Joost van den Vondel (1587-1679)

JOSEPH IN T HOF.

HET TWEEDE BEDRIJF.

RAMSES. JUDAS. RUBEN.

RAMSES.

O jongen, dat ick u, dus jongh, en al benepen
Van ysre boeyen, moet na t hooge hof toe slepen
Van Sophompaneas, doet self mijn harte wee.
Maer t is door dwangh: mijn last brengt nu niet anders me,
En k moet mijn meesters wil volbrengen, niet bedillen.

JUDAS.

Och Ramses, mocht het zijn, ick zou ter nood wel willen
Wat spreecken voor dit kint, en voor sijn ongeval.
Soo t eerlijck opsicht, en sijn hart noch sonder gal,
Dien jongen, van het geen dat hem word opgetegen,
Niet heel ontschuldigen, soo wil een overwegen
Wat gistren is gebeurt. Het geld, dat uwe hant
En onse saecken stack uit enckel misverstant,
En al in Syrin, te verre om nat te talen,
Vervoert wert; daer men t oock met recht nier wer kon halen,
Dat brengen wij van self u weder zonder last;
En tot schenckaedjen noch het geen tot onsent wast,
En kleen is van waerdy, hoewel een danckbaer teecken,
Als honingh, artseny voor veelderley gebreecken,
Amandels, Dadels, Myrrhge, en Balssem: ja, indien
De muil meer torssen kon, ick meen ghy soudt dan sien
Dat wij niet gierigh sijn, veel min ons ontrou noemen.

RAMSES.

De saeck spreeckt self te klaer: hier hellept geen verbloemen,
k En roer het geld, dat ghij betaelde voor het graen,
En in uw sacken stack voorhenen, niet eens aen:
Ons hof dat vloeit van geld, meer als wij wenschen konden.
Maer merck, die goude kop, bij s jongens goet bevonden,
Is die, waer uit mijn Heer gewoon is, wijn alleen
Te offren, als hij stort zijn vierige geben
Voor sich en sijn gesin, en verreght God, met smeecken,
Dat Hy hem openbaer door eenigh helder teecken,
Het geen toekomende is: want God ontdeckt dien man
Verborgentheden, daer geen mensch af weten kan.

JUDAS.

Weet hij verborgenthen, soo weet hij, t kan niet missen,
Dat wij onschuldig zijn.

RAMSES.

                                     Doortast eens uw gewissen,
De waerheit sultghe best uit uw gmoed verstaen:
Maer oordeel stuckswijs niet van t geen ghij hebt gedaen.
Ghij moet den gantschen loop uws levens wel doorgronden,
Van uwe kindsheyd af. God straft altijt de sonden
(Want Hy langkmoedigh is) niet op de versche daed:
Maer siende, dat men t een op t ander schelmstuck laed
Vergelt de langgespaerde al met een scherper roede.
De reusen pleeghden langh met ongetemden moede
Hun boosheyt, eer de plas des Hemels nederseegh
In zee, en wer de zee tot aen de starren steeg,
En golven, strant, en duin, en bergen overvlogen.
Het volleck van dien tijd, dat langh had uitgespogen
Sijn boosheit, God, en uit vermetelheit
Gelastert en gedreight des Hooghsten Majesteit,
Werd, doen het een gebouw ten hemel op wou halen,
Gesteurt en gansch verstroyt, door warring veler talen.
Nadat het van veel bloed en wreetheyd was besmet,
En tegens de natuur en hare zuivre wet
Sich selven had verhit, quam God om laegh gestegen,
En stack de sten in brant door eenen swavelregen.

JUDAS.

Vervloeckt moet Dothan sijn, en oock de duisternis
Des grondeloozen kuils, die naer en ijslijck is:
En ghij, Arabisch volck, wiens baetsucht van versading
Nocht van vernoegen weet, waerin hebt ghij geen gading?
Hoe klopt mijn hart: hoe denck ick aen u met verdriet!

RUBEN.

t Gedencktme noch, hoe seer ick u dat stuck ontried.
Mij dunckt ick sie noch erbarmelijck staen staen smeecken
Sijn broeders, die niet eens hem wilden hooren spreecken
Godt heeft sijn stem verhoort dat druckt ons nu soo fel.

JUDAS.

Berispen is geen kunst: soo ghij u selven wel
Besiet, ghij sult u me om uw gebreecken schamen.

RAMSES.

Wat mompelt gij aldus in t heimelijck te samen?

JUDAS.

Wij roemen Syrin, een land dat hoogh geacht,
De woonplaets heeft geweest van vaders oudt geslacht,
Den nagebuur betekent, door zijne vroome daden,
Daer groote vorsten selfs in vast verbond me traden,
En wiens oprechtheyd en deughd al t landt verbreidt,
Dat tusschen den Euphraet en de Jordane let.

