Joost van den Vondel (1587-1679)

DE VERTALER AEN ALLE NEDERLANDERS.

Eer de getrouwe propheet Moses den Joodschen volcke Goddelijcke wetten voorschrijft, verciert en behangt by den ingang van sijn heyligh werck met de Godtvruchtighe voorbeelden der oude aertsvaderen, waeronder Joseph, mede Sophompaneas genoemt, als een heldere spiegel der eerst verdruckte, maer namaels gekroonede deughd en koomt de Hebreeu op het Roomsche tooneel, en speelt zijn personagiŽ soo deftigh in ít Latijn, dat díaeloudheyd sich des verwondert, en hy onbeteutert neffens haer magh standhouden; een eere, allen Ouden selfs niet gebeuren magh. Hy koomt, gelijck een son, op met de sonne, en treckt aller leergierige oogen en ooren tot sich; díoogen met sijn aengebore en onversierde bevalligheyd, dí ooren met sijn hemelsche en beslepe wijsheyd. Hy voert het woord niet als een hoeder van schapen, maer als een herder van ontelbare menschen, en een vorst des Rijcx, en legt eerst de grondvesten van sijn kunstigh gebouw, in ít gelijcken van sijnen tegenwoordigen by sijnen voorleden staet; in ít aenteeckenen van de grondoirsaeck sijner omsuckelingen; in ít beschrijven van den aerd der Egyptenaeren, en de swarigheyd van dien benaeuden tijd, en het middel om die te verduren; in ít beraedslagen om sijner broederen genegenheyd tíhemwaert te doorgronden, waeraen het princelijck onderdwijs van sijnen soon Manasse gehecht werd. Daerna opent en suyvert hy, gelijck een voorsichtigh wondmeester, door scherpe en bijtende artsenye, de vervuyle en stinckende wonden sijner broederen, omse dan te versachten, te salven, en te heelen. Middelerwijl raeckt het volck op hollen door dí onversadelicke geldgierigheid der goddeloose amptlieden, rechte bloedsuypers der schamele gemeente. Hier sien wy door aenvang en voortgang van burgerlijck oproer, en de bittere vruchten desselfs, namelijck den moord der amptlieden en des gemeenen volcx, het schendigh plonderen en verwoesten van Koptos, en ít vervoeren der edelen in slaverny, en wispelturige regeringe en jammerlijcke regeerloosheyd daerop volgende, met den last, om dit door krijghsvolck te dempen, en ordentlijck te straffen; Josephs vorige wedervaren, Pharoos droomen en gesichtenh, en den welgeschickten staet van Egypte, die anders niet konden op het tooneel komen, worden geestigh in schilderyen te pas gebroght. Daerop houd Joseph in ít bysonder gesprecke met sijne broederen, en bejegentse met sekere lieflijckheyd, ondermengt met zerpigheyd, en maeckt sich selven bekent; en siende hun aller verslege nederigheyd, en waerachtige liefde en getrouwigheyd tot sijne vollen broeder, verstroost en omhelst se, en laet van blyschap tranen over hen en Benjamin en doet alle toesienders soo schreyen en tot water smelten van beweeghlijckheyd, dat de treurspeelder den wijsen Euripides, die in ít harteroeren boven anderen uytsteeckt, niet durf wijcken. Benjamin toont mede, dat hy sijn vaders vreedsame lessen niet in den wind slaet. Eindelijck loopt het treurspel vrolijck na het eynde met Pharoos geluckwenschen aen Joseph en de gunste, het goed, en de vreyheyd, die Joseph voor sijnen vader en broederen, en allen den HebreÍn bij den koning verwerft, het welck met eenen dieren eed bevestight werd: en terstont, met de prophecye van Salomons huwelijck aen Pharoos dochter, en de komste van den beloofden Messias, sijn vlucht voor den tyran Herodes in Eypte, en de beroepinge van Joden en Heydenen tot het Christelijck geloof, heeft de rol uytgedient des avonds gelijckse  ís morgens begon. Ondertusschen singen en spelen de reyen der Moorinnen als Engelen Josephs loflijcke kuysheyt onverwinnelijck in de bloem sijner jeughd tegens de bekoorlijcke schoonheyd van sijns Heeren gemalin, en wat hem te lijden staet, eer hij ter eere geraeckt; hoe Letterkunst en Zeevaert bij die van PheniciŽn gevonden, wat bedorve tijden daerop gevolght en van den Hemel gestraft sijn; sij singen oock van den Nijl en sijn eygenschappen, en dí onzekerheyd van deselfs oirsprong, daer dí Egyptische neuswijsen soveel wints om breecken, terwijl se nutter saecken versuymen; mitsgaders de scheppinge der eerste ouderen, het begin des huwelijcx, en het bloedverwantschap hieruyt geboren. Bovenal blijckt hier Gods wonderbare voorsienigheyd, die de boosheyd der blinde menschen, buyten hun wit, weet te bezigen en te beleyden tot behoudenisse van geheele koninckrijcken, landen, en volcken, en wat al swarigheyd men somtijds kan verhoeden, door de wijsheyd van eenen eenigen raedsman. Joseph onwraeckgierige versoenlijckheyd stelt hem eer onder den Christelijcken doop als onder de Wet der Besnijdenisse. Hij draeght sich als een degelijck vorst, en toont dat mogendheyd en vromigheyd wel kunnen vergezelschapt gaen, sonder dat de regeerder sich aenstelle als een die van schellumstucken en boose geveynsdheyd tí samenhangt. Men hoort hier geen grollen noch beuselingen, veel min ophitsingen tot weerspannigheyd, moorden, rooven, en plonderen: maer de toehoorder werd aengemaent tot vrede en vromigheyd; de vorst tot rechtvaerdigheyd en godvruchtigheyd; de gemeente tot gehoorsaemheyd aen God en den Koning, en hare wettige overheyd. Hier is niets, dat verre gehaelt, opgetoyt, of geblancket is, maer de leeringen syn suyver, gelijck oock de stijl: de schilderij is natuurlijck levendigh en gloeyende. Ick, hier mede vast in ít vertolcken en rijmen besigh en verruckt sijnde, liet mij somtijds voorstaen, dat Joseph in de treurspeelder verresen was, of dat de treurspeelder Josephsí spoor most bewandeld hebben. Secretaris DaniŽl Moster, en Joan Victorijn, beyde Rechts-geleerden, boden mij rustigh de hand. Wij hebben het Latijn niet al te dicht willen op de hielen volgen, noch oock te verre van onzen treffelijcken voorganger afwijcken. Maer of wij hier in de rechte mate houden, dat zal het groote vernuft, nu, na veele rampen en wedervaardigheyd van konincklijcke gesantschap verheven en verheerlijckt en met gewightige Rijcxsaecken beslommert, kunnen oordeelen, wanneer het sich gewaerdige onsen NeÍrlandschen Sophopaneas in sijn stamelen te berispen, en hem soo volmaeckt in Duitsch als in Latijn te leveren. Wij willen sijn oordeel als een orakel opnemen, en wenschen dat de Almaghtige hem lange spare en in sijn doorluchtigh ampt segene met wijsheyd en kloeckhartigheyd, tot eer van NeÍrland, vereeniging der heele Christe wereld, ende genoegen van wel duysend eerlijcke sielen, die hem in sijn Vaderland wenschen.

T. Amsterdam, MDCXXXV
DEN 1en van Wijnmaend.

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001