Joost van den Vondel (1587-1679)

JOSEPH IN T HOF.

HET VIERDE BEDRIJF.

JOSEPH. JUDAS. BENJAMIN.

JOSEPH.

Ontbind den jongen, dat hij spreeck, met vrijer harten:
En ghij, mijn wacht, vertreckt: oock ghij, geslacht van Swarten,
k Heb wat met den Hebren te spreecken. Seghme doch,
De man, daer ghij van spreeckt, uw vader, leeft die noch?

JUDAS.

Hij leefde noch, toen ick, trock na d Egyptenaren.

JOSEPH.

Hoe oud is hij?

JUDAS.

                         Ontrent de hondert dartigh jaren.

JOSEPH.

Is hij soo oud, en noch gesond en wel gestelt?

JUDAS.

t Is enckel hartewee en droefheyd dat hem quelt.

JOSEPH.

Bedroeft hem dan, dat hij dit kint soo langh moet derven.

JUDAS.

Noch is er yet, dat hem van quelling sal doen sterven.

JOSEPH.

Mijn vader is oock oud; mag t sijn, segh op, wat is t?

JUDAS.

Ick sey t u: hij betreurt sijn soon, dus langh vermist.

JOSEPH.

Door welcke rampen heeft uw vader hem verloren?

JUDAS.

Dat s Gode alleen bekend, die t al kan sien en hooren.

JOSEPH.

Ghij neemt tot tuyge dien, die al t verborgen weet.

JUDAS.

Noyt broght ons eenigh mensch van hem het recht bescheed.

JOSEPH.

De tijd ontdeckt somtijds veel onbekende saken.

JUDAS.

Och, quaem eens aen dagh het geen daer wij naer haken!

JOSEPH.

Ghij wenscht misschien hem wer in s ouden vaders schoot?

JUDAS.

Ick toefde niet, moght ick dat koopen met mijn dood.

JOSEPH.

Of hem sijn vader dan soo hartelijck besinde?

JUDAS.

Soo seer, dat vader noyt sijn soon alsoo beminde.

JOSEPH.

Was t daerom, dat hij vroom, niet nijdigh was nocht straf?

JUDAS.

Oock om sijn goeden aerd, die groote hope gaf.

JOSEPH.

Wat dunckt u van dit land, en Pharoos groote Rijcken?

JUDAS.

En t hoeft voor Syrin in t minst niet te wijcken.

JOSEPH.

Behaeght de heerschappij en slagh van dien u niet?

JUDAS.

Te wonder, allermeest nu ghij er hebt gebied.

JOSEPH.

Soudt ghij wel wenschen hier te woonen met u allen?

JUDAS.

Van harten, om niet wer in hongers nood te vallen.

JOSEPH.

Wat jaeght u dan na huys?

JUDAS.

                                          Ons vader, d oude man,
Dien, daer gelaten, men geensins verlaten kan.

JOSEPH.

Of yemant d oude man wel herwaert sou belesen?

JUDAS.

Dat staet alleen aen hem: ick moet gehoorsaem wesen.

JOSEPH.

Misschien trock hem wel hier de soon, dien hij bemint?

JUDAS.

Wat dees was oock altijd sijn lief en waerde kind.

JOSEPH.

Hoe hiet de vader hem? of magh men dat niet weten?

JUDAS.

Men plagh na vaders wil, hem Benjamin te heeten

JOSEPH.

Die brave naem beduyd de kracht der rechte hand.

JUDAS.

Wel, kunt ge me Hebreeus?

JOSEPH.

                                             k Was eertijds in uw lant.

JUDAS.

Wat de, met oorlof, u dus verre herwaert komen.

JOSEPH.

Een ondier, tegens mij met afgunst ingenomen.

JUDAS.

Me weet tot onsent oock te spreecken van die pest.

JOSEPH.

Verkoopt men vrije lin al me in dat gewest?

JUDAS.

Gewoonte en wetten scherp die vuyligheyd verbieden.

JOSEPH.