RAMSES.

Maer t volleght altijt niet, dat juist de kinders bloeyen
En komen in de deughd der oudren op te groeyen
t Gebeurt wel dat de geen die van den vroomen quam,
Door schelmerij ontaert van synen eersten stam.

JUDAS.

O tere spruyt van onzen bloede,    
   Nu in uw bloem en eerste vreughd,
   Hoe ongeluckigh is uw jeughd
En jonckheid, die neit eens bevroede
   In welcke rampen datse let
Gedompelt aengenaeme kaecken,
Soo soet en liefelijck in t blaecken,
   Als purper over melck gespreit,
Gelijck de roos begint t ontluicken.
   O glinstrig hair, dat goud verdooft,
   Waer in een luchtje speelt om t hoofd,
Voor hoeveel slagen sult ge duicken:
   Of soo ghij t leven noch behoudt,
Hoe diep en naer leght ghij gevangen,
Met duisternis en schrick behangen:
   Of in wat landt, in wiens gewoud
Vervoert men u uit vaders oogen,
   En van uw broeders alsoo wijdt
   In slavernij? Helaes! ghij zijt
Tot dit verdriet niet opgetogen:
   Ghij, die van oudren werd geteelt,
Daer Koningen zich me verbonden.
Och, vader sal te geene stonden
   Meer aensien, hoe ghij loopt en speelt
Langs t huis, gedost met bonte vellen.
   Ghij sult, wanneer wij sijn vermoeit
   Van t weiden, als de hitte groeit,
En in het Zuyden ons komt quellen,
   Niet met den middaghkost als eer;
   Van huys af komen aengesprongen;
En mooglijck sullen quade tongen,
   Die allesins toch sijn, u wer
Een lack opworpen, daer u, arme
Een vreemdling, niemants hulp bescharme!

RAMSES.

Ick prijs u, datge mint uw naesten bloetverwant
De menschen schelen veel in seden: ieder lant
Dat heeft sijn eige wet, naer wil der heerschappijen,
Of naer sulx d oorbaer van de plaets en t volck kan lijen:
Dees wet heeft alsins plaets, die niet en word gesnen
In cedrenhout, metael, of gladden marmersteen,
Maer self in t harte staet met d eyge hand geschreven
Van Hem, die alle ding sijn oorsprong heeft gegeven.
Wie deze wet niet kent, die kent sich selven niet.
Selfs t wildste dier bemint, als t sijns gelijcken ziet.

JUDAS.

Ghij soudt ons op ons seer niet beter kunnen raecken;
Maer sie, de Lantvoogt komt, die al t bewind der saecken
Van t Rijck heeft, uit sijn huis, met lijfwacht om sich heen.
Wat raet nu, om geloof te krijghen bij de geen,
Die t aengetegen stuck voor vast en seker achten?
Bekent men t, wat gen is dan voor ons te wachten?
De wroeging van t verlen mijn sinnen soo verdooft,
Dat ick versuf, en sie bestorven om mijn hooft.

RAMSES. JOSEPH. JUDAS.

RAMSES.

t Gaet wel: ten leste werd de rechte man gevonden:
Bij dezen, dienghe dus geboeyt ziet en gebonden.
Werdt dofferkop ontdeckt. Ick nam dien eenen me.
Sijn broeders volghden hem, die vast hun hartewee
Betuygen, en vol drucks aldus hun kleeren reten.

JOSEPH.

Verblinde menschen! hoe, wat durft ghij u vermeten?
Wat baetsucht heeft u toch tot sulck een stuck vervoert?
En kentghe mij niet meer, die van Gods geest geroert,
Al wat verborgen is weet aen den dag te bringen
En door en door versta den gront van alle dingen?

JUDAS.

Grootmoedighste van t Rijck, de tweede aen Pharoos kroon,
Wat sullen wij (op dat men dese daet verschoon),
Die met geboge knin voor u ter aerde leggen,
Tot verdadiginge en aller onschult seggen?
Met wat getuigen ons beschermen, die alre
Sijn overtuyght van hem, die sit in Godes ste?
Maer gij die volcken toomt, betoomt en laet toch vallen
Uw groote hevigheit, het swaerste stuck van allen,
Nocht wil niet al het geen ghij wel vermooght en kunt.
Bescherm ons leven toch, dat ghij ons hebt gegunt,
En redde uit honger: red het weder na ons wenschen
n zaeck verheft tot Gon de sterffelijcke menschen,
Dat s op te helpen hen, die slibberden op t glat.
Maeck slaeven, niet alleen die desen beker had,
Maer oock sijn vijfpaer brors, die sich dees straf getroosten.

