Joost van den Vondel (1587-1679)

JOSEPH IN T HOF.

HET EERSTE BEDRIJF.

JOSEPH.

Nu alle duysternis voorvlughtig is geweken,
Soo komt het sonnelicht al weder uytgestreken
Met heerlijcken glans, gelijck in t purper kleet
Een oprachtig bruydegom uit zijne kamer treet.
De dagh op zijne beurt, gelijck hij plagh, gerezen,
Getuyght wel klaer van Godt en van t oneyndigh wezen;
En sichtbre stralen viers die toone yedereen,
Al klaerder als fijn goudt en suiver elpenbeen,
Den allerhooghsten Godt, op Sijnen troon verheven,
In t ongenaeckbre licht, en eeuwighdurend leven.
De dagh, en moeite, en zorg, beginnen te gelijck.
t Ondragelijcke pack van dit grootmachtigh Rijck,
Het welck van Mero sich uitstreckt aen de stranden,
En al de last van t Landt, omarremt van de randen
Des wijdvermaerden Nijl (wiens oorsprong Godt den Heer
Bekent is) leunt op mij, en niemants schouders meer.
Laet sich een ander vrij verwondren om gebouwen
Van duurszaem cedren hout, op Liban afgehouwen
Geboomte en marmersteen, gerechten zonder endt,
En uitheemsch slagh van visch, den onsen onbekent,
En t opgejaeghde wilt, daer t Zuiden af magh boogen,
En vogels, in het net des Arabiers getogen,
En kleedren, van de wol der Seres ons gestuurt,
En binnen Babylon op t geestighst geborduurt,
En parlen blanck als sneeuw, gevischt op Indus kanten;
Om t hof, en om den vorst, zijn lijfwacht en trawanten;
Al dat is min dan niet, al ydelheyd, hoe schoon,
En voor soo groot een last een al te kleine loon:
Wat is t een swarigheyd, den tullebant te dragen,
Die, onder t gaen, waerdoor men Pharo moet behagen,
Een sekren luyster heeft, en uyterlijcken schijn,
Die in een man van Staet, en die in aenzien zijn
Vereyscht wordt, en waer op t gemeene volck blijft starren.
Ick treck wel dienst van pracht en blickende Tiaren,
Maer schep geen lust daer in. Hoe sleet ick met geneught
Wel eer soo sorgeloos en vrij mijn jonge jeught,
Toen ick in t luchtigh kleedt een sorgloos leven leyde,
En Abrams kudde volghde in Sichems groene weyde,
En het genoeghlijk dal, dat dau en regen drinckt,
En vrolijck tusschen twee gesonde heuvels stinckt!
Geen kostelijcke spijs mijn gragen honger boete,
Geen hoofsche leckerny; maer t geen ick eerst ontmoete,
t Sij dat er alruyn bloet, of pallemboomen staen,
Wier tack zich niet en buyght, hoe swaer hij hangt gelan
Geen Meroschewijn mijn dorstigh hart vervarschte;
Geen dranck oock, dien de Nijl uyt zijne granen parste,
En Zythus word genoemt bij den Egyptenaer;
Maer eene zilvre bron, en altijdt springende ar;
Daer onse vaders selfs zich me genoegen lieten.
Mijn speel- en rinckeltuigh dat waren slechte rieten,
Met wasch aeneen gekleeft, waer op ick eer bewees,
En naer s Lants wijsen, staegh den grooten schepper prees.
Indien de bitse Nijl op mij had die vermogen,
Doen ick noch dicht bij huis, en onder vaders oogen,
En bij mijn broedren schier alleen hem was ontrent;
Indien de droom van t ampt, waertoe ick steegh in t ent,
Mijn kintsche onnozelheyt dien bittren haet kon baeren;
Wat hangt mij over t hooft bij deze Egyptenaren
Te Memphis, nu ick, hier een vreemdlings aengesicht,
Zoo groot een staet bezit, dat alles voor mij swicht!