Wat siet men tegens Recht en Wetten niet geschieden!

JUDAS.

Wat hier niet word gestraft dat straft de hooghste Troon.

JOSEPH.

Nu segh ons doch, hoe hiet de langhvermiste soon?

JUDAS.

Och, Joseph was sijn naem.

JOSEPH.

                                            En wat is dat te seggen
Op uw Hebreeuwsche spraeck, indien men t uyt sou leggen.

JUDAS.

Geluck en aenwos van de huyse in t algemeen.

JOSEPH.

De saeck quam met den naem somtijds wel overeen.

JUDAS.

Maer d uytkomst leert, hij heeft dien naem vergeefs gedragen.

JOSEPH.

Gods maght is niet verkort: dus wilt niet licht vertsagen.

JUDAS.

Gaef God ons onverwacht een uytkomst in t verdriet!

JOSEPH.

Hij gaf t en geeft het u. Siet hier mijn broeders, siet,
Ick ben die Joseph self: d Egyptenaren noemen,
Mij anders. Siet, hoe God, wiens goetheyd ick magh roemen,
Mijn lot verbetert heeft. Nu denckt om Dothan niet,
Om moortkuyl, Arabier, nocht wat er is geschiedt.
Mijn droomen blijcken waer, in desen staet en eere:
Dat s mij genoegh: dat s al wat ick van u begeere.

JUDAS.

O, edelmoedigh vooght des Rijcx! want ick mij schaem
Dat ick u broeder noem, nadien ons daet den naem
Verlochent, en wij niet als broeder u ontmoetten;
Wij knielen wer vol druck ootmoedigh voor uw voeten,
Doch niet op dat ghij ons voor hongers nood bescharmt,
Maer u bedwingt, ons schuld vergeeft, en u ontfarmt.
Dat wil, belieft het u, het vaderlijcke hare,
t Welck afgepijnight is door langhgelede smarte:
Of hebt ghij t liefst, het verght u dit met sijn geben.

JOSEPH.

Laet vaeren uwe sorgh, nocht bid niet om t geen
Ghij al verkregen hebt; en is er yet misdreven,
Het is een kleyne saeck, die misdaed te vergeven.
k Bemin mijn broeders als een broeder nu ick vind,
Dat ghij soo ongeveynst oock Benjamin bemint,
Het welck ick langh versocht door soo veel ommewegen:
t Verdriete u niet, nadien dees uytkomst rijck van segen,
Dit dubbel waerdigh is, en ick met danck erken,
Dat ick door u de naeste aen Pharoos scepter ben.
God, die het al bestiert, en sorg voor alle saken
Wiens nimmer sluymrend oogh niet moede word van waken,
En buyten ons beleyd, t geen hij geraden vond,
Tot u en vaders heyl, mij hier voorhenen sond.
t Is nu het tweede jaar dat honger plaeght dees palen,
Daer t omgelegen volck sijn spijs moet komen halen.
Vijf jaeren wacht men noch, vol druck en hongers  nood.
Gaet heen, brengt vader dan, die jammert om mijn dood,
Dees onverwachte maer: dat ick, dien hij verloren
Dus langh gerekent heeft, alleen niet als herboren
Noch leve, maer oock, hoogh verheven en vermaerd,
Soo groot een schat besitte, en ghij, mij even waerd,
Oock del hebt aen mijn maght, en sijt mijn staetgenooten.
Laet hem, den rechten stam waer uyt ick ben gesproten,
Oock weten, wat geluck hij nu door mij al wint:
Dat vader herwaert koom, en sie met vreught sijn kind,
Waer na sijn harte treckt. Ick sal sijn runders leyden
In t allervetste Lant, en in d Egyptse weyden
Doen groeyen Isaecx vee. Mijn waerde broeder, ach!
k Omhels met lust en vreught, u, dien ick noyt en sagh
In heele twintigh jaer: t en kan mij niet vervelen.
O broeder Benjamin! uw goudgeel hair te strelen,
Te hangen om uw hals met bey mijn armen vast;
Te schreyen, dat mijn vreughd mij in mijn tranen wascht;
Mijn hart beswijckt van vreughd, ick kan niet langer spreken.