JOSEPH.

t Was eer t gebruick, en noch bij velen in het Oosten,
Dat straffe niet alleen de booswicht self ontfing,
Maer over ouders, brors en over kinders ging,
En in een selve schult vijf heele huisen raeckten
Om stucken daerse sich nooit schuldigh aen en maeckten.
Maer sedert dat mij hier dit ampt wert opgeleght,
Soo bloeyde in Pharoos Rijck al heel een ander Recht,
Een Recht dat eeuwighlijck sijn adem op moet haelen:
Elck sondight maer voor sich. De schrick gaet nu de paelen
Der misdaet niet voorbij: al wie misdoet, die boet.
Wie op de misdaet dan gegrepen  is, die moet
Mijn eyge slave zijn. Dat d andren vrij kan vlecken,
Na hunnen vader vrij, die vast verlangt, vertrecken.

JUDAS.

Hoewel ick, om den glans van uwe Majesteit
(Den Koning self gelijck) en ons gelegentheit
Niet spreecken duirf; kunt ghij bedwingen uwen toren,
Soo bidde ick, dat ghij u verwaerdight aen te hooren
Genadigh slechts soo veel (doch t geen in dit geval
Genoegh tot bidden is) ick, arrem mensch u sal
Verhalen: D eerste reis, dat wij gebroeders t samen,
Van hongers nood geparst, alhier om voorraet quamen,
Berichte ick u, toen ghij verhoorde ons allegar,
Wij waeren alle soons van een stockouden var,
Die, verre boven t peil van t menschelijcke leven,
In sijnen ouderdom soo lang was overbleven,
Dat, boven ons tien soons, hij noch een andren had,
Die in de bloem der jeughd sijn lust was en sijn schat,
Om dat die schier in t endt sijns levens werd geboren:
En noch een eenigh kindt, geteelt bij een verkoren
En lieve moeder, toen noch onlangs overlen,
Waer bij hij deersten soon gewonnen had voorheen;
Ghij  woudt dat wij tot u dien jongen brengen souden
Opdat hij in uw maght en gunst mocht sijn gehouden
Daer tegens zeiden wij, maer t was vergeefsche praet,
Dat een gewisse dood afknippen sou den draed
Van vaders leven, quam hij van dat pand te scheyden:
Want ghij en woudt, soo wij hem self niet voor u leyden,
Ons hooren nochte sien. Dit was een bitter woort
Voor desen ouden stock, die, alsoo ras hij t hoort
Niet spreecken kan: men sou hem in sijn tranen wasschen.
Het grijs Godvruchtig hair begruisde hij met asschen
En slijck, en sagh er swart bekrosen uyt een wijl.
Toen nu al t graen, het welck gebroght werd van den Nijl.
Verteert was, en wij vast malkandren bang aankeecken,
Vermits de voorraed, schier verteert, begon t ontbreecken,
Belaste d oude man ons wederom om graen
Te reisen naer dit Rijck; maer wij daer tegens aen
Verhaelden uw bevel, het welck men moest betrachten,
En dat, indien wij niet den jongen mede brachten,
Geen koren meer voor ons ten beste was. Daer na
Begon die droeve man: mijn trouwe wederg,
Mijn Rachel, baerde mij twee soonen; van die beide
Was t d oudste, die helaes! van mijne sijde scheide,
En dien ick sedert noyt meer sagh, noch nimmermeer
Gedenck wer te sien: die, leyder! noch soo teer
Van een verslindend dier verscheurt is en verslonden,
Gelijck wij trouwen doen uit uwen mond verstonden.
Indien ghij nu den jongste oock van mijn oogen ruckt,
En het gebeurt, dat hij al me verongeluckt
(Want dickmael wordt de mensch op t spoedigst weggenomen,)
Wat sal mij, arm oud man, al droefheid overkomen:
Van hartseer uitgeteert, vol drucx, van t leven schuw,
Sal ick ten grave gaen! Nu bid, nu smeeck ick u,
Om desen grijsen man, nadien ghij oock voor desen
Een ouden vader had, soo t eenigsins magh wesen.
Ick bid om sijn siel, die naer dit kint verlangt,
En nergens aen zoo seer als aen sijn welvaert hangt,
En om sijn minste leet het swacke lijf ontglipte;
O, heilant van dit Rijck, behoeder van Egypte,
Gedoogh niet dat men u den doodt des ouden wijt,
Ick bid, maeck mij uw slaef in plaats van hem. Ghij sijt
Verseeckert grooter dienst van mij als hem te trecken:
Soo ter een knecht zal slechts een last in huis verstrecken.
Ick bleef bij vader borg, en ben voor hem verplicht.
Laet ick soo trouwloos niet onder sijn gesicht
Mij laten om mijn woort en mijn beloften manen:
Dat hij, met met sucht op sucht, en biggelende tranen,
Mij niet bestraffe: en ick, wanneer men in den schoot
Der aerde hem begraef, heet oorsaeck van sijn doot.

