Joost van den Vondel (1587-1679)

JOSEPH IN T HOF.

HET DERDE BEDRIJF.

BODE. JOSEPH.

BODE.

Daer dat gewest vol woeste en wilde menschen leyt.
En sich het roode meyr van het Carpaetsche scheyt,
Is al het volck in roer, en recht sich met den degen;
t En past op s Konings woord nocht wet, maer raeset er tegen.

JOSEPH.

Dat is een schendigh stuck: doch nu al lang gemeen
Bij den Egyptenaers: maer d arts moet niet alleen
Verstaen, hoe hoog de brand der koortse sij gestegen,
En waer t den siecke schort, wat steeckte hem verlegen
Van pijne kermen doet, maer d oorsaeck sien, waer uyt
De groote swarigheyt van dese kranckheyd spruyt:
Die meld mij eerst, waer uyt dit jammer sij gesproten.

BODE.

De swarigheyt begon van amptlin en van grooten,
Die tegens uw bevel het gaen, uyt eyge baet.
Vervoerden buyten t land, en met een kleender maet
Het lantvolck maeten toe, en dagelijcx noch minder.
De rijcke leefde een wijl uyt s armen nood en hinder;
Want d arme t graen verkocht, en leed self hongers nood,
En hongerde na goud veel meerder als na brood.
Doen al het veld nu kael van koren was, begonnen
De lieden t land sijn gras en groente misgonnen
En t vee sijn dagelijcx vor; en sloeghen raeuw in in t lijf
De spruyten en het kruyd: en blind in dit bedrijf,
Verstonden niet, wat quaed hier eyndlijck uyt most komen:
Want alsoo ras het veld van sijn groente was benomen,
Soo ging de sterfte eerst aen van t ruyg en wolligh vee,
Dat swart van honger sagh, en d ossen storven me
En alles wat natuur tot voedsel had gegeven.
Het uytgemergelt volck liet geenen wachthond leven,
Nocht geenen oyevar, en besighde dat pas
Voor spijs wat voort te vuyl om aen te raken was.
Het geen ick segh sijn ongelooflijcke dingen
Met voordracht werde vergift van adders, diese vingen,
Van velen ingeslickt. Sij sagen doods: elck scheen
Een geest: het lijf was niet dan enckel vel en been,
En d oogen stonden diep en naer in t hoofd geweecken:
De beenen onder t lijf verslapten en besweecken.
Sij kropten lang hun leet stilswijgens sonder klaght.
In t endt begon een deel der luye boevejaght,
Die eerst oock qualijck dorst van sijn regeerders spreecken.
In t vallen van den dagh de hoofden op te steecken,
Doen t schemeravond werd, en haelde daer versteurt
Al op, wat overlang en onlangs was gebeurt:
Of ley op aenhang toe, daer t volleck met gebeden
(Want menschen yvren meest in tijd van swarigheden)
Sijn wieroock voor t autauer den Gon had toegewijd,
En sprack: wat sal het end van dese droeve tijd
En honger sijn? of staet ons lijdsaem af te wachten,
Tot datmen, handgemeen, om strijd met volle kracht
Malkandren verscheurt? de moeder self haer kind,
Aen s vaders spit gebran, van een rucke en verslind?
Ontsietghe soo de macht, alleen uyt schrick gesproten,
Om dat wij onverknocht ontsien de naem der grooten?
Wie t al doet schricken, schrickt voor elleck in t gemeen.
Al wie dit hoorde sey het voor aen yeder een,
Waer dat hij quam, en wist het breeder te stoffeeren.
Een kleen getal sloegh voor, men sou sich t uwaert keeren,
En houden aen om hulp: maer dit wert overstemt.
De meeste hoop, als wild en woest, en ongetemt,
Was ongestuymiger dan selfs de stokebranden.
Gelijck een storremwind de bergen aen durf randen:
En rijt r stucken af, en buldert met gewelt,
En eycken uyt den gront geruckt ter aerde velt,
Soo komt het landvolck dol bij drommen aengetrocken,
Gewapent in de vuyst met barrenende stocken,
En stucken van den ploeg, en opgekrabden steen,
En schreeuwt by duysenden: op, op, na Koptos heen!
Daer houd de focker hof? daer schaft men brood en koren;
Daer luystren na ons vuyst, die na geen woorden hooren.
Soo trock men op; de hoop nam toe van over al;
En veel verwondren sich om t schrickelijck getal,
Waer dat men hene trock, en stercken self de scharen.
Doen sij in stadgesicht nu dicht bij Koptos waren,
Soo vloog men na de poort, die toegesloten was:
Men stack het vier in t hout. De dennen branden ras:
Te lichter, doen een wind met kracht daer in quam bruysen:
De vlam verspreyde sich in d allernaeste huysen:
De voncken vlogen veer. Een swarte nevel ging
Sich spreyen na de lucht. Terwijl de stedeling
Nu toeschoot, en om t vier te blusschen deed sijn beste,
Viel t landvolck midlerwijl elck schrickte, daer de veste
Maer paslijck was bezet, in stand met al sijn maets,
En schoot het harnas aen, nadat de rustingplaets
Daer van geplondert was, en liet de swaerden schitteren.

