, en d’ingevalle kaken;
Hoe Min het schoon misverft, en hoe zijn boog kan raken
Een ongewapend hart. Hoe heel ick dees kwetsuur?
Blus uit, blus uit bij tijds dit zorglijck smeulend vuur.
Blus uit den brand, eer die in’t dak van’t hof koom steigeren.

JEMPSAR.

Zoo lang die Jongeling my zijnen mond zal weigeren,
Ziet Jempsar hulp noch troost voor haer bedroefde kwael.
Helaes, waer was ick straks? Wat vriendelijcke strael
Verscheen my in den droom? Hoe flonkerden die ogen?

VOESTER.

Vertel dan uwen droom.

JEMPSAR.

                                        My docht ’kwerd opgetogen
Met Joseph, mond aen mond, in Venus’ heilgen troon,
In Venus’ ledekant, omheind van minnegoôn:
Die schutters deden niets dan naer ons harten doelen;
Wij niets dan minnebrand en kus met kus te koelen.
O welck een lieven gloed gevoelde ick, schicht op schicht
Wat lust is dat, die ’t brein als uit zijn leger licht?
Laet andre zinnen vrij om weelde en wellust woelen;
Ick noem den groten lust, verbeelding van’t gevoelen
Der onderlinge vlam, die door al d’adren rijdt.
Maer zulck een zaligheid nut niemand onbenijd:
Want midden onder’t spel kwam mijn gemael gevaren
Met eenen bloten dolck: straks rezen al mijn haren.
Hy bluste in mijnen schoot dit lesvier van mijn gloed,
Bespattende mijn borst en aenzicht met dat bloed,
Om’twelck mijn bloed dus ziedt en schuimt, en ’t hart moet zuchten.
Dat dreef my uit den bedde, om lijfsgevaer t’ontvluchten,
En dezen tweeden steek, die naer mijn boezem ging.
Och Joseph, Joseph och! och schone jongeling!

VOESTER.

Zwijg stil, het geldt uw hals, hoe nu dus ongebonden
Ick heb uw joferen alree van kant gezonden.
Ai bindt, om slaven en gezin, uw tochten in.
Ick schrik voor uwen heer: wat! schaem u voor’t gezin.

JEMPSAR.

Ick pas op eer noch schand, noch op mijn eigen leven.
De Min vervoogdt het al.

VOESTER.

                                         Waer wordt mijn kind gedreven
Van dolle razernij?

JEMPSAR.

                               Ai moeder, spreek zoo niet,
Noch scheldt geen razernij mijn redelijck verdriet.
Uit rijpe reden wordt mijn hartewee geboren;
Gemene schoonheid mag gemeen vernuft bekoren,
Datt reukeloos slechs ziet de dingen over’t hoofd,
Of licht bestemt, ’tgeen ’t oog al blindeling gelooft:
Maer wie met oordeel mint, zal zich alleen vergapen
Aen enig puickschoon, tot verwondering geschapen:
Gelijck dit uitheems licht, dat leider al te kuis
Verguldt gewelf en zael van ons gezegend huis:
En dunkt het u, dat ick noch revel zonder reden?
Bezie den Jongeling, van boven tot beneden,
Hoe vrouw Natuur aen hem te kost leide al haer schat.
Wat wraekt uw oordeel hier? Wat wenst ghy anders, dat
Niet straks tot misstal strekt? Wat rots wordt niet bewogen?
Nooit zag een valck in’t hof zoo wacker uit zijn ogen;
Die ogen, daer de Min, gezeten op zijn stoel,
Het alles brandt en blaekt, en blijft zelf koud en koel.
Het hoge voorhoofd schijnt een glans van zich te spreien.
Men ziet het blonde haer zijn locken aertigh zweien,
En zwieren over nek en over schouders heen.
In’t aenzicht gloeit de verf. Wie zag ter wereld leên
Van maeksel zoo volmaekt, zoo net, zoo evenmatig?
De mond (die’t zeggen dorst) te stemmig, en te statig,
Zou iet vrijpostigers vereisen, ’t geen een mens
Van zulcke jaren voegt; zoo had ick al mijn wens;
Zoo zwom ick in een zee van allerhande volheid.
Ai moeder, noemt ghy nog uw dochters liefde dolheid?
Och Joseph, Joseph, och, de reden leert het my,
Dat ick u minnen moet, al schijnt het razernij.