Dit volck is bars van aert, en kittelig van ooren,
En weygert dickwijls t juck van eygen ingeboren;
Het welck tot meerder moeyt, gedijt van hem, die t woort
Des Konings voeren moet. t Is nimmer als t behoort:
Het wil geen toom te kort noch al te langh gehengen.
Men moet de sachtigheit van pas met strafheit mengen,
En sien dat sedigheidt versel de Majesteit
Dees dingen hebben elck hun eyge swarigheit;
Maer boven dat is iet van wightiger beswaren:
Wanneer een schip voor wind gaet bruisen voor de baren,
Dan wordt het licht gestiert van een gemeyn verstant:
Maer kunst is t als het ruyscht en barrent op het strandt,
Als buyen naer den toom van t roer te luistren weigeren;
Een stoker van een windt den grondt der zee doet steigeren
Tot aen de wolcken toe, en geeselt al het vlack
Te houden sijne streeck. Egypten zulck een krack
Gevoeltge in desen storm, nu t koren van den velde
Den lantman in zijn hoop te leure tweemael stelde,
En ydele airen gaf, en halmen sonder saet;
Een plaegh, die altijt was gevaerlijck voor den Staet:
Want hongers noodt en weet van nergens op te passen.
Een uitgehongerd volck is al t gesagh ontwassen
Ick loof ten hooghsten God den Vader, en de bron.
Van alles wat er word beschenen van de son,
Dat hij, gesint om sorg in dees benaeude dagen
Voor d arreme gemeente en t gantsche Rijck te dragen,
Door mij uitvoeren wou Sijn wil en wijs besluit,
En dien beschoren noodt ons spelde lang voor uit.
De vorige overvloet boet nu t gebreck der airen,
En levert ons volop, in dese onvruchtbre jaren:
Want door mijn voorsorg leeft Egypten niet alleen,
Maer Syrin roept self om hulpe met geben.
Dit middel vondt de vooghd der menschelijcke zaken,
Om t geen ick eertijts droomde en spelde eens waer te maken.
Mijn broeders hebben, eer de honger hen vernielt,
Al tweemael onbekent voor mij ter ner geknielt.
Mijn oude vader zelf heeft tweemael, door mijn broeders,
Mij jammerlijck gesmeeckt: oock sij, die nu mijn moeders
Gewoone plaets bekleet. Ick ben die star, dat licht,
Daer vier- en sevenstar voor boogen t aengezicht:
Voor wie de Son en Maen tot een eerbiedigh teecken,
Haer goude straelen selfs, en silvre hooren streecken
Schoon haet en nijt wel eer mijn broeders daer toe brocht,
Dat met der doot gedreight, en voor een slaef verkocht,
Ick herwaert vervoert, in soo veel drucks en smarte;
k Vergeet dat altemael, k vergeef het hun van harte,
Als die, van sachten aert, van vader opgevoedt
Ter deughd, gebeten ben door soo veel tegenspoet.
Doch k ben met recht belan, of nocht in t hart magh sitten
Een wortel van dien wrock: dies (om eens om te spitten
Den harden gront, die sich soo diep in t binnenst streckt.
En eertijts met een mist van veynsen wert bedeckt)
Is t noodigh, op dit stuck al mijn verstant te wetten.
Dit s  d oorzaeck waerom ick op gistren dede setten
Meer dischgerechten voor den allerjonghste, en socht
Och ick uit hun gebaer en wesen mercken mocht
Of sij mijn vollen bror verdragen en beminnen,
Dan of er d oude haet en veete steeckt van binnen:
Maer ick en kon het niet klaer genoegh verstaen:
Ick moet er noch al meer met ernst op houden aen.
En opgedischte schult van dieverij sal t melden
En vreese, dat het moght dien jongen t leven gelden.
Het schip vaert altijt niet recht uit voor wind in t meer
t Is somtijts beter dat het omloope en laveer.
t Is somtijts groote kunst, om achter list te raken.
Ick hoop hen allen vroom te vinden, of te maken.
Manasse, hoor: soo u wordt, d eene of d andre tijt,
Wanneer ghij mannelijck, en tot uw jaren sijt,
Een deel van t Rijck betrout, soo hou dit landt te vriende,
En voor uw Vaderland, vermits eht dat verdiende.