JOSEPH.

Sijn t amptlin, die alleen d oproerigen verbitteren
Of heeft de muyter oock in andrene verdriet?
Of is t hem even, al wie schuldig sijn of niet?

BODE.

Die dolle menschen, eerst op d amptlin fel gebeten,
Niet weynigen van hen verwoed in flarden reten,
Soo dat er niet een lid ter uytvaert overschoot,
Een kleen getal ontquaem t, dat in speloncken vlood,
En schuylt bij t ongediert, daer t nauwelijcx kan duuren.
Men viel terstond daer na oock in de koren schuuren:
En t graen (waer me het volck was langen tijd bewaert
Voor honger; soo men t had georbert en gespaert)
Onordentlijck gerooft, en schendigh weghgedragen:
Verhinderde den nood alleen voor luttel dagen.
Dus ving het oproer aen: maer het geweld verstoord
Hiel noch geen stant; het sloegh van quaed tot erger voort ,
Gelijck t in siecken gaet. Soo veel geschoncke wercken,
Gehangen tot een pronck om hoog in heylge kercken,
Stads schatten, en al t geld, dat yeder had gekist,
Verstreckten goeden buyt; ja self de brand en wist
Geen raed om met sijn vlam des roovers sucht te dooven.
Dus sagh men een hoop schuym in t brandend Koptos rooven
De vrijbebore jeughd en adel moest, gevaen,
Verkocht, vervoerd voor slaef, den vreemdling dienen gaen.

JOSEPH.

Wie durf dat vrije volck toch koopen?

BODE.

                                                             D Arabieren.
De ses paer Vorsten selfs, die dat gewest bestieren.

JOSEPH.

Deat onrechtvaerdigh volck behoudt noch Agars aert;
Maer segh, hoe Koptos nu met sijn regering vaert.

BODE.

Het is er bij n slagh van heerschen niet gebleven:
Sij hebben een alleen tot Opperhooft verheven
En walgden stracx van hem, kosen eenen dien
Sij schatteden bequaem om t krijghsvolck te gebin,
En lieten sijn gesagh van mackren besnoeyen.
Maer die regering kon al me niet lange bloeyen:
Men droeg het hoog gebied doen op aen t algemeen.
Sij kreeten vast om strijd, en raesden onder een:
De stoute hiel het veld: t en bleef er niet bij woorden
In t oproer k hebse self malkander sien vermoorden.

JOSEPH.

