Joost van den Vondel (1587-1679)

JOSEPH IN T HOF.

HET VIJFDE BEDRIJF.

PHARAO. JOSEPH. JUDAS. REY.

PHARAO.

Na dat ick u geluck gewenscht heb, koom ick me
Begroeten uw gemael, dier haer geslacht alre,
Door sulcke swagers, siet in naem en glans vermeeren.
Men kan uw deughden niet met dancks genoegh vereeren
k Besit in vre dit Rijck, dat door u veyligh is;
Egypten weet u danck voor sijn behoudenis,
En ick voor mijne rust. Ghij sijt mijn vast betrouwen,
En d eenige oirsaeck dat men d ackers hoopt te bouwen,
Die anders souden woest en ledigh staen: dies wij
U eeren willen, met die eer en lof, dat ghij,
Naer d Asiaesche wijse, om uwe brave daden
Geset wordt in den Stier, in t veld dat overladen
Van schoone starren staet: op dat men aen uw deughd
En groote weldaed denck: gelijckse noch met vreughd
Aen Mesors vader self den ouden Hammon dincken
Soo dickmael zij bij t Rams gestarrent hem sien blincken. (*)

JOSEPH.

Grootmogende Monarch! k heb van uw Majesteyt
Genoten sooveel goeds en gunst, en waerdigheyd,
Dat ick Uw gaven wil veel liever sien besnoeyen,
Dan dat die in getal vermeerderen en groeyen:
Nochtans word hartelijck dees bede aen u versocht,
Gedwongen werden, om van hun godsdienstigheden,
Gerft van hand tot hand, nocht van hun wet en seden,
En overoud gebruick, te wijcken eenen voet:
En als t hun elders lust te trecken: t sij het doet.
De swarigheyd, die hen in t eynde moght beloopen;
Of dat sij elderwaert op yet wat beters hopen;
Dat niemant hen belett te volgen hunne sucht.
Soo waerlijck hebb dit land altijd gesonde lucht:
Soor waerlijck ho de Nijl sijn peyl in t overvloeyen:
En dat dit Rijck in tal van kindren aen magh groeyen,
En nimmermeer sijn staf ontwringe uw oud geslacht.

PHARAO.

Ick sweere bij dien God, die t al heeft in Sijn macht,
En alle ding bestiert, en set daer voor te pande
Mijn hoofd en erfgenaem dat binnen desen lande
t Hebreeusche volck altijd sal blijven bij sijn wet,
En trecken waer t sich lust in vrede en onverlet.
Indien mijn nasaet koom dien hoogen eed t ontwijen,
Soo moet de Nijl in bloed verkeert, naer zee toe tijen
Met ongestuymigheyd; en aerde en water me
Van wormen grimmelen; en pest t vergiftight vee
Vernielen; kruyt en gras verdorren, t saet versengen;
De kale boomen loof nocht vrucht te voorschijn brengen;
De menschen met geswel en sweeren sijn bevleckt:
Met helsche duysternis het aerdrijck overdeckt;
De nachten sonder dagh vervolgen op malkanderen;
De juysen kinderloos hun vreught in rou veranderen:
Is dat noch niet genoegh dat dan de soute sprinck,
Geen stranden kenne, en al mijn volck te hoop verdrinck!

JOSEPH.

O rijck Egypten t sal u tot veel winst gedijen,
Dat ghij t Hebreeusche volck, in dees benaeude tijen,
In uwen schoot ontfangt: want alsoo langh ghij tracht
Te koesteren dit vroom godvruchtige geslacht,
En uytverkoren volck, sult ghij in glori bloeyen,
En boven uwen wensche u alles toe sal vloeyen,
Natuur u staen ten dienst. De tijd sal komen dat
De koningen des Nijls, soo rijck van naem als schat,
Sich sullen in verbond met ons geslacht begeven,
En een Egyptse vrou, op Isrels troon geheven,
Sal baren eenen soon, die Isral regeer;
Daer tegens sullen dan in Pharoos Rijcken wer
Verplaetslingen uyt Hebreeusche stamme komen
Bewoonen nieuwe sten. Wanneer, tot troost der vromen,
De vader van den vrede en van Godvruchtigheyd,
En s werelds Heyland, lang verkondight en voorseyd,
Uyt s Hemels schoot gedaelt, op aerde komt verschijnen,
Sal hij, na sijne vlught, door wouden en woestijnen,
Hier in ballingschap huysvesting soecken gaen.
Hij sal Egyptenaers en mijn Hebren doen staen
Op eenderhande wet; den Godesdienst vermengen,
En leerense op n wijs Gode eer en offer bregen.

REY.

Laet ons dat groot geluck toch me deelachtig sijn
Een heylig hemelsch vier, het welck den sonneschijn
In klaerheyd overtreft, bestrael de Zuyder landen,
En doe der Mooren hart tot God in yver branden!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001