BENJAMIN.

O, broeder, wellekoom, dien ick mijn broeder reken
Van vollen bedde, en dien ick onvermolijck vind.
O, overgroote man, bescherm mij, arrem kind!
Bestier uw vollen bror, gelijck dese onderdanen:
En k bid u, laet mij toe, dat ick dies tere tranen,
Een ongeveynst bewijs van ware liefde en trou,
Magh storten over u, dien in omarremt ho.

JOSEPH.

O, noyt verwachte dagh, hoe doetghe mij verblijen!

BENJAMIN.

Nu routme niet, dat ick beticht een poos most lyen,
En tot mijn onschuld werd geboeyt, en in dit land
Van Sichem werd vervoert, soo verre van der hand.

JOSEPH.

Om weten, hoe mijn brors sich neffens u al hielen.
Gebruickte ick soo veel list. Mij rout, dat ick hun sielen
En trou niet proeven kon als met uw vrees en sch.

BENJAMIN.

Het is een groote saeck, dat ghij hen al daer na
So suyver vondt; t getroost mij gaerne dese smarte.

JOSEPH.

Wat was mij t leven soet, doen ick hun deeghlijck harte,
En hun godvruchtigheyd, en hun getrouwheyd sagh!
Ick moet bekennen, dat die aengenaem dagh,
Doen ick den kercker liet, waer in mij verdoemde;
Doen Pharo en al t volck mij sijnen vader noemde,
Mij noyt soo aengenaem nocht lief en is geweest.

BENJAMIN.

Als ick uw heyl aenschou, verheug ick in mijn geest.

JOSEPH.

Mijn broeder, al het mijn dat is voor u ten beste.

BENJAMIN.

Hoe blij waer d oude man, sagh hij dit voor sijn leste!

JOSEPH.

Hij sal, hij sal, eer lang en sonder beyden, me
Ons vreught deelachtigh sijn, en komen hier ter ste
Ghij sult hem halen gaen, en afgevaerdight worden,
Met sulck een braven staet, en suclk een statige orden,
Gelijck gesanten en gebroedren, wijdt befaemt,
Van eenen grooten Vorst en Rijcxvooght wel betaemt,
Ons sal noch tijds genoegh en leven overschieten,
Om lange dese vreughd te samen te genieten.
Nu is mijn tijd voorbij, dat ick de koning vroed
Sou maken al hetgeen hij noodigh weten moet,
En wat er desen dag op nieuw is voorgevallen.
Mijn lijfwacht, komt en volgt mij daetlijck met u allen!

JUDAS. RUBEN. BENJAMIN.

JUDAS.

Al is het soo, dat mij de goedertierendheyd
Mijns broeders, die al t geen wat hij heeft toegeseyd
Godvruchtigh houd, ontslaet van tallerminst te vreesen;
Noch schrick ick soo verbaest voor t opsicht en het wesen
Van sijn onnoselheyd, mishandelt door dien smaed,
Door d overtuyging oock der gruwelijcke daed,
Mij noch te wel bewust, dat na soo luttel woorden
Naeu uytgestamelt, ghij mij in een wijl noyt hoorden
Geluyd slaen. Benjamin! nu bidden wij, na dien
Ghij allermeest bij hem gewilt sijt en gesien,
Om dat n moeder u heeft onder t hart gedragen,
Bevredigh en versoen hem met sijn brors: hij sal,
Al wat wij oyt misden, uyt gunst, u te geval,
Van harten lichtelijck vergeten en vergeven.

RUBEN.

Hij spreeckt uyt aller mond. Indien wij oyt ons leven
U deden eenigh goed, vergeld dat nu ghij meught:
Dat staet u licht, en t sal ons doen een groote deughd.
Verricht dat ons ten dienst, het sal tot alle tijden,
Soo dickwijls ghij t herdenckt, uw hart en siel verblijden.
De vader moet gesond daervoor u weder sien!