VOESTER.

Dit kweekt uw koorts: is’t vreemd dat ghy zoo lang blijft kwijnen

JEMPSAR.

Gelijck langs eene beek de bloemen schoner schijnen,
Daer ’t water over drijft; zoo schijnt zijn eedle geest
Zijn ziel wel ruim zoo schoon, door’t lichaem schoon van leest,
Waer in met overleg dees kiese geest kwam dalen,
En flickren, eveneens gelijck verdronke stralen,
In minen, en gelaet, en voeglijckheid, en al
Wat iegelijck bekoort en trekt, met zulck een val,
Dat hy zich meester maekt van vrouwen en van heren,
En waerd is niet een huis, maer Rijken te regeren.
Och Joseph, Joseph, och, de reden leert het my,
Dat ick u minnen moet, al schijnt het razernij.

VOESTER.

Ghy zijt te krachtigh en hardneckig in’t verbeelden.

JEMPSAR.

De hemel overgoot met overmaet van weelden
Dit huis, gedurende’t voorzichtige beleid
Van dat lieftallig kind. Het welig veld ontzeit
Ons vruchten noch gewas. De dienaers en de knapen
En slaven spoên hun werk: mijn heer mag veilig slapen
Op Joseph wackerheid; de Koning en al’t hof
Onthalen Potiphar met ongemenen lof.
Hier hapert niets, dan dat wy hem vergeefs beminnen,
En hy te krijgel valt, en al te stijf van zinnen,
In’t weijgren van mijn bede, en dagelijcks verzoek.

VOESTER.

Zoo keer uw slaef den nek met een verdienden vloek.

JEMPSAR.

Och Joseph, laet mijn vloek veel eer my zelve treffen,
Dan uw alwaerdig hoofd, hetwelck ick wens te heffen
Tot aen de starren toe; te kransen met een krans
Gevlochten van mijn haer, met uitgelezen glans.
Wie haet zijn eigen hart, of wordt er op verbolgen?
Wanneer de zonnebloem vergeet de zon te volgen
Met lonken; wanneer haer verdriet ’t geliefde licht
T’aenschouwen, met een zoet en minnelijck gericht;
Dan zal ick dien Hebreeuw, mijn lief, den nek toekeren.
Een aengewende min valt lastigh te verleren.

VOESTER.

’Tvalt licht te haten, die ons gunst en vriendschap haet.
Hy blijft toch even schuw, en vtiedt u, waer ghy gaet.

JEMPSAR.

Te feller wordt mijn vier door’t weigren aengesteken.

VOESTER.

Gelijcke liefde kan gelijcke liefde kweken.

JEMPSAR.

Geloof me in ’tgeen ick voel: de liefde in haer bejag
Is heetst op’t wild, ’twelck zy niet achterhalen mag,
En heeft min trek tot iet, dat maklijck wordt gevangen.
Begeerte groeit te meer, door’t vierige verlangen.
De min is haer geen ernst, die om het afslaen suft.
Rechtschape dapperheid wordt niet zoo licht verbluft.

VOESTER.

Ghy kocht dien knecht voor slaef: wat lief hebt ghy verkoren?

JEMPSAR.

Zwijg stil, verkleen hem niet: ghy moordt mijn ziel deur d’oren
Wat zwerft er menig held, dien’t aen geluk ontbreekt,
Maer niet aen stam noch deugd. Al wat in Joseph steekt
Gelijckt niet slaefs, maer heers: dat zwinksel en die gaven
Getuigen, hoe hy nam zijn oorsprong uit de braven:
Doch t’zy zoo’t wil; ick wens voor zijn slavin te gaen.
Geluckig waer’ de vrouw, die onder hem mocht staen.

VOESTER.