Sie dat ge deughd met deughd en weldoen wer vergelt.
Denckt dat de Koning is in Godes ste gestelt.
Uw gulde hooftwet sy te volgen Sijn bevelen,
Gehoorzaem hem te zijn, en trouw in alle deelen.
Schuw opgeblasenheyd, en al wat grootsheyd baert.
Der vorsten mogentheit en gunst sijn bros van aert.
Een oogenblick de velt d uitmuntensten ter neder:
Die strax geboden gaf vervalt tot bidden weder:
Indien uw hoogheit wordt gequetst, geschiet u leet,
Sie dat ghij garen elck vergeeft, en t quaet vergeet;
Nadien wij wenschen sijn. Wy struycklen allegader
Heel lichtelijck, als blijckt aen onsen eersten vader,
Die door t verboden ooft te proefen deerlijck sneeft.
Godt zelf wort licht verben van elck die licht vergeeft,
En meet elck zoo hij mat. Ghij moet voor al betrachten
Godtvruchtigheit de hooft- en hooghste deught te achten,
En t sout dat alle deught voor stanck en rotting hoedt.
Godvruchtigheit vertreedt de doot met haren voet.
Vermij de ledigheit, wiens aert is deught te haten.
De hooge Staet en t ampt sich gaerne vieren laten.
Soo ras een man tot Staet en eenigh ampt geraeckt,
Ontgaet hij niet de Faem, die alles ruchtbaer maeckt;
Dan of t met schade sij, of s vollecx prijs en regen,
Daer aen heeft hij veel machts, dat is aen hem gelegen.
Maer laet ons, dat ons plicht ten vollen werd voldaen,
Stads schuuren nu bezien, en t opgeleyde graen.

REY.

      Asnethe ( die alleene let
Op t zachte bedde, en zich vermoeide
Met luistren na heur man, die vloeide
Van aengename lieflijckheit)
      Gesint, de schade van den nacht
Bij daeg met slapen in te halen;
Belast ons hier aen dees metalen
Geslote poort te houden wacht:
      Gelijck wij doen, die herwaert aen
Gesonden van den vorst der Mooren,
Uit een doorluchtigh bloed geboren,
Haer trouwelijk ten dienste staen;
      En Nubin verlieten, daer
De Niger stroomt, soo hoogh in t Zuiden
Bewoont van veergelege luiden,
Gelijck getuigt ons aller hair,
      Dat wij, als golven, van de son
En niet met yser krullen laten,
Ons platte neusen, wijdt van gaten,
En t zwarte vel, dat naulicks kon
      Het steken van den sonneschijn
Verdragen, daer heur stralen branden,
Ons dicke lippen, daer de tanden
Van wit yvoir omheint van sijn,
      Getuigen van ons vaderlandt.
Geluckigh huis, daer man en vrouwe
Verknocht sijn door gelijcke trouwe,
En daer de soon, het huwlijckspant,
      Uit vaders aensicht schijnt gesnen;
En d overkuische gemalinne
Haer man versekert van haar minne,
En hem bemint en ander geen:
      En daer de kraemvrou vrolijck leeft
Met hem, en hij (als woeste heeren
Gewoon zijn) s nachts niet loop boeleeren.
En t huis geen stof tot onlust geeft:
      Maer een alleen bemint: dit vroom
En onbezoedelde geweten
Is van geen geilen lust beseten,
Maer houdt zijn lusten selfs in toom:
      Gelijck hij, slaef en jongling, noch
Soo korts, bedwong de valsche minne,
En vrijer was als zijn Heerinne,
En d overspeelster haer bedrog,
      Haer naeckte borst, en schoon gesicht,
En tong (die wel eerst vriendelijck smeecken,
Maer stracx wer vier en vlam kom spreecken:
En wiens gebodt hem hiel versplicht)
      Versmaden dorst; gelijck in t meer
Een harde steenrots opgewassen,
Om op geen storm noch stroom te passen,
Noch bulderen van windt en wer.