k Verseker ons de sege uyt uw verhael alleen,
Op, Ramses, ruck terstont de ruyterij bij een.
Berense, k sal u stracx de hand bin met soldaten,
En onder d aerde door oock volck in Koptos laten.
Langs een bedeckten wegh. Het sal mij niet aen macht
Gebreken, om een storm te levren langs de gracht.
Nocht aen geen storremdack on aen de vest te raken.
Wanneer ghij van de stad u dus sult, meester maken,
Soo hou uw volck in toom, dat het de burgerij
Niet plonder nocht vermoord. De krijgslin sullen mij
Bedancken, want ick sal hun moeyte wel beloonen:
De kroon is rijck genoegh. De burgers laet verschoonen.
Men reecken geen winst bij t algemeen verlies (*)
Dat men de rijcksten niet tot stadsregeerders kies;
Want d al te rijcken stagh na meerder rijckdom streven,
En weten allerminst van t volck toe te geven,
Maer drijven alles vast gelijck hun breyn behaeght.
Kies geen behoeftige oock, wiens harte word geknaeght
Van bitse nijt, en haet gelijckheyd; ongebogen,
Onrecklijck, siet hij niet als met afgunstige oogen
Een anders welvaert ane. Door  middelbaren staet,
Van vuyle vreckheyt vrij en quistige overdaed,
Word best een stad in rust gehouden uyt ellenden.
Ick sal u graen genoeg van dese plaetse senden,
Om elck te meten, na gelijckheyd met bescheyd.
Beset en sterck al t strand, dat over Cyprus leyt,
En tusschen t roode meyr, Egyptens leste palen
k Verwacht een betere eeu, die op ons hoofd sal stralen,
Als t Nabeetsche volck, dat om ons rampen lacht,
Sal voelen Pharoos arm. Laet d amptlin, die hun macht
Misbruyckten, in den nacht des duystren kerckers treuren:
Oock die ondragelijck als vijanden versteuren
Den burgerlijcken vre en haen aen Heeren slaen,
Schoon d Overheyd sich me te buyten heb gegaen
Die straf sal allermeest doen d overtreders schromen
Die niet op heeter daen in gramschap word genomen,
Maer met een koelen moed, een vriend van rijpen raed,
Vergeef genadig hem, dien, van geen graen versaet,
De hongers nood alleen tot dit vergrijp vervoerde;
Niet die uyt gierigheyd een anders goet beloerde.
Maer die sijn landsman en sijn vrijheyt heeft bespot,
En hier uyt trock gewin en schandelijck genot,
Laet daer nu sulck een straf en vonnis over vellen.
Ad hij self me socht alle anderen te quellen:
Men jaegh hem onder d aerde in diepe en donckre mijn,
Op dat hij d uuren tell (daer son nocht maen en schijn)
Bij sijnen arrebeyt met boeyen om de beenen;
Doch wat de noodruft eyscht, dat sultge hem verleenen,
Dat hj soo t Vaderland, door sijne schelmerij,
Geschonden, langen tijd een baeck en spiegel sij,
Beschick dit soo t behoort. k Ga binnen, om van saken
Te spreecken met mijn vrouw, die mijn huyshouding raken.

JUDAS. SIMEON.

JUDAS.

Wat dunckt u, Simeon, wat dunckt u? dats een man!
t Is wonder, hoe hij t al soo wijs beschicken kan.
O, hoe rechtvaerdighlijck, hoe billijck weet hij tegen
De misdaed yeder straf te wicken en te wegen!

SIMEON.

Soo lang ick hier voor u in gijselinge sat,
Bevont ick hem altijd soodanig. T elkens dat
Ick hem als scheydsman sagh met sijn geduldige ooren
Partyen van weersy en haer krackeelen hooren,
Kon ick noch noyt verstaen, door uyterlijcken schijn
Van woorden of gelaet, hoe hij gesind moght sijn.
Hij wist sijn oordeel meer te neygen en te buygen
Na geloofwaerdigheyd als na getal van tuygen.
Hij nam tot een getuyg s verweerders wandel aen
En vorig leven. Op de wetten bleef hij staen
Wel stip, t en waer gen en goedigheyd verkosen
Een sachte straf; doch niet soo sacht, dat sij den boosen
Den schrick benam, vermits sij t ongebonden was.

JUDAS.

Wat of t beduyden wil, dat Sophompaneas
(Toen hij ons gisteren soo onthaelde ten banckette)
Een yeder aen den disch na sijne jaren sette?

SIMEON.

Geloofme, t geenge meest in desen Lantvoogd acht
Is t alleminst in hem. Godt heeft een groote kracht
Gestort in desen man, een kracht die hem van binnen
Ondeckt, door Godes geest, t geen met vernuft en sinnen
Geen mensch begrijpen kan.

JUDAS.

                                             Wat galerij is dat,
Die driemaal loopt om t hof?

SIMEON.