JOSEPH.

k Geloof daer is wat aen, dat ick heb vernomen,
Maer twijfel, of het al op waerheyd uit zou komen.
Wie lichtelijck borge blijft, heeft licht berouw daeraen.
Men sal er, als het past, wat nader acht op slaen.

JUDAS.

Hoe groot is uw geluck, o Joseph, soo ghij t leven
Ontbeert, om datghe niet in druck sijt overbleven
Als wij; en soo ghij leeft, om dat Godt self uw leed
Niet ongewroken laet, noch t ongelijck vergeet.

REY.

     Beoosten aen Egypten let
Phenicin, alsins verbreyd
Door twee noch nieuwe vonden;
Dat al de wijsen kibblen laet,
Of sij tot nadeel of tot baet
Der menschen dienen konden.
     Tautas naem op wiecken sweeft,
Door t geen het eerst gevonden heeft:
Wat al wat in de baeren,
Op aerde, in lucht en hemelkloot,
Die t al verberght in sijnen schoot,
En al wat van t ervaeren
     Vernuft des menschen, t welck den schat
Van t groote ruim en t Al bevat
Oyt magh gevonden wesen,
Dat beelt het al (o, klaer beduyt!)
Met twalef paeren lettren uyt,
Bekent bij diese lesen.
     Maer t selve volleck nimmer stil,
Of koorts, en dier, en krokodil,
Die toeleyt op bederven,
Niet volcx genoegh verslonden, ging
Versieren noch een sonderling
En mislijck slagh van sterven:
     t Begon het schuymend pekelsout
Te ploegen met een hobblend hout,
Niet langs bekendse kuste,
Maer diep in zee, en veer van honck,
Voor wind, en daer de Noordstar blonck,
Te varen, waer t sich luste:
     Niet om uytheemschen met sijn stuur
Te halen al het geen natuur,
Met luttel wel te vreden
Vereyscht maer overlan en vol
Van schat, te brengen purpre wol,
Om koningen te kleeden
     En ook oock den groenen esmeralt.
Die aen der Fockren vingers bralt.
Dit alles is gewassen.
Uit goutsucht: dees vervloeckte tocht
(Die eerst ons leerde, op stormen nocht
Op wint of wer te passen.
     En op en brosse en krancke kiel
Te wagen onse diere siel),
Waer toe brengt sij de menschen!
Sy onderscheyt geen goed voor quaed.
De Godsdienst wijckt voor eyge baet;
t Is roof, al wat wij wenschen!
     De vrybuyt is de beste waer.
Men roofde t wel van Gods autaer.
Geluckige oude tijen,
Doen de aerdbey was soo wellekoom,
Eensap van selfgewassen boom
De beste leckernijen.
     Doen, al de wereld door, n wet
Alleen de mensch was voorgeset,
Dat s van geen quaed te weten,
En yeder in eenvoudigheyd
En kuysheyt leefde, sonder kleyd,
In stilligheyd vergeten.
     Na dat het kleed geraeckte in swang,
En d aerde vruchten gaf door dwang,
Vergreep men sich uit toren;
De bloetverwantschap kan niet staen,
De broeder greep sijn broeder aen
Het maeghschap ging verlooren.
     Noch houd de stoutigheyt geen stant:
Maer d aerde voelt haer ingewant
Al bevende ommewroeten;
Men vind het stael en d yserar,
Die beter noyt gevonden waer:
Men maeckt den vrede voeten.
     En t bleef niet bij een siel,
Die door het scharpe lemmer viel,
Maer menigheen van benden.,
Ja, heele volcken vielen dick
Verslagen in een oogenblick,
Door s oorelooghs ellenden:
     En op den naem van werpartij
En oorloogh nam de schelmerij
Soo toe in t alverdelgen,
Dat d aerde uyt, ongeduld verwoed
Verdaghvaerde al den souten vloed,
Om alles te verswelgen
     En boven dat viel uyt de lucht
Een andre zee, met een gerucht,
Gelijck de Nijl komt stuyven
Van t hoogh gebergt: oock bate t niet
Dat wijn geparst in backen vliet,
Vol schuym, en sap van druyven.
     De schaemte krijght een krack alom.
Het kind bespot den ouderdom
Van t vaderlijcke leven.
De maeghd den vader neefkens baert.
Wat heeft de wellust, vuyl van aert,
Bedacht en oock bedreven!
     Maer ghij, Egyptenaren, nu
Verheugh ick mij te recht met u
En onse betre tijden,
Wier boosheyd dees doorluchte man
Soo kort in toom houdt, als men kan,
Om ontucht te besnijden,
     Met strenge wetten, en ontsien,
Een spiegel streckt voor vele lin.
Het lustme hier te beyden:
Daer is wat wightighs op de baen;
Mij lust te sien, hoe t sal vergaen,
Eer dat men koom te scheyden.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001