BENJAMIN.

Mij dunckt t is noodeloos: nochtans soo wil ick bin
Mijn broederen de hand, op dat ick hen behoude
De vader sey mij dit doen ick vertrecken soude:
Mijn soon, draegh nietmant haet: bemin uw eyge bloed:
Verplicht op t allerhooghst door weldoen hun gemoed;
Door weldoen niet alleen, maer mede door verdragen.
Soo droegh sich Abraham bij Loth in sijne dagen;
Om wien hij ging t gevaer van eenen slagh bestaen,
Op dat de neef, die nu alreede was gevaen,
Uyt s vyands wreeden klaeu verlost wierd, en t geluckte,
Doen hij den verschen roof vier koningen ontruckte:
En om des landscheys twist te mijden, soo begaf
Hij t Oosten en vertrock in t Westen van hem af.
Soo droegh sich Isack oock bij Ismal uyt minne;
Die, schoon hij was de soon van Agar, de slavinne,
Hem nochtans lastigh viel; en dat ick nu oock roer
Van mij; doen Esau me, mijn wreede en forsse bror,
Mij dreygde met der dood, soo sworf ick met beswaeren
Als balling buyten s lands, geheele twintigh jaeren,
Op dat sijn grimmigheyd moght slijten meer en meer:
En keerde na huys, soo sette ick hem ter ner,
Met smeecken en geben, en veelerley geschencken.
k Wil niet alleen altijt aen vaders les gedencken,
Maer die getrouwlijck oock beleven, als t behoort.

JUDAS.

Gewislijck, Rachel braght gewenschte kinders voort!

REY.

Ick heb een blijde Maer gehoort,
Hoe dat ons Lantvooght rechtevoort
Sijn ellef brors gevonden heeft.
D aertspriesters dochter, in wie leeft
De roem van t priesterlijck geslacht,
Verblijd sich, dat haer man geacht
En edel is van bloed en stam,
Ja, die van ouds sijn oirsprong nam,
Daer de klaygespoelden Euphraet
En Tigrisstroom ( die sneller gaet
Als pijl en schicht) tot tweemael met
Malkandren vredig gaen te wed. (*)
God nam de klay van t selve land,
En bootste, met een wackre hand
Die na Sijn eygen evenbeelt
En maeckte hem, die d andren teelt,
In wien de lange rekening
Van t menschelijck saed ter ende ging.
En staeckte doen sijn arrebeyd:
Hij blies een geest vol majesteyt
In hem, en schiep hem, dat hij t oogh
Ten hemel sla, en t hoofd omhoogh:
En korts daer na, op de de neef
Veel eeuwen na den grootvar bleef,
Nam hij een ribbe uyt sijne sij.
Waer uyt een schepsel, schoon en blij,
Een schoone vrouw te voorschijn quam.
Soo haest hij sijne g vernam,
En opschoot uyt die soete rust,
Sag hy haer aen met grooten lust,
En voelde stracx sijn hart en nier
Ontsteken van het minnevier.
Soo nam het huwlijck sijn begin,
Wiens band en goddelijcke min
Alle andre banden, in waerdij
En heyligheyd gaet veer voorbij.
Dus werden kinderen gebaert,
Den vader altijd lief en waert,
En suygelingen aen de borst
Der moeder, diese queeckt en torst.
De naeste na dien hartetoght
Is liefd van broederen verknocht
Als tegen uyt de selve san,
Die met malkanderen spelen gaen,
Gelijck het paard bij sijn gespeel,
Of ossen onder n gareel.
Och, of de Phenix daer gewis
Maer een af inde wereld is,
Op sijne vleugels, die soo el
En geurigh riecken na kanneel,
Mij voerde door de heldre locht,
En in het land der Mooren broght,
Bij mijne broedren, daer men van
De hitte naulijcx duuren kan!!

Maer siet, hoe Pharo daer uyt sijn paleys komt strijcken,
Met tortsen, die de son in klaerheyd niet en wijcken.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001