Het minnende oog vergroot die dingen zonder oordeel,
Acht alle dromen waer, en rekent schade voordeel.
Mevrouw, ’tis valse waen, die uw verstand misleidt.
Verkies een veilig pad: geloof niet wat ze zeit.
Al gaf hy schoon gehoor, zoo leert uw staet u duicken.
Ghy moogt dien jongeling niet openbaer gebruicken,
Maer steelwijs, en ter sluick, en ergens in een hoek,
En met een hart vol schriks.

JEMPSAR.

                                             Dat is al’tgeen ick zoek.
Gesloke min smaekt zoetst, in duistre en diepe holen:
Daer leeft men bij den nacht: daer glimmen Venus’ kolen
Met levendiger gloed, dan bij den lichten dagh.

VOESTER.

Zwijg stil, ick hoor mijn heer: my dunkt ick hoor gewag.
Daer klopt hy aen de deur: ick beef voor mijn gepeinzen.
Verbijt u toch een poos: wat raed om dit t’ontveinzen?

POTIPHAR, VOESTER, JEMPSAR

POTIPHAR.

Doe open, Voester, hou: wat onrust hoor ick hier?
Hoe vaert mevrouw?

VOESTER.

                                   Een vrouw is een rampzalig dier:
Daer zit zy voor de sponde, en heeft maer pas geslapen.

POTIPHAR.

Hoe is het toch, mijn troost? hoe is’t met u geschapen?

JEMPSAR.

Gelijck ghy daeglijcks ziet: het lust my maer van pas.

POTIPHAR.

Zoo leunt een kwijnend beeld, gebootst van maegdewas,
Op eenen ebben stoel, en laet het hoofd vast hangen.
Is dit die lieve mond? zijn dit dees zachte wangen,
Die ghy my eerstmael boodt, met onverzaden lust?
Heeft Potiphar zoo vroeg den bloesem afgekust,
En al dat blozend schoon van’t aenschijn afgestreken?
Uw rozen gaen eerst op voor’t licht, dat door wil breken,
En op den drempel staet, den valen nacht te spijt.
De goden hoeden het, dat niet een bui van nijd,
Van norse zwarte nijd ons koom zoo vroeg beroven
Van zoo veel helderheên, als uwe jeugd beloven
De lusten van uw lief en trouwen bedgenoot,
Die nergens zachter rust, dan in dien warmen schoot.
’Kmost, overwonnen door uw zuchten, door uw tranen,
My, zeven nachten lang, van dit schoon lichaem spanen;
En twijfel waer ick hebbe in mijnen plicht gefaeld,
Omdat ghy, als voorheen, niet uw gemael onthaelt,
Ja schier afkerig schijnt van hem, en van het leven.
Zeg op, waer is u stof tot ongenoegt gegeven?
Wat maekt u wars van’t licht, en mijne oprechte min?
Mijn lief, of hapert het aen iemand van’t gezin?
Ghy zucht, en antwoordt niet. Wie zijn ze? Ick zal hen straffen.
Ontdek het uwen Heer: hy kan er raed in schaffen.
’Kwil dat een iegelijck u vier, en eer, en dien:
Dat ze altezaemen u, als my, naer d’ogen zien.
Ghy steent, en kropt het in: hoe kan ick dit gedogen?
Wat hartewee schuilt hier? De tranen staen in d’ogen.
Wat schreit ghy r’ Spreek vrij uit, en meldt my, waer het schort.
De kranke, die haer leed den arts verbergt, verkort
Zich zelve, maer wie’t klaegt en meldt, die kan men helpen.
Zeg op: is’t in mijn macht, ick zal dees wonde stelpen.

JEMPSAR.

Vertrouwt ghy, dat wy wars van uwe liefde zijn,
Ons liever, dan voorheen de dagh en zonneschijn,
Die nu verkwicken komt al wat begon te flauwen?
O smert! o hartewee! wat valt dit hard te kauwen!
Maer laes nog harder te verduwen, voor een vrouw,
Die, teder van gemoed, niet opmag tegens rouw,
En onmin. Heilig oog des hemels, die beneden
Op d’aerde met uw strael de minste onzuiverheden
Ontdekt, en altijd zelf zoo rein en zuiver zijt,
Ghy ziet en kent mijn grond, O goden, helpt, hoe snijdt
Dat woord ons in het hart.