                                                De Konig rijck van schat
En mild, liet die, sijn vriend ten dienst van suylen bouwen
En overzeesche steen, in Griecken uytgehouwen.

JUDAS.

Is t oock geoorlooft, die van binnen te besien?

SIMEON.

O ja, en t sal van u met grooten lust geschien,
Want Pharo stelde daer uytnemende schilderijen,
Van t puyck der meesteren; waer in op lange rijen
De vreemdelingen sien de brave daden staen,
Die Sophompaneas, de Rijksvoogd, heeft gedaen,
Op dat hij roem daer af geniete bij sijn leven.

JUDAS.

Nu laet ons binnen gaen. Men sal u niet begeven;
Nu vrees niet, Benjamin, weest vroed en wel te vre:
Wij blijven dicht bij u, niet veer van dese ste,
En keeren daetlijck weer, soo ras wij, dese saken
Beschouwende, de deur des Lantvoogds hooren kraken.

SIMEON.

Nu laet uw oogen eens gaen weyen in der haest.

JUDAS.

Wat wil het, dat die vrouw in t aensicht soo verbaest,
Van groote gramschap blaeckt, en t hair gesleurt laet hangen,
En ruckt den jongeling, met nat betraende wangen,
Den mantel van het lijf, terwijl hij voor haer vlught?

SIMEON.

Een schoone en heersche vrouw die raest met groot gerucht
Om haren kuyschen knecht, die bijslaep durf ontseggen
En weet van haren hals de schuld op hem te leggen,
En sij bewimpelt t eerst met t ander schellemstuck,
En soeckt geloof door t kleed, dat sij de deughd verdruck.

JUDAS.

Ick sie een vangenis daer son noch maen in stralen.

SIMEON.

Hier in moest hij gevan een anders schuld betalen.

JUDAS.

Wie ofer wijnen uit drie trossen perssen magh,
En schencktse in s Konings kop op sijn geboorte dagh?

SIMEON.

Dat is soo niet gebeurt, maer t was een mgevangen
Van Sophompaneas, die lust had en verlangen
Te weten desen droom, en uyt sijn prophecy
Verstond, dat, als de son ten derden dage blij
En heerelijck verrees, op haer gewoonlijcke orden,
Hij wer aen s Konings disch sou Konings schencker worden;
En d uytkomst van de saeck, die maeckte t voorspel waer.
Dan och!, hoe luttel docht hij dese weldaed naer!
Want uyt sijn hechtenis in staet gestelt, al voren.
En machtigh rijck, gesien, verheerlijckt, en verkoren,
Belofte, prophecy, nocht vriendschap overwoegh,
Tot dat de klare zon haer rossen tweemael joegh
Door s Hemels baen, verciert met met ses paer goude mercken, (*)
En Pharo, doen de slaep hem slaeckte uyt sijne vlercken,
Van den Egyptschen Raed der Wijsen socht vol schroom.

JUDAS.

k Sie in den kercker noch yet droefs om voor te schricken:
t Sijn vogels scharp van beck, die uyt drie korven picken,
Vol koningklijck gerecht: hoe gulsich schenden sij
En slaen hun wreeden klaeuw in dese leckernij!

SIMEON.

Dit was oock een gesicht het welck,  sijn mgevangen,
Die eer aen Konings s disch de spijs pleegh aen te langen,
In sijnen droom verscheen, en aen een bast tot straf
Gehangen, met sijn lijf den vooglen eten gaf,
Doen t blosend morgen-rood den derden dag verweckte,
Gelijck de siender hem dit duydelijck ondeckte.

JUDAS.

k Sie seven koeyen gins verrijsen uyt den Nijl,
Die vet t water  logh gaen grasen voor een wijl,
Tot dat, uyt vuyl moerasch, gelijck getal van koeyen,
Die dor en mager sijn, bij d andre vette loeyen.
De magre slickt de vette in hare keel. Een veld
Draeght sever airen rijpe en vol, waer van elck helt
Geswollen naer den gront. Ick kan u daer oock wijsen
Noch seven, dor van halm, die uyt der aerde rijsen.
En droog sijn, mits de son haer sap heeft ingeslickt
Door hitte, welcx vergif het rijpe saed verstickt.
Wie siet op t purper bed dit al van veer geschieden?

