Joost van den Vondel (1587-1679)

INLEIDING TOT JOSEPH IN ’T HOF

In de laatst van October 1631 kwam Hugo de Groot in Rotterdam aan en den 9en December in Amsterdam. Vondel had nu de gelegenheid persoonlijk meet den grooten geleerde kennis te maken. Dat De Groot invloed op hem uitgeoefend heeft staat vast, maar, wij meldden het reeds, het is moeilijk na te gaan van welken aard dezen invloed geweest is. Waarschijnlijk heeft De Groot grootendeels kalmeerend op den dichter gewerkt en juist omtrent dezen tijd wordt de toon van zijn werk minder scherp. Op 17 April moest De Groot Nederland weer verlaten, nadat op 7 April de belooning van f 2000.– op zijn gevangenneming was gesteld. „Den meesten invloed,” zegt Dr. Leendertz, „heeft De Groot zonder twijfel gehad op Vondels letterkundige ontwikkeling. De ernstig zoekende en studeerende dichter werd aangetrokken door de buitengewone geleerdheid van den grooten Delvenaar, met name door zijn uitgebreide kennis van geschiedenis, letteren en godsdienstleer. Over deze onderwerpen zullen gewoonlijk hun gesprekken geloopen hebben, en daarbij was Vondel een dankbaar leerling. In de eerstvolgende jaren zien wij hem steeds meer zich verdiepen in de studie der klassieken en daarover een vrij drukke briefwisseling onderhouden met De Groot.”

„In de jaaren MDCXXXIII en XXXIV”, verhaalt Brandt, „zagh men weinig nieuws van onsen Dichter, toen met Konstantijd nog onleedig (zie Het Leven van Vondel). In den jaare MDCXXXV hadde de Heer de Groot, die korts daarna tot de waardigheit van Gezant der Koninginne en kroone van Zweden werdt verheven, zijnen Sophompaneas of Josef in ’t licht gegeven: een treurspel in alle deelen zoo volmaakt, dat hij bij de beste speelen der aalouden standt moght houden. D’uitneementheit van dit werk, en ’t aanraaden van vrienden, bewoogh Vondel eenige zijner uuren aan de vertaling te besteden: verklaarde in de voorrede, dat hij in ’t vertolken en rijmen beesig en verrukt, zich somtijds liet voorstaan, dat Josef in den Treurspeeler verreezen, of dat de Treurspeeler Josefs spoor most bewandelt hebben. In dit vertaalen had hij de rechte maat volkoomen gehouden, en was het van zijnen grooten voorganger afgeweeken. De Heer de Groot kennis van deeze vertaaling bekoomende, schreef in December uit Parijs (daar hij etlijke maanden te vooren zijne intrede als Gezant hadt gedaan) aan den Professor Vossius: Ik verstaan dat Vondel mijnen Sophompaneas d’eere heeft aangedaan van hem met zijn eige, dat is seer gelukkige handt, in ’t Hollandsch kleedt te steeken. Ik ben hem grooten dank schuldig, omdat hij, die uit zich zelven beeter dingen kon voortbrengen, nu in ’t vertaalen van de mijne, tot blijk van vriendschap, zijnen arbeidt besteedt heeft.

De Heeren Secretaris Mostert en Joan Vechters of Victorijn, beide Rechtsgeleerden, hadden hem in ’t vertaalen van dat werk de handt gebooden. Want terwijl hij bezigh was met de Hollandtsche taal te bouwen, haar rechte spoor wakker naa te speuren, en op papier te leggen, vondt hij altijdt baat met overleg van taalkundigen iet te vertolken. Verscheide oordeelen, verstondt hij, schieten verscheide straalen uit, en zien de dingen van alle kanten door en weder door, terwijl een eenig oordeel meer een’ eenigen strael uitschiet, en arm bij den rijkdom van veelen is. Het vertaalen zelf vondt hij dienstig, om de gedachten van de grootste geesten tot in het merg te doorgronden, hunne kunst en aardigheit hun af te zien, en zijne snaaren te leeren stellen op hunne toonen. Met dit ooghmerk heeft hij verscheide stukken van d’ouden in prose overgezet: onder andere den dollen Herkules van Seneka: het groote klaagh- en smeekdicht van Naso uit Pontus aan Augustus, jaa ook de Herschepping; verscheide boeken van Lucanus en Papinus Statius met Horatius Flaccus Lierzangen, en meer andere werken: van welke alleen Horatius Lierzangen en zyne Dichtkunst (dar hij desgelijks de hulpe van Mostert en Viktorijn toe hadt gebruikt) sedert in ’t licht quamen.”


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001