POTIPHAR.

                                      Nu sus! niet t’ongeduldig.

VOESTER.

Mevrouw blijft eeuwig dienst en trouw en liefde schuldig
Degenen, die haer trouw aen zijne trouw verknocht,
En zoud’ er blijck van doen, indien ze meer vermocht:
Maer vrouwen zijn gelijck het weer der zomerdagen,
En onderhevig meest aen luimen, en aen vlagen.
Laet deze droeve bui van onlust overgaen.
De zon getroost zich wel, dat d’afgeschene maen
Verflauwt, en niet een lid meer schijnt te kunnen reppen:
Terstond verrijst ze, en lacht, en komt weer luister scheppen
Uit hare wederga, dien koesterenden strael.
De sluimerende Min is slechts op een verhael
En om meer voorraed uit en zal eerlang al tevens
Opborrelen vol saps, doortintelen vol levens
De leden van u beide, en zetten, met meer blijck
Van gunst en gloed dan ooit, al’t achterstel gelijck.

POTIPHAR.

Wat oordeelt d’arts van haer, en van dit langzaem kwijnen?

VOESTER.

Zy heeft te groot een moed, en schaemt zich ziek te schijnen,
Bij artsen of gezin.

POTIPHAR.

                              ’Khad hoop, dat zy haer geest
Verkwicken zoude, op’t hoog en herelijcke feest,
Het welck de joffers zelfs bekleden, en vereren.

VOESTER.

Misschien help ick mevrouw vóór middag in de kleren.

POTIPHAR.

Bekoort u ’t hoogtijd niet? Het woelt alree op straet.

JEMPSAR.

Dit feest bekoort my min dan d’eenzaemheid, ai laet
My heden in de stilte, en achteraf bedaren:
’Twordt beter. ’Tgekrioel der uitgelate scharen
Mocht steurnis geven aen de zinnen. Al mijn lust
(Indien er lust is) strekt tot afgescheiden rust.

VOESTER.

Zwaermoedigheid, van haer gedachten overladen,
Zoekt altijd eenzaemheid, en wandelt doodse paden.

POTIPHAR.

Zwaermoedigheid wordt zoo door eenzaemheid gevoed.
Gezelschap baert vermaek.

JEMPSAR.

                                           De barning van’t gemoed
Blijft duren, daer het ruist van strijdige gezinden.

POTIPHAR.

Vergader zonder strijd.

JEMPSAR.

                                    Waer is die plaets te vinden?

VOESTER.

Belieft het u, mijn Heer, beveel den Huisvoogd vrij,
Dat hy mevrouw in als van daeg te wille zy,
’Tgezin vertrecken doe, en steurnis zoek te mijden.

JEMPSAR.

O ja, dat waer mijn wens: dat zou mijn geest verblijden.

POTIPHAR.

Het zal geschien, mijn troost, daer noodt my ons karros
Op’t hoge feest: grijp moed.

JEMPSAR.

                                            Mijn hart.

POTIPHAR.

                                                             Nu laet my los.
Ick hoop na’t hoogtijd u in betren staet t’ontmoeten:
Laet Joseph midlerwijl mijn schuld gedienstigh boeten.

JEMPSAR.

Och Voester, vat dit woord: hy zelf geeft ons verlof.

VOESTER.

Zwijg stil.

JEMPSAR.

                 Spreek Joseph aen: nu hebt ghy sprekens stof.

VOESTER.

Och zwijg, mevrouw, zwijg stil, eer hy u hoor geluid slaen.
’Kzal luistren wat mijn heer den huisvoogd zeit in’t uitgaen.
De joffers gaen vast heen: de joffers noden hem:
Hy weigert haer ’t gelei: daer hoor ick Joseph’s stem.

POTIPHAR. JOSEPH.

POTIPHAR.