      Wat wiltge, zet hij, dat ick mij
Verloope tegens mijnen Heere
Door een aertsschelmstuck, en uwe eere
Bekladde, en door de schelmerij
      De toegeseyde trouwe breeck,
En tegens Godes wil en wetten,
Mevrouw mijn ziele ga besmetten.
En haer in vuyle schennis steeck?
      O ghij, beleider van den dans
Der starren, die de jaergetyen
Alzoo verdeelt en voort doet glyen,
Dat nu met haeren roosekrans
      De lente pronckt, t gewas daer aen
Door hitte rijp word om te plocken,
En dan de herrefsts wingerdstocken
Met blaeuwe druyven zijn gelan;
      En dan de vorst het aerdrijck sluit;
Waerom verdraeghtge, dat, tot s vromen
Verdrucking, schelmen boven komen?
Een vrouw op goddeloosheit uit,
      En overspeligh van gemoedt,
Den jonghling, dien se t kleedt ontruckte,
Doen haer die heete toght misluckte,
Noch in de boeyen worpen doet;
      En let haer eige schult op hem,
Bedrieght haer man, en ondertusschen
Den rechter treckt met vriendlijck kussen
En een bewegelijke stem.
      Nu let op sijnen hals gevan
Hij, die heel schootvrij van de kuischeit
(Die bij de schoonheit selden t huis let)
Gemaeckt, de stormen uit kon staen.
      De heilge en oprechte bij
De rechte eebrekers moet verkeeren:
Hoewel hij daer oock weet te leeren,
Wat schande huwelijckschennis sij.
      De kercker is verwondert om
Sijn heuschen mont en rijpe reden,
En om sijn ingetoomde seden.
Sijn schaemroot aenzicht maeckt elck stom,
      De megevangen sich verstreckt,
Een rechter: wie sijn eigen wandel
Wel gade slaet, bevindt sijn handel
Van veel mishandelingh bevleckt.
      Gelijck Godt Sijnen wil niet heel
Verberght aen d uitverkore scharen,
Soo wil Hij dien niet openbaren
Ten vollen aen sijn errefdeel.
      Als een rechtschapen oorlogsheld
De vroomheyd van sijn soudenieren
Gebruickt op veelerley manieren
En menighmael te werreck stelt;
      Soo wil ons aller vader me
Dien Hij bemint in ramp doen harden:
Verhonde, datse niet en werden
Wanhoopigh door al t hartewee.
      Doch Hij en laet hen midlerwijl
Niet ondergaen door troosteloosheyd,
Maer stut den lijdsame in sijn broosheyd
Met blijde hoop, een stercke stijl.
      Alsoo was d onse oock even vrij
In t midden van het nare duister,
En buiten dwangh van ysre kluister,
Bevryende andren noch daer bij;
     Te voren nooit gewentelt in
Begeerlijckheyd, nu onbenepen
Van vrees, en die eerst had gegrepen
Door sijne schoonheit sijn Heerin,
     Verwon gevangens, en cipier,
En was door sijne gave stercker
Als sij. Hem werd de gantsche kercker
Alleen betrout: waerom men hier
     Uit spelde syne heerschappij;
Gelijck hij noch gevaen regeerde,
En daer de Kercker t licht ontbeerde,
In t midden van sijn slavernij.
     Verscheen de goddelijcke dagh,
En quam de suyvre ziel verlichten.
Hij ley aldaer den boosewichten
Hun droomen uit, als of hij t sagh;
     En wist den eenen sijne doot,
Den andren sijn ontslagen leven,
Gelijck t hem God had ingegeven,
Te seggen in den bangen noodt.
     Zoo slaat de droeve tijd, tot dat
t Gesicht des Konings hart de ijsen,
En hij verbaest d Egyptse wijsen
Vergeefs om raet verzocht en badt;
     En uit den loop der starren t wit,
Van duister Noodlot pooght te weten,
En maeckt terstont van boey en keten
Hem los, die tot sijn onschult sit:
     En eert sijn duim met diamant,
En kleet hem braef in witte sye,
En draeght hem op de landvoogdye,
En set hem aen zijn rechte hant.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001