SIMEON.

Het is de Koning self: want God hem wil bedieden
Door seven airen, swae van saed, de seven jaer,
Die rijck zijn van gewas; en door de sevenair,
Die dor gewassen is, soo vele onvruchtbre tijen.
Maer niemant kon, dien knoop ontknopend, hem verblijen,
Als dees, die, uyt den nacht der vangenis geslaeckt,
Van Pharo hier om werd de tweede in t Rijck gemaeckt.

JUDAS.

Ick ken hem, die daer sit op den yvoiren wagen,
En aen den sijden rock en diamant gedragen
Aen sijne slinke hand, die flickert menighvoud;
En aen sijn halscieraed, de keten, rood van goud.
Al t volleck knielt voor hem, en looft met sang en snaren
En bid den wijsen aen. Maer wat zijn dat voor scharen
Van driederleyen staet, die elck in ordre staen?
Het eerste slagh heeft opgegorde kleedren aen,
Het tweede in t harnas steeckt, bereyd en vroom ten strijde,
Het darde slag, van top tot teen, in witte sijde.

SIMEON.

Al t volleck, binnen t Rijck, sijn zee, en grooten vliet,
Werd net in drien gedeelt, doen hij t den koning ried,
En in t bijsonder elck, sijn eyge werck gegeven:
Het allereerste slagh is t landvolck, dat ons leven
Met sijnen arbeyt stut; waer van een deel het nat
Des witten strooms, met een gestadig draeyend rad
Om hooge maelt; een deel (t luyd vreemd in verre landen)
Het deegh met voeten kneed, en t klay met sijne handen.
Het tweede slagh, dat sijn de krijgslin dien mij me
De wapens handlen leert, in t midden van den vre.
Sij graven wal en graft, of leeren, al bedropen
Van sweet begruyst van stof, in volle rusting loopen:
Of leggen toe, om net te micken op het wit,
Te houwen op een hayr, of met een scherp gebit
Het ros te breydelen, en in de ring te rennen;
Of zeyssenwagens wel en meesterlijck te mennen;
Of steken legers af, en houden die beset,
Met wal en gracht; dees daeg een springstock, die schiet net
Met boog en pijl, de som met bijlen vechten leeren;
Ghij siet er troepen sich nu rechts nu slincx omkeeren,
Nu sluyten met een swenck, nu oopnen hun gelen,
Het derde slagh is toegewijd de heylighen,
En last vrij word gevoed van s konings tresorieren,
Dit wieroockt niet alleen, en offert koey en stieren,
Maer vorscht oock na, op t spoor van Sophompaneas,
Waerom de dwaelster deyst: waerom aen s hemels as
De sonne langer mart, wanneerse staet in t teken
Des Kreefts, en of de Beer blijft even veer geweken,
Van t Noorden aspunt, daer hij stadigh ommevaert:
Waerom een nieuwe star sich somtijds openbaert.
Oock soekense uyt den aert der dingen op te visschen,
En t weereltlijck gebouw, al Gods geheymenissen.
Siet ghij die trecken oock in t sand geschreven staen?
Daer leggense over hoop, om op een hayr te ran
Hoe groot de driehoeck sij, waer in men kan besluyten
Des werelts ommering; hoe veel de ring, die buyten
De aerdbom ommeloopt, sij grooter als de lijn,
Die door het aerdrijck gaet; wat braeve stucken sijn
Van den Egyptenaer in oorloogh bedreven,
En hoe gerust men hier in tijd van vre kon leven;
Al wat bij wetten oyt, tot oirbaer van het land,
Gestelt werd, en elcks naem, van al wie tulleband
Van Mesors tijden af te Memphis droegh, dat maelden
De priesters af op steen, en hieuwen t uyt op naelden,
Met stomme teeckenen en niet met letterspraeck.

JUDAS.

Wat wil dat tafereel toch zeggen om wat saeck
Of t volck verbaest en doods voor s Vorsten hof komt dringen?

SIMEON.