Wel Joseph, gaet ghy nu de joffers niet geleiden
Naer’t vrouwetimmer, om het oog te laten weiden
In zulck een’ schonen rouw, die lijck en uitvaert siert
Van Apis? Suft ghy thuis, nu al de wereld viert

JOSEPH.

Mijn heer, ick kan de tijd wel eenzaem overbrengen.
Hoe verder van dat vier, hoe minder zorg voor zengen.
De joffers tieren best in’t midden van’t gewoel.
Hy blake om haer, wie wil; mijn aerd is stil en koel.

POTIPHAR.

Kan zoo een jongling zich van zoo veel zonnen spanen
Van’t vier ’twelck schoner speelt door tere joffretranen,
Dan ’t licht door eene wolck, wanneer de regenboog
Gespannen, regens spelt, en verft de lucht om hoog.
Dit beurt om vier jaer eens, hoe blijft ghy zoo afkerig
Van feesten?

JOSEPH.

                    Ick was nooit nieuwsgierig noch begerig
Om d’uitvaert te bezien.

POTIPHAR.

                                     De toestel wijst wel aen
Met wat een heerlijckheid dees staetsie toe zal gaen,
Ja heerlijcker dan ooit in menig jaer te voren.
Wien zou ze heden niet, wien morgen niet, bekoren?
Van daeg de ridderschap, en schutterlijcke kracht,
Met slepende geweer: een dubble rij en pracht
Van Isis’ priesteren, gedost met hartevellen:
Dan ’t aengebeden lijck, en die dat lijck verzellen;
De koning, en al’t hof: de heren, en de raet:
De koningin in rouw: haer sleep, en hele staet,
Met sluiers om het hooft, met tranen op de wangen:
De borsten opgekrabt, de lucht met lijckgezangen,
Met priesterlijck geloei, tamboer, en sisterklank,
En cymbelgalm gepropt: de spietsen taei en lank
Bewonden met een myrt, geslingert heen en weder.
Alduss geleidt men ’t lijck, de straten op en neder,
Tot daer het eeuwig wordt de grafnaeld toevertrout.
Maer morgen, effen als de zon, gehuld met goud,
Het hoofd heffe uit de kim, om ’t aerdrijk mee te delen
Dien goddelijcken glans; steekt Memphis zijne kelen
Al teffens op, van vreugd, en juicht uit eenen mond:
Gezegend zy den dagh, die Apis weder vond.
Men haelt dan ’t gouden vat uit het godheilig koffer,
Mengt water, aerde en geur door een, en giet den offer
Op ’t voorhoofd van dien god, die gulde horens draegt,
En met een halve maen de maen tart, eer het daegt.
De stad komt naer den Nijl met macht hem tegenlopen.
De koopre poorten gaen voor zijn geloei straks open.
Zoo wordt hy op het koor gezet, voor’t hoog autaer.
Hy stond te voren hier vier etmael droef en naer,
Uitbeeldende Isis’ druk, behangen met zwart linnen.
Men leidt hem ’snachts stil uit, bij daeg met staetsie binnen:
Dan offert elck voor’t koor, ’tzij ouderdom, of jeugd.
Wie heden smelt van rouw, springt morgen op van vreugd.

JOSEPH.

Men vier’ Osier’s geboorte- of sterfdag, of de granen
Van Isis
, of gestarnte, of zon, of nieuwe manen,
Of ’t zevendaegse feest des Nijls, of wat men wil;
Men bidt den viergod aen, of koe, of krokodil,
Anubis, Ammon, of wat wijders wordt geboden;
Ick volg ’t Hebreeuws gebruick, en geen uitheemse gode
Eert Koptus Zonnestad en Memphis een getal
En menigte van goôn; wy eren overal
Eén Godtheid met gebeen en zuivere offeranden.

POTIPHAR.

’Tontbrak Egypten nooit aen hemelse verstanden:
Dat weet ghy, die, volleerd in wijsheid, kwaemt zo knap
Te steigren op den troon van alle wetenschap.

JOSEPH.

Ontlast my van dien lof: want heb ick iet bedreven,
’Twelck lof verdient, dat zy den hemel toegeschreven,
En u, die aen uw slaef niet luttel leit te kost.
Wanneer men heet volleerd, is d’eerste les begost.

POTIPHAR.

Men wacht van over zee vernuften, met veel smekens
Aenhoudende om te raên, wat onze naeldetekens,
Gebeelde wetenschap en wijsheid zonder end
Verbloemde spraek, alleen ’t scherpluistrende oor beken
En heiligdommen, al verborgentheen verbloemen.
D’uitheemse zal dit Rijk der wijzen moeder noemen,
En zuigende haer borst godvruchtigh voetsel af,
Den godsdienst voeren thuis, dien zy den vreemdling gaf.
De vreemdden zullen hier [tenzij d’orakels falen]
Den Godtsdienst niet alleen, maer ook hun wetten halen;
En d’ardboom omgezet, naer Memphis’ gouden stijl,
Wil zijn verandering dank weten onzen Nijl

JOSEPH.

’Kbeken dees school vermag de wereld te stofferen
Met koppen, die natuur op’t spitst hier kennen leren;
Maer ’kwenste, dat ze eens klaer uit het natuurboek zag,
Wat wondere oorzaek eerst het licht brocht aen den dagh:
Zy zou met ons Hebreen straks ’t enig Wezen vieren,
In plaets van hemels heir, of vooglen, vissen, dieren,
Of hoofdstof, of een’ held, of een die s’volleks gunst
Verdiende, door een’ vond van volleknutte kunst.

POTIPHAR.

Wat oord des lands komt naest door godsdienst aen uw zeden?

JOSEPH.

Daer ’t Kreeftvier gloeit op’t hoofd, en Kneph wordt aengebeden,
Die, barende het ei door zijnen zwangren mond,
Wel aenwijst, dat dit grote onmetelijcke rond
Van eenen Godt, die nooit beginsel heeft genomen,
En nimmer sterven kan, alleen zy voortgekomen.

POTIPHAR.

Ontdek my op mat grond ghy uwen godsdienst plant.

JOSEPH.

Op overlevering, gereikt van hand tot hand,
En openbaringen aen opgetoge vaderen,
Doch meest aen Abraham; in wiens Godtvruchtige aderen
Die Godtheid zweefde en dreef. Wat zal ick zeggen van
Dat hoogverlicht vernuft? Waer zag de zon ooit man
Zoo onbesproken vroom, zoo vreedzaem, zoo rechtvaerdig,
Zoo onderdaen, zoo braef, en zulck een zegen waerdig
Als Abraham! Was’t vreemd dat ’shemels eigen mond
Zich eeuwig aen dien held en aen zijn kroost verbond?

POTIPHAR.

Dien vader, die zijn zoon ja enig kind wou slachten?

JOSEPH.

En branden op’t autaer.

POTIPHAR.

                                    Hoe vallen die gedachten
In’t redelijcke brein? wijdt ’t vaderlijck gemoed
De Godtheid een autaer, door’t kinderlijcke bloed?

JOSEPH.

Uit dwang, noch landsgewoont, noch eerzucht, noch iet menselijcks:
Maer om te tonen, dat hy niet bezat iet wenselijcks.
’Tgeen stond te weigeren den rechten Eigenaer
Die smans gehoorzaemheid beproefde op dat autaer;
Den wil voor’t werk, den ram ontving in Izak’s stede;
En zwoer hem zulck een gunst met nimmer schenbren ede.
De Godtsdienst van dien held slacht d’ongerijmdheid niet,
Van ’tgeen door Tyfon’s wraek gesmakt werd in den vliet
Het welck uw priesterdom, met ongeverfde wangen,
Nog statigh voert ten toon, in jaerlijckse ommegangen.

POTIPHAR.

’Tgeen, onder deze schors, voor’t volck verborgen leit,
Dat’s een natuurgeheim; hoe zich de vruchtbaerheid
Der dingen in’t begin beholp met vochtigheden;
Hoe één het alles teelt, ’t luidt vreemd, dat een besneden
Durf reppen ’tgeen hy zelf aen Godt te wijden plag,
Zoo dik ’t onnozel bloed beschreit den achtsten dagh.