Men handelt daer met ernst van treffelijcke dingen.
Het eerst jaer, doen d ooghst soo dor op t veld bleef staen.
Verwisselde elck uyt nood sijn slaven voor het graen,
Hetwelck de koning, mits dees man sijn droom verklaerde.
In tijd van overvloed vast opley en vergaerde.
Na dat de hongers nood hen drong met grooter wee,
Verkochtense al het groote en oock het kleyne vee,
Daer na de weyden, flucx hun eyge vrijheid mede.
Soo eygende de Vorst gewilligh en ter bede
De landen langs den Nijl en sijnen langen plas,
Behalven t land het welck den priestren eyge was;
En al de menschen (want de Vorst wist datse strecken
En sijn de kracht des Rijcx) van d ackren de vertrecken,
Die hunne voorders langh besaten, en versond
Hen allen na den bou van eenen andren grond.

JUDAS.

Het blijckt dat hij wat weet, het sij door t openbaren
Van God en Sijnen geest, of door sijn wedervaren;
Maer k vrees niet sonder ren dat het ons hindren mocht.
Ick wenschte dat hij min in velen was versocht.

SIMEON.

De ruymt van achter aen de wijde galerye
En heeft niet dat u dient, maer streckt een prophecye
Van al wat Pharoos volck bejeegnen sal, gestelt
Door last van t Groot Vernuft, dat vele dingen spelt.
De tijd sal leeren t geen nu duyster valt om raemen;
Maer het benauede kint verlanght na ons al t samen.

REY.

     O Nijl, of t sij ghij liefst alleen
Den naem van Siris hebt te dragen,
Of Astapus, gelijck voorheen
U d ouders hieten in hun dagen;
Wiens wufte vliet gesprongen koomt
Uyt onbekende en duystre bronne,
En diep door t aerdrijck henen stroomt,
Daer t wild en woest is, sonder sonne;
     En dan, tot dienst der menschen, wer
Te voorschijn komt, en t hooft opsteecken,
En tweemael van de rotsen ner
Gestort, sijn schuymend water breecken,
En bruyscht en splitst sijn nat in twee,
En leckt Egyptens kant en gronden,
Tot dat hij streeft en schiet in zee
Door seven opgesparde monden;
     Wat sal ick, slechte, onnoosle maeght
Doch seggen van verborge saecken,
Daer ons geleerden, om gevraeght,
Krackeel en ydle woorden maecken;
Gelijck wij dickmael hoorden, dat
Aen s Vorsten disch sij reden gaven?
Hoe komst het, dat uw weygrigh nat
(Gewoon Egypten soo te laven,
     Dat het den regen derven moght)
Niet hooger was als vier paer ellen,
Hoewel het Hondsgestarnt om vocht
U smeeckt, en menighmael komt quellen?
Geschied het mits het sonnelicht,
Gevoeght met andre starren t samen,
Een grooter brand en hitte sticht,
En mijn geboorteland het amen
     Verhindert, door versmachten dorst,
Soo dat door drooghte gansch geen regen
En laeft der beecken schorre borst?
Of strijd Saturnus traegheyd tegen
Mercuurs geswindheyd die u vaert
Moet geven? of en heeft het Weste,
Dat nu slechts enkle koude baert,
Geen lentewinden meer ten beste,
    Om uwen stroom te sluyten van
Den zeekant, en u soo te parssen,
Dat, over d oevers heen, ghij dan
De dorstige ackers soudt ververschen?
Of is uw springar toegestopt,
En weygert sij, gelijckse plaghte,
Uw kil, daer nu geen vocht in dropt,
Te drencken, dat het sand versmachte?
     Dewijl de vader Oceaen,
Die om den aerdbom loopt, verhindert
De zen, die tegens Atlas slaen,
En haer in hare vaert vermindert;
Soo datse heymelijcke niet
Door d aerde henen kunnen kruypen (*)
Bijeen op dat uw groote vliet
Het nat der beecken koom te suypen.
     O neuswijs volck, t en sij t mij mist
Ghij ondersoeckt vergeefsche dingen.
De Schepper, die de watren wist
Met strand en oever te bedwingen,
Schiep oock den Nijl, aen seeckre wet
Verknocht, die Hij om s vollecx boosheyd
Verandert, dat het omgeset,
Eens opho van sijn goddeloosheyd.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001