JOSEPH.

Nooit joeg, ’tgeen Godt het oog der mannen ging vertrouwen,
Ro wangen aen of schaemt de maegden noch de vrouwen;
Gelijck uw feest, kwansuis versierd met ijdlen glimp.
Godts wijsheid zweeft te hoog, en boven alle schimp.
Zy gaf haer eigendom dit teken, tot een zegel
Van’t opgerecht verbond, en schreef het voor een regel
Van kuisheid
; lerende besnoeien hart en zin
Van dartlen wellust, en van wulpse en woeste min.
Behalven dat dit schut onheelbre en andre smetten,
En ’t menselijck geslacht door telen voort kan zetten.

POTIPHAR.

Nu riek ick, waerom ghy de joffers zendt voorheen.

JOSEPH.

Vertrouw, belieft het u, mijn heer, dat wy Hebreên,
Veel meer dan enig volck, de bloem der jaren wijden
De kuisheid; om wiens wil wy heiliglijck vermijden
Gelegenheid en plaets, die ons verrucken zou,
Door’t lonken op een maegd, of een gehuwde vrouw.
Ja zonder halsstraf mag bij d’onzen nergens duren,
Een die haer welig vlees aen boelen durf verhuren.
Wij huwen onbevlekt den maegdom aen een maegd,
Uit teellust, niet uit lust, die ’t geil gezicht behaegt.

POTIPHAR.

Zoo straft ghy overspel, geweld, en maegdeschennis?

JOSEPH.

Wel degelijck. Helaes! gaf Godt dat ick geen kennis
Most dragen van die wraek
, noch zulck een schendig stuk.

POTIPHAR.

Ghy zucht er om, als raekte u enig ongeluk.
Ick ga, ’twordt tijd. Mevrouw heeft lust, noch ’tmag haer beuren
Te feest te gaen: ick wil dat niemand haer koom’ steuren
In d’eenzaemheid, en elck de zwacke vier’ en dien’,
Indien zy iet verzoekt.

JOSEPH.

                                   Mijn heer, het zal geschiên.

REY VAN ENGELEN

ZANG.

Egypten, woudt ghy leren,
Waerin uw zegen leit;
Ghy stofte op foenixveren,
Noch vette vruchtbaerheid
Des Nijlstrooms, die uw landen
Bevochtigt, jaer op jaer,
Noch ijdele offeranden,
Noch viergods blind autaer;
Maer op des werelds Vader,
Geroemd van Abraham,
Toen hy dees grenzen nader,
Ja hier ten hove kwam

U met die vonk verbazen;
Gelijck zijn naneef ook
Die kool zoekt aen te blazen:
Opdat uit vonk en rook
Godts vlam het Hof koom blaken,
En sla in alle daken.

TEGENZANG.

Door vloeken noch door zegen
Zal d’onverzierde Godt
Dees valse goôn uitvegen;
Maer eer zijn eigen rot,
Verzwerende de glansen
Van’t eeuwig schijnend licht,
Om koe of kalf zien dansen,
Met enig laf gedicht;
Daer zy van kroezen zijpen,
Op’t zatte en dronken feest:
Terwijle snaer en pijpen
Verdartlen lijf en geest
Van jongen, en van ouwen.
Godts tolck, op dat gekrijt,
Dien afval zal aenschouwen,
En brijzelen van spijt
In steen gesnede wetten.
Wie kan dit land verzetten?

TOEZANG

Dat kan ten leste ’t hemels wicht,
’Twelck, dien onnoozlen moord ontvloden,
Naer Memphis, met zijn klaer gezicht,
Ter neder stort de duistre goden;
Doet Ammon kloppen op zijn mond,
En staende op een’ gesternden grond,
Laet gloende tongen nederdalen
Op vissers kruinen, die zoo knap
Verstommen Isis’ priesterschap,
En eren in verscheide talen,
Recht uit, klaer uit, en onverbloemd,
Dien Godt, daer Joseph hier van